Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woonachtig - (wonende)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wonen ww. ‘gehuisvest zijn’
Onl. wonon ‘wonen, verblijven’ in Uuonon sal ic an selethon thinro an uueroldi ‘ik zal in eeuwigheid in uw verblijfplaats wonen’, thia uuonont an gemerke ‘zij die in de grensstreek wonen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wonen [1201-25; VMNW].
Os. wonōn; ohd. wonēn (nhd. wohnen); ofri. wunia, wenia (nfri. wenje); oe. wunian; alle ‘verblijven, wonen e.d.’; on. una ‘tevreden zijn’ (nno. una); got. in unwunands ‘ontevreden’; < pgm. *wunēn-, *wunōn- ‘tevreden zijn’. Deze betekenis ligt ook ten grondslag aan die van pgm. (alleen West-Germaans) *gi-wuna(n)- (zn.) ‘gewoonte’, (bn.) ‘gewend’, waaruit in het Nederlands en het Duits de betekenis ‘gebruikelijk’ is ontstaan, zie → gewoon.
Wrsch. een afleiding van de wortel pie. *uenH- ‘begeren’ van → waan. Zie ook de causatiefafleiding → wennen van diezelfde wortel.
woning zn. ‘ruimte waar men woont’. Onl. wonunga in Uuerthe uuonunga iro uuosti ‘moge hun woning een woestenij worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. woninge ‘ruimte waar men woont, huis’ [1240; Bern.]. Afleiding van wonen met het achtervoegsel → -ing. ♦ woonachtig bn. ‘verblijf houdend’. Mnl. woonachtich: wonagteg [1240; Bern.], in die binden brugschen ambochte wonanuch es ‘die binnen het ambtsgebied van Brugge woont’ [1280; VMNW]. Afleiding van wonen met het achtervoegsel → -achtig. ♦ woonst zn. (BN) ‘woning’. Mnl. woonste ‘woonplaats, domicilie, woning, verblijf’ in dat ... zie hem verdroeghen met haerre woenste ‘dat zij zich verplaatsten met hun woning’ [1283; VMNW]; vnnl. woninghe oft woonste [1562; Naembouck]. Afleiding van wonen met het achtervoegsel -st (VMNW), zoals in → dienst, → gunst, → komst, → kunst, → winst. Dat woonste zou zijn ontstaan door verzwakking van het tweede lid in woonstee, dat zelf uit woonstede ontstond door d-syncope, is hoogst onwaarschijnlijk. In vergelijkbare samenstellingen bedstee, hofstee, legerstee, uit resp. bedstede, hofstede, legerstede, is zo'n verzwakking immers evenmin opgetreden. De vormen woonstede en woonstat, die in het Middelnederlands zeer frequent waren, zijn volksetymologisch beïnvloed door samenstellingen als bedstede. Het woord woonst is in het NN verouderd, maar in het BN nog vrij gebruikelijk, met name in de samenstelling tweewoonst ‘twee-onder-een-kapwoning’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

woonachtig* [wonende] {woonachtich 1279} van wonen + -achtig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

woonachtig bnw., eerst in de 19de eeuw ontleend aan het nhd., vgl. mhd. wonhaftich (nhd. wohnhaft), mnd. wōnhaftig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

woonachtig bnw., nog niet bij Kil. Wel mhd. mnd. wonhaftic, -ich.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

woonachtig (Duits wohnhaft)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

woonachtig* wonende 1279 [CG I1, 423]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut