Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woord - (klank met eigen betekenis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

woord zn. ‘kleinste zelfstandig gebruikt taalelement met een eigen betekenis; uiting’
Onl. wort ‘taaluiting, dat wat opgeschreven of gesproken wordt’ in end ec forsacho allum dioboles uuercum and uuordum ‘en ik zweer alle daden en woorden van de duivel af’ [791-800; CG II-1, 26], Herro giuit uuort predico[n]don ‘de Heer geeft het woord aan hen die prediken’, uuort mina faruuieton ‘vervloekten zij mijn woorden’ [beide10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wort ‘uiting; kleinste zelfstandige taalelement dat op zichzelf een betekenis heeft’ [1240; Bern.], in de superscripcie van tween worden ‘het erbovenschrijven van twee woorden’ [1277; VMNW], tword ons heren ‘de uiting van God’ [1285; VMNW].
Os. word (mnd. wort); ohd. wort (nhd. Wort); ofri. werd, word (nfri. wurd); oe. word (ne. word); on. orð (nzw. ord); got. waurd; alle oorspr. ‘gesproken uiting’, < pgm. *wurda-. Ofri. werd (nfri. wurd) lijkt op een ablautvorm *werda- terug te gaan.
Verwant met: Latijn verbum ‘woord, uiting, redevoering e.d.’; Litouws var̃das ‘woord, benaming’, Lets vā̀rds ‘woord, uiting, belofte e.d.’; < pie. *uerdho-, *urdho- (IEW 1163). Mogelijk door vereenvoudiging van de medeklinkercluster ontstaan uit ouder *u(e)rh1-dhh1-o-, samengesteld uit de wortel *uerh1- ‘spreken’ (LIV 689) van Grieks eírein ‘id.’ (zie ook → ironie) en de wortel *dheh1- ‘plaatsen, zetten, leggen’ (LIV 136) van → doen.
De oorspr. betekenis ‘gesproken uiting’ is nog steeds gangbaar, vooral in vele vaste verbindingen, bijv. het woord voeren/geven/nemen/houden, aan het woord zijn/laten, het verlossende woord, woorden en daden (ook woord en daad), te woord staan, een woord van dank, en in enkele samenstellingen en afleidingen, bijv.antwoord, voorwoord, verwoorden. In alle West- en Noord-Germaanse talen ontstond daarnaast al vroeg de betekenis ‘kleinste zelfstandig taalelement met een eigen betekenis’. Dit is tegenwoordig de neutrale betekenis van woord en van de meeste samenstellingen met woord als eerste of tweede lid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

woord1* [klank met eigen betekenis] {oudnederlands wort 901-1000, middelnederlands woort} oudhoogduits wort, oudsaksisch, oudfries, oudengels word, oudnoors orð, gotisch waurd; buiten het germ. latijn verbum, (< ∗verdhum), grieks eirein, (< ∗weirein) [zeggen], rètōr [redenaar], litouws vardas, oudkerkslavisch rota [eed], oudindisch vrata- [gelofte] (vgl. ironie); de uitdrukking gevleugelde woorden is een vertaling van de bij Homerus meermalen voorkomende uitdrukking epea pteroenta.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

woord 1 znw. o. ‘zinsdeel’, mnl. woort o., onfrank. wort, os. word, ohd. nhd. wort, ofri. oe. ne. word, on. orð, got. waurd o. — lat. verbum (< *u̯erdhom), ‘woord’, lit. var̄das ‘naam’, opr. wirds ‘woord’, miers fordat ‘zij zeggen’. Een formatie met -dh- van de stam *u̯er ‘plechtig zeggen, spreken’, vgl. av. urvāta- o. ‘bepaling, gebod’, oi. vratá- o. ‘bevel, gelofte’, gr. eírō ‘zeggen’ rhḗtōr ‘redenaar’, hett. *u̯erii̭a- ‘roepen, opdragen’ (IEW 1162-3).

Deze wortel *u̯er is een van de 13 homonieme wortels, die Pokorny onderscheidt; het is te vermoeden, dat zij grotendeels tot één grondwortel zijn terug te voeren. J. Trier Lehm 1951, 76 wil deze wt. verbinden met *u̯er ‘binden, vlechten, omheinen’ en verklaart woord als het ‘plechtig gesproken woord op de dingvergadering (binnen een sacrale omheining)’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

woord I znw. o., mnl. woort (d) o. = onfr. ohd. (nhd.) wort, os. ofri. ags. (eng.) word, on. orð, got. waúrd o. “woord”. [Bijvormen (oude ablaut?): mnl. wa(e)rt, ofri., vooral owfri. wird, werd o.] Misschien uit idg. *werǝ-tó- (*wr̂-tó-) = gr. rētós “gezegd”, deelwoord-formatie – ablautend met oi. vratá- “gebod, wil, wet”, ksl. rota “eed” (obg. rotiti sę gr. “avathematízein”) – van de basis werê- naast were-; verwant zijn nog gr. eírō “ik zeg”, rḗma “woord” en wsch. russ. wru, wrať “liegen”. Germ. *wurða- kan ook met ier. fordat “in-quiunt”, lat. verbum, opr. wirds “woord”, lit. var̃das “naam” van de langere basis wer-dh- komen. Zie nog wroegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

woord 2 o. (spraakgeluid), Mnl. woort, Onfra. wort, Os. word + Ohd. wort (Mhd. en Nhd. id.), Ags. word (Eng. id.), Ofri. id., On. ord (Zw. en De. ord), Go. waurd + Lat. verbum (voor Germ. d = Lat. b, vergel. baard, rood, uier), Lit. var̃das: Idg. wrt. u̯er = spreken, waartoe ook Skr. vratam = gebod, Gr. rḗtōr (d.i. * u̯ēr-tōr) en eírein (d.i. *u̯eri̯ein) = vragen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

woord (zn.) woord; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) weurdje, weurtje, wäördsje, Aajdnederlands wort <791-800>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

woord: betekenisdraende klankeenheid (gesê of geskryf) wat soms dies. as morfeem is; Ndl. woord (Mnl. woort), Hd. wort, Eng. word, Got. waurd, hou verb. m. Lat. verbum en Gr. (h)rêma, “woord”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

woord ‘woord van God’ (bet. van Latijn verbum); ‘erewoord’ (bet. van Frans parole d’honneur)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Gods woord, het woord Gods of van God, het woord des Heren, de bijbel, de christelijke leefregels, het christelijk geloof.
Dat gaat erin als Gods woord in een ouderling, van een mededeling e.d.: dat wordt zonder enig tegensputteren geloofd of opgevolgd; van voedsel: dat vindt gretig aftrek.

In de bijbel is een of het woord van God (in oudere vertalingen 'woord Gods') een boodschap of voorschrift van God aan de mensen, zoals bijvoorbeeld overgebracht aan of door een profeet. Daarnaast duidt het de verzameling bijbelse leefregels aan, en het (christelijk) geloof als zodanig. Zie voor de laatste betekenis bijvoorbeeld: 'Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe' (Handelingen 8:14, NBV). Een ouderling -- iemand met een bestuurlijke functie in een protestantse kerkgemeente -- wordt geacht een getrouw gelovige te zijn, en vandaar komt de uitdrukking dat gaat erin als Gods woord in een ouderling. Dit wordt gebruikt in de betekenis 'dat wordt zonder enig tegensputteren geloofd of opgevolgd' -- een mooie variant is: 'Al deze beschuldigingen gaan er bij mij in als Gods woord in Henk Binnendijk [bekend protestants publicist en presentator]. Ik had ze graag nog een graadje wilder' (NRC, jan. 1994). Daarnaast wordt de uitdrukking gebruikt wanneer er aangename drankjes of hapjes gegeten worden.

Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 8:14. Doen die apostolen hoorden te Jerusalem dat Samaria dat woort Gods ontfangen hadde, seynden si henen tot Petrum ende Johannem.
Mijn opoe zei vroeger dat in die nacht vaak hevig onweer kwam omdat de Hemelse Rechter wilde dat men die gruwelijke moordpartij [de Bartolomeüsnacht] in geheugen zou houden en om de mensen te waarschuwen naar Gods woord te leven. (Meppeler Courant, aug. 1994)
Bouta [Desi Bouterse], de vleesgeworden achterdocht, vertrouwt nu op het Woord Gods en meer in het bijzonder op Pinkstergemeente 'De Bazuin'. (NRC, 6-11-1999, p. 29)
Zijn geloof in vergroting van de individuele creativiteit naarmate de netwerken uitbreiden, gaat er bij gesprekspartner Rosetto in als Gods woord in een ouderling. (NRC, sept. 1994)
Naast zijn stoel zitten de honden, hij geeft ze stukken worst en salami. 'Ja, dat gaat er in als Gods woord in een ouderling.' De honden smakken tevreden. (Haagse Post, 8-1-1977)

Iemand de woorden in de mond leggen, iemand iets laten zeggen, iemand opdragen wat hij moet zeggen.

Deze formulering kan onder meer beïnvloed zijn door Exodus 4:15, 'Dan zult gij tot hem spreken en de woorden in zijn mond leggen, en Ik zal zijn met uw mond en zijn mond en Ik zal u leren, wat gij doen moet' (NBG-vertaling). Dit zegt God tot Mozes, wanneer deze Gods opdracht om voorvechter van zijn volk te worden wil afwijzen omdat hij niet goed kan spreken. Gods eenvoudige oplossing is Mozes zijn broer Aäron, die een goed spreker is, te hulp te laten roepen. In de NBV is het eerste deel van Exodus 4:15 vertaald als 'Vertel jij hem wat hij moet zeggen'.

Liesveldtbijbel (1526), Exodus 4:15. Ghy sult tot hem spreken, ende mijn woorden in sinen mont leggen. (Statenvertaling (1637): de woorden.)
In zijn nieuwste stuk Een veelvoud van stilte legt Wim De Wulf deze woorden in de mond van zijn hoofdpersonage, de in het Frans schrijvende Vlaming André Baillon (1875 - 1932). (De Standaard, dec. 1995)
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig, zegt het spreekwoord. Maar is de opponent wel een goed verstaander? Is hij oprecht of probeert hij de spreker woorden in de mond te leggen? (Onze Taal, 1992, nr. 5)

Het woord is vlees geworden, dat wat geschreven of gezegd is, gebeurt nu werkelijk of komt tot leven.

'Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid', staat er in Johannes 1:14 (NBG-vertaling) over God (het Woord) en Jezus (vlees). Buiten bijbels taalgebruik wordt deze gedrukking gewoonlijk schertsend gebruikt, of wordt er op gevarieerd, bijvoorbeeld door omkering: 'Molly is het woord geworden vlees en vroeger zou men beslist rood aangelopen zijn bij het beluisteren van zoveel vrouwelijke schaamteloosheid' (NRC, dec. 1994). In de NBV lezen we in Johannes 1:14 'Het Woord is mens geworden'. Zie ook Vlees.

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 1:14. Ende dat woort wert vleesch, ende woonde onder ons.
[De schrijver van het artikel leest als astmapatiënt de romans van Jan Mens:] Begin jaren zeventig zag ik in Rijksmuseum Twenthe voor het eerst Breitners doek `Meisje in witte kimono'. Verbijstering: het woord werd vlees. Vereeuwigd in olieverf lag Geesje Kwak [romanfiguur van J. Mens] op dezelfde stoffige sofa als waarop ik [... ] maanden naar adem had liggen snakken. (NRC, 29-10-1998, p. 34)
[Kop van een recensie van een uit het Koreaans vertaalde dichtbundel:] Het woord is steen geworden. (NRC, 27-3-1998, p. 38)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Woord, het Germ. worda, Idg. wrdho (vgl. ’t Lat. verbum, met b voor de Idg. dh); mogelijk van een Idg. wt. wer = zeggen, spreken; vgl. ’t Gr. retoor (voor wretoor) = redenaar. Zie Rederijker,

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

woord ‘klank met eigen betekenis’ -> Negerhollands woord, woort, word, wort, wōrt ‘klank met eigen betekenis’; Berbice-Nederlands woto, wot, wotro ‘klank met eigen betekenis’; Sranantongo wortu ‘klank met eigen betekenis’; Saramakkaans woútu ‘klank met eigen betekenis’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † wod ‘klank met eigen betekenis’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

woord* klank met eigen betekenis 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

365. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt,

d.i. men houdt het met hem, kiest de partij van dengeneVgl. mnl. enes wort of tale spreken, iemands partij kiezen., van wien ons bestaan afhankelijk is; eene gedachte die in de middeleeuwen wordt uitgedrukt door men liët (lidet) of hulet metten brodeMnl. Wdb. IV, 515 en 563; III, 735.; in de 17de eeuw in Zuid-Nederland met den broode spreken; bij Sart. IV, 10: die kallen na den broode. Zie Smetius, 108: Wiens brood dat men eet, wiens woord dat men spreekt; Plaiz. Kyv. 9; Tuinman I, 359; Ndl. Wdb. III, 1549; Taalgids V, 185 en vgl. hd. wessen Brot ich esse, dessen Lied ich singe (Wander I, 480; ook bij Breseman, 237), dat overeenkomt met het mlat. cuius enim panem manduco carmina canto; fr. celui louer devons de qui le pain mangeons, de uitdr. is verouderd; eng. who finds my bread and cheese, it's to his tune I dance.

1464. Een man een man, een woord een woord,

d.w.z. een eerlijk man houdt zijn woord; eig. zoo waarlijk als een man in den besten zin van het woord een man is van eer, zoo is ook zijn woord te vertrouwen. Een zeker reeds zeer oude uitdr., die moet dateeren uit den tijd, dat alle vormlooze contracten bindend waren. Volgens Harreb. II, 56 staat zij opgeteekend bij Gruterus II, 140; Witsen 114; Tuinman I, 251, die haar aldus verklaart: ‘dit zegt men van die getrouw zyn in hunne beloften te houden; men moet een eerlyk man op zyn woord mogen geloven, en dat moet zyn zegel zyn’. Zie nog Hooft, Brieven, 402; 498: Aan zijner E. meêgaan naa de Wijk slaa ik geen' twijfel: gemerkt een man, gelyk men zeidt, niet beeter dan zijn woordt is; Gew. Weeuw. III, 67: Nu moetje 't doen, een man een man, een woord een woord, 't is gezeid. Ook in het fri.: in man in man in wird in wird; Waasch Idiot. 750: één man, één woord; hd. ein Mann, ein Wort; ein Wort, ein Mann; zie Grimm VI, 1564; Wander III, 394; Graf und Dietherr, Deutsche Rechtssprichw. 227 en 230: ‘Nach deutschem Rechte verbinden alle Verträge ohne Rücksicht auf eine besondere Form, wenn nur die gegenseitige Uebereinstimmung des Willens auszer Zweifel steht’, en vgl. hd. Manneswort, het mnl. manwaerheitOok vrouwenwaerheit wordt eene enkele maal aangetroffen; Stallaert II, 188., eer, mansgeloofwaardigheid en mantrouwe, woord van eer, waarbij men in de middeleeuwen gewoon was iets te beloven; vgl. fr. un honnête homme n'a que sa parole; eng. an honest man is as good as his word.

2376. Een goed verstaander heeft maar een half woord noodig,

eene gedachte, die de Grieken uitdrukten door de woorden θρονεοντι συνετα γαρυω, de Romeinen door sapienti dictum sat est (Otto, 112; Journal, 122) en onze voorouders door den verstandighen is haast genoegh gezeit (Spieghel, 279; Brederoo III, 146, vs. 32: den Verstandighen is haest ghenoech gheseyt; Tuinman, II, 14); de geleerde is haest genoegh geseyt (Mergh, 10); een gaauw geest heeft genoeg aan een half woordt (Hooft, Brieven, 206); een woord bestaet, voor die verstaet (De Brune, 62); die light begrijpt en haest verstaet en hoeft gheen breed' en langhe praet; W. Leevend IV, 39: een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg; VI, 338: een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; Waasch Idiot. 273; in het fri.: de forstânnige is haest nôch sein (genoeg gezegd); afrik. 'n goeie verstaander het 'n halwe woord nodig; fr. à bon entendeur demi-mot ou peu de paroles; hd. den Gelehrten ist gut predigen; eng. a word to the wise is enough.

2604. Woord houden,

d.w.z. zijne belofte houden, nakomen wat men beloofd heeft. ‘Dat men zijn woord moest houden beteekende in het Germaansch, dat men het rechtens niet mocht intrekken, dat handelingen, in strijd met dat gegeven woord, rechtens nietig waren. Die verplichting sloot niet in de verplichting om te doen wat men heeft beloofd. Er bestond dan ook een groot onderscheid tusschen tenere en facere, holden en leisten, halden en gevenZie Fockema Andreae in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1897-'98, bl. 105..’ In het mnl. heeft de uitdr. de tegenwoordige beteekenis; zie het Mnl. Wdb. IV, 628; Halma, 794 en vgl. fr. tenir (sa) parole; hd. (sein) Wort halten; eng. to keep one's word; fri. wird hâlde.

2605. Een goed woord vindt altijd eene goede plaats,

d.w.z. ‘met beleefdheid of vriendelijkheid krijgt men eerder iets gedaan dan met onvriendelijkheid’. Zie Campen, 21: een guedt woort vyndt een guede stede, het scadet ia niemant ende nuttet yederman; Spieghel, 279: een ghoet woort vint een goe ste; Kluchtspel II, 110: Ien goet woort, heb ick wel 'ehoort, neemt altijt ien goê steê; De Brune, 100:

 Een goed woord, wel te voor bezint,
 Altijds een goede plaetse vint.

Tuinman II, 208: Goede groet maakt goede andwoord; een goed woord vind een goede steê, beleeftheid verwekt beleeftheid. Licht men den hoed af voor ymand, men verplicht hem om dat weder te doen. Andersins haalt het eene woord het andere uitZie dit bij Spieghel, 279; Mergh, 32; De Brune, 476: Het eene woord lockt tander uyt; Tuinman II, 212; Besteedster, 25; Harreb. II, 480 b; V. Janus, 311; Lev. B. 121; Telegraaf, 29 Dec. 1923 (O) p. 5 k. 6; hd. ein Wort gibt (holt) das andre; eng. one word draws on another.; Harreb. II, 186 b; Suringar, Erasmus, CXC; Joos, 148; Eckart, 575; Jahrb. 38, 162; Wander V, 122; 403: ein gutes Wort findet einen guten Ort oder eine gute StattZeitschrift f.D. Wortf. IX, 309.; eng. a good word is never out of season; kind words go a long way; deensch: godt ord finder et godt stedt; zweedsch: god ord finna god rum; fr. jamais beau parler n'écorcha la langue.

2606. Het hooge woord

in de uitdr. het hooge woord moet er uit, wil zeggen, het gewichtige, het belangrijke woord, dat waarop het aankomt; de bekentenis, moet er uit. De bet. gewichtig, die hier het bijv. naamw. hoog heeft, had het reeds in de middeleeuwen; vgl. Reinaert II, 6910: Int crijt daer de wolf aldoe was binnen mitten ghenen, die hem minnen ende spraken menich hooch woort (menig belangrijk, gewichtig woord wisselden); Mnl. Wdb. IV, 562. In de 17de eeuw heeft het hooge woord de tegenwoordige beteekenis o.a. bij Huygens, VII, 291:

 En magh dat slot niet op? geenssins. Voor niemand? neen.
 Voor vriend noch vreemde? neen. Voor geen' goe woorden? geen'.
 Of (hier quam 'thooghe woord) ghij most een' Stuijver geven.

Zie verder Van Moerk. 78; 261; Starter, 461; W. Leevend VI, 6: Kom, (zei ik) wy zullen eens praaten.... Kort gezeid.... het hooge woord moest er uit; C. Wildsch. V, 250; Harreb. II, 480 b; Ndl. Wdb. VI, 1013. In denzelfden zin gebruikte men het groote woord (zie bijv. Hooft, Ged. I, 132; II, 336; Brederoo, Moortje, 267) of het harde woord (dat, wat moeite kost); Ndl. Wdb. V, 1069; 2155; fr. lâcher le gros (le grand) mot; hd. das grosze Wort.

2607. (Hooge) woorden hebben met iemand,

d.w.z. twist, ruzie hebben met iemand; het bnw. hoog heeft hier de bet. van luid, krachtig en vandaar heftig. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 163: Vast alleens gink het den Graave van Hoorne, die, neemende zynen wegh door een' anderen hoek der huizing, met eenighe krysluiden omringt werd en aangehouden; niet zonder gelyke hooghe woorden eeven als Egmonds, in den wind, geslaaghen; Sewel, 966: Zy hebbenhooge woorden saamen gehad, there passed some hard words betwixt them; C. Wildsch. III, 30: Ik zweeg ook niet, en wij hadden heele hooge woorden, zo hoog dat ik er zelve over versteld sta. Hiernaast ook woorden hebben of krijgen met iemand, dat ook in de 18de eeuw bekend was, blijkens Halma, 794; Sewel, 966: Woorden met iemand krygen, to fall out, to quarrel with one; afrik. met iemand woorde kry (hê). Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 1408: woorden krijgen, in woorden komen; Rutten, 281 a; Claes, 289; Antw. Idiot. 1458. Synoniem was harde woorden met iemand hebben; zie Ndl. Wdb. V, 2156 en vgl. het mnl. te worde comen, in twist geraken; eng. to have words with a p; to come to high words; fr. en venir aux gros mots.

2608. Het grootste (of het hoogste) woord hebben (of voeren),

d.w.z. den boventoon voeren; eig. luid spreken, zoodat de stem boven die van anderen uitklinkt; als bewijs van overdreven zelfgevoel (Mnl Wdb. IV, 562); ook een groot woord hebben, fri. in great wird dwaen, pochen, roemen; Antw. Idiot. 1458: een groot woord hebben, veel praat hebben, bluffen, grootspreken. In de 17de en 18de eeuw ook het hooge woord (voeren); o.a. bij Huygens I, 177; VII, 178:

 Soo jong, en soo veel praets dat niemand er derft roeren!
 Eij, neemt den Spiegel eens, en soeckt daerin, arm kind,
 Of ghij dien mallen muijl genoegh bewasschen vindt,
 Om onder oude Lien het hooghe woord te voeren.

Zie ook Huygens VII, 188 en Tuinman I, 277. Hiernaast in de 17de eeuw het hoogste woord voeren, o.a. bij De Brune, Bank. I, 119: Edel-luyden willen altijd de superius zingen, en het hoogste woord voeren; 187: Die de meeste snap hebben, en het hoogste woord voeren; Brederoo III, 365, 28; Middelb. Avant. 112; Spaan, 68; Schouten, O.I. Voyagie I, 26; in Vondel's Lucifer, vs. 499 in den zin van ‘bevelen’Hier zal hoog de beteekenis hebben van voornaam, gewichtig (zie no 2606); vgl.; ook De Brune, Bank. I, 229: 't Is niet vreemd, dat die Leydsche voerman een Professoor scheldende, op 't leste, en voor het hooghste woord, hem een Poeët noemde.; ‘het grootste woord voeren’ in de Com. Vet. 52 en bij Van Effen, Spect. VIII, 230; IX, 239; afrik. hy voer die hoogste woord hier. Vgl. het fr. avoir le verbe haut; la parole haute; hd. das grosze Wort führen; eng. to talk big; fri. in steil wird fiere en de synoniemen in het hoogste gaatje blazen; den bovenzang willen hebben; den snater hebben (Anna Bijns); 't veurwoord hebben (Molema, 453 b), de vlag voeren (zie Lat. Versch. 420 en no. 2422).

2609. Iemand te woord staan,

d.w.z. naar iemand luisteren, hem gelegenheid geven iets te zeggen; eig. staan om iemands woorden aan te hooren; vgl. bij Hooft: te woordt zijn, te woorde komen, onderhandelen (ook in het mnd.); 17de eeuw ook: ter sprake staan of ter tale staan. Vgl. Hooft, Ged. I, 187:

 Misschien zij mij te woorde staet,
 En doet wel, dat zij waeckend laet.

Verder bij Paffenr. 225: Hy staet haer nau te woord; Vondel, Gebroeders, (anno 1650), bl. 33: Best sta ik haer te woorde; Pers, 389 a; Halma, 794: Iemand te woord staan, zig met iemand in gesprek begeeven, entrer en discours avec quelqu'un; Sewel, 966: Iemand te woorde staan, to speak with one; te woorde komen, to parley, to enter into a conference; hd. einem Rede stehen über, rekenschap geven van; fri. immen to wird stean; immen to wirden wêze, iemand spreken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut