Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wond - (kwetsuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wond zn. ‘kwetsuur’
Onl. wunda ‘wond’ in ouer ser uundeno minro geocodon ‘(zij) hebben de pijn van mijn wonden vergroot’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ende daer naer van dire wonden hevet gheweset doet ‘en daarna door die wonden is gestorven’ [1237; VMNW], wonde ‘wond’ [1240; Bern.]; vnnl. Nu is de wond vermaeckt ‘nu is de wond verbonden’ [1607; iWNT].
Os. wunda; ohd. wunta (nhd. Wunde); ofri. wunde (nfri. wûne); oe. wund (ne. wound); on. und; alle ‘wond’, < pgm. *wundō-, wundi- ‘wond’.
Daarnaast staat het bn. *wunda- ‘gewond’, waaruit: onl. wunt (mnl. wond, in het nnl. vervangen door gewond); os. wund (mnd. wunt); ohd. wunt (nhd. wund); oe. wund; got. wunds.
Herkomst onzeker. Pgm. *wunda- kan teruggaan op pgm. *un-tó-, dat de vorm heeft van een verl.deelw.; de bijbehorende wortel *uen- ‘verwonden’ ligt ten grondslag aan Middelwelsh gweint ‘doorboorde’, Welsh ym-wan ‘vechten’, Armeens vandem ‘vernietigen’ en Hittitisch wen- ‘copuleren’.
wondroos zn. ‘huidontsteking’. Nnl. locale verschijnselen van wond-roos, watervaat-ontsteking, enz. [1860; Van Hasselt]. Samenstelling van wond en → roos 2. Aanvankelijk alleen roos ‘huidontsteking’, zoals in rose int aensicht [2e helft 15e e.; MNW], later met een verduidelijkend eerste lid.
Lit.: A.W.M. van Hasselt (1860), ‘Studiën over de z.g. Curaçaosche Oranje-Spin’, in: Tijdschrift voor entomologie 3, 46-66, hier 49

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wond*, wonde [kwetsuur] {oudnederlands wunda 901-1000, middelnederlands wonde, wunde} oudsaksisch wunda, oudhoogduits wunta, oudfries wunde, oudengels wund, oudnoors und, gotisch wunds [gewond]; vermoedelijk van een i.-e. stam waarvan armeens vandem [verwoesten] en oudiers gonaid [hij doodt], welsh gwanu [doorboren] zijn gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wond, wonde znw. v., mnl. wonde v., onfrank. os. wunda, ohd. wunta (nhd. wunde), ofri. unde, wunde, oe. wund (ne. wound), on. und v. — Vgl. ook het bnw. wond (een wonde plek), mnl. wont, os. wund, ond. wunt (nhd. wund oe. wund, got. wunds ‘gewond’ (onfrank. wanda ‘vulnerati’ is te lezen als wunda). — Zie: wonden.

De etymologie is onzeker. — 1. bij de idg. wt. *u̯en ‘slaan, verwonden’, vgl. kymr. ymwan ‘strijden’, gwant ‘doorboorde’ (IEW 1108). — 2. Bij de idg. wt. *u̯ā ‘verwonden’, vgl. lett. wahts ‘wonde’ lit. votis ‘zweer’, gr. ōteílē ‘wonde’, aáo (ἀάω) ‘beschadigen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wond, wonde znw., mnl. wonde v. = onfr. wunda, ohd. wunta (nhd. wunde), os. wunda, ofri. unde, wunde, ags. wund (eng. wound), on. und v. “wond”. Hiernaast het bnw. mnl. wont (d; nog in een wonde plek), onfr. *wund (handschrift: wanda “vulnerati”), ohd. wunt (nhd. wund), os. ags. wund, got. wunds “gewond” en het denominatieve ww. mnl. wonden (nnl. wonden), ohd. wuntôn (nhd. wunden), mnd. wunden, ofri. (w)undia, ags. wundian (eng. to wound), on. unda, got. ga-wundon “wonden”. Deelwoord-formatie van een idg. basis wen-, waarvan ook kymr. gwanu “doorboren” gr. gatálai (= *watálai); oulaí (Hes.), misschien nog andere gr. woorden; ook arm. vandem “ik verwoest, vernietig”? De combinatie hoogerop met de basis x-, waarvan gr. bōtázein; bállein (Hes.), lit. votìs “booze zweer”, oi. á-vâta- “ongedeerd” worden afgeleid, is, ofschoon onzeker, mogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wond, wonde, wonden znww. resp. ww. Gr. *ϝatálai kan met even veel grond van de aan het slot besproken basis *x- worden afgeleid, maar het een zowel als het ander is onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wond v., Mnl. wonde, Onfra., Os. wunda + Ohd. wunta (Mhd. wunde, Nhd. id.), Ags. wund (Eng. wound), Ofri. wunde, On. und: staat tot een adj. *wond, Mnl. wont, Onfra. wunt, Os. wund (+ Hgd. wund, Go. wunds) als koude tot koud. *Wond nu is (evenals koud, luid) een partic. afleid. van wrt. wen + Arm. vandem = verwoesten, Gr. gatálai (d.i. watálai) = wonden, We.. gwann doorboren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wónd (zn.) wonde; Aajdnederlands wunda <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wond s.nw.
1. Besering van die liggaam, bv. deur 'n koeël, messteek, ens. 2. Verdriet, leed.
Uit Ndl. wond (Mnl. wonde in bet. 1, 1528 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling wonde-slag en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wunde, Eng. wound (ongeveer 900 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wond: s.nw. en ww., besering; leed; beseer, kwes; (fig.) kwets; Ndl. wond/wonde (Mnl. wonde), Hd. wunde, Eng. wound; hierby ww. Ndl. wonden (Mnl. wonden), Hd. wunden, Eng. (to) wound, verw. hoërop onseker, hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wond, wongd, won. In de oorspronkelijke eedformule bij Gods wonden worden God en zijn lijdenswonden tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Door ijdel gebruik ervan werden ze tot lijdensvloek. In de 16de eeuw is de verkorte vorm bi den wonden overgeleverd. swong(d)en is een verbastering door velarisering van wonden. De s is het gevolg van metanalyse en hoort bij het vaak voorafgaande Gods.
In de zeventiende-eeuwse teksten verschijnt de formule als Gans wonden, gans wongden, gans wonnen, gants swongden en gants swongen ‘bij de wonden van Jezus aan het kruis’. De Baere [1940: 112-113] noemt als verdere verminkingen gans wonnen, potswongt en pots wongder. Ook gans honden ziet hij als een verminking van Gods wonden, dit in tegenstelling tot het WNT, dat gans honden en gans honderd verklaart uit bij Gods onde. Onde betekent volgens die bron ‘genade’. De Baere is voorzichtig wanneer hij schrijft dat gans hondert en gans honderden misschien ook teruggaan op bij Gods wonden. Hetzelfde vermoedt hij van pots hondert en twijntigh, gants hondert gulden en wat hondert guldelingen. Hij baseert dat vermoeden op het Woordenboek op Bredero van Oudemans, waar wij kunnen lezen: “toen onde eens tot hondert was geworden, kon men er vrij een ander getal bijvoegen.” → gans, gud.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wonde, van den vermoedelijken Germ. wt. wen, Got. witman = pijn lijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wond ‘kwetsuur’ -> Negerhollands wond ‘kwetsuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wond* kwetsuur 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

867. Zachte (heel)meesters maken stinkende wonden,

d.w.z. halve maatregelen verergeren de kwaal en roeien haar niet uit. Zie Tuinman II, 9: Zachte meesters maken stinkende wonden. Een geneesheer, die de wonden en zeeren door scherpe middelen, als 't noodig is, niet zuivert, maakt dat ze vervuilen en inkankeren. Zo word de kat in de kelder gemeestert. Bij Goedthals, 13: Saechte handen maken stinkende wonden; Campen, 133: Een meedelydende Chyrurgyn maeckt stinckende wonden; vgl. ook Cats I, 451:

Het is van ouden tijt bevonden
Van sachte meesters vuyle wonden.

Zie verder Harreb. I, 282 b en vgl. het fri.: sêfte dokters meitse stjonkende wounen; zoo ook bij Ten Doornk. Koolm. III, 580 b.

1494. Zachte meesters maken stinkende wonden,

d.w.z. ‘een geneesmeester, die de wonden en zeeren door scherpe middelen, als 't noodig is, niet zuivert, maakt dat ze vervuilen en inkankeren’ (Tuinman II, 9); bij overdracht: halve maatregelen verergeren het kwaad. Bij Campen, 133: Een meedelydende Chirurgyn, maeckt stinckende wonden; Com. Vet. 41: Hy wist heur wijs te maken dat sachte meesters stinckende wonden maeckten; Cats I, 411: Dit heeft men dickmaels ondervonden, van sachte meesters vuyle wonden. Zie verder Harreb. I, 282 b en vgl. het fri.: sêfte hânnen meitsje stjonkende wounen; prov. sachte geneesmasters meitsje stjonkende wounen; De Bo, 1437 b: zochte meesters maken stinkende wonden; Joos, 195: zachte meesters, kwade wonden.

1494. Zachte meesters maken stinkende wonden,

d.w.z. ‘een geneesmeester, die de wonden en zeeren door scherpe middelen, als 't noodig is, niet zuivert, maakt dat ze vervuilen en inkankeren’ (Tuinman II, 9); bij overdracht: halve maatregelen verergeren het kwaad. Bij Campen, 133: Een meedelydende Chirurgyn, maeckt stinckende wonden; Com. Vet. 41: Hy wist heur wijs te maken dat sachte meesters stinckende wonden maeckten; Cats I, 411: Dit heeft men dickmaels ondervonden, van sachte meesters vuyle wonden. Zie verder Harreb. I, 282 b en vgl. het fri.: sêfte hânnen meitsje stjonkende wounen; prov. sachte geneesmasters meitsje stjonkende wounen; De Bo, 1437 b: zochte meesters maken stinkende wonden; Joos, 195: zachte meesters, kwade wonden.

2399. Den vinger op de wond (of een wonde plek) leggen,

d.i. de wonde plek aanwijzen (dit o.a. in Nkr. III, 18 Juli p. 2); bij overdr. precies zeggen, waar een gebrek schuilt; ook de rotte plek aanwijzen; vgl. het fr. mettre le doigt sur un objet, toucher précisément l'objet qu'on cherche; mettre le doigt sur la difficulté ou sur la source du mal, sur la plaie (Hatzf. I, 773); hd. den Finger auf etwas legen; eng. to put the finger on the sore spot, on the real blot (Prick); vgl. W. Leevend III, 65: Dat zyn onopspraakelyke lieden! heden, er is geen vinger op te leggen; V, 271; C. Wildsch. I, 291; II, 17; III, 72; IV, 195: Eene zo braave familie, daar geen vinger op te leggen is (eig. bij wie geen kwaad is aan te wijzen); Busk. Huet, Litt. Fant. en Krit. I (anno 1881), bl. 42: Staat het vrij, den vinger te leggen op zijne (Cats') nulliteit, men zou ook in verzoeking kunnen komen het noodlot aan te klagen, dat hem, in stede van een bloedigen en roemrijken dood, slechts een rustigen ouden dag op Sorgh-Vliet gunde; De Arbeid, 25 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Het zou ons te ver voeren op alle leugens en verdachtmakingen den vinger te leggen; Handelsblad, 12 Aug. 1913, p. 6 k. 2: Dit fijne diplomatieke antwoord moet een glimlach te voorschijn roepen om de lippen der Europeesche diplomaten, wijl de grootvizier daardoor den vinger legt op de wonde plek in de eenheid der mogendheden; Nw. School II, 73: Ik moet veronderstellen dat de heer V. Vliet iets bedoeld heeft, toen hij deze zinnetjes schreef; ik denk zooiets als het leggen van een vinger op een wond, met permissie; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 3 k. 2: Bij de bespreking der woningwet, heeft hij den vinger gelegd op enkele wonde plekken; vgl. ook Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 1: In een van hartstocht trillend en van liefde voor den werkman blakend betoog heeft hij een der grootste wonde plekken in onze samenleving blootgelegd; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hier werd terecht de vinger gelegd op een gapende wonde, waaraan onze volkskracht doodbloeden konde; De Telegraaf, 29 Maart 1915, p. 7 k. 3: Ondeugend legt hij toch den vinger op de zeere plek; Afrik. hy het die vinger op die wond gelê.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut