Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wolk - (massa waterdruppels in de dampkring)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wolk zn. ‘massa waterdruppels in de dampkring’
Onl. wulko of wulkon ‘wolk’ in mikili sin in craft sin an uulcun ‘zijn grootheid en zijn macht reiken tot in wolken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wolken ‘wolken’, clene wolke ‘kleine wolk’ [beide 1240; Bern.]; vnnl. Een waterige wolck ‘een vochtige wolk’ [1540; iWNT waterig].
Os. wolkan (o.); ohd. wolka (v.), wolko (m.), wolkan (o.) (nhd. Wolke); ofri. wulken (o.) (nfri. wolk(e), wolken); oe. wolcen, wolc (o.), wolcne (v.); alle ‘wolk’, < pgm. *wulkan-, *wulkō-.
Herkomst onzeker. Wrsch. hoort pgm. *wulk- ablautend bij het bn. *welka- ‘zacht, slap’, waaruit mnl. welk (nog in de afleiding verwelken) en mnd. en ohd./nhd. welk, en waarvoor dan een oorspr. betekenis ‘vochtig’ verondersteld moet worden. Verwant zijn dan: Litouws vìlgyti ‘bevochtigen’; Oudkerkslavisch vlaga ‘vocht’ (Tsjechisch vláha); < pie. *uelg-, *uolg-, *ulg- ‘vochtig worden’ (LIV 676). Een andere, minder waarschijnlijke mogelijkheid (Kluge) is verband met Oudkerkslavisch oblakŭ ‘wolk’ (Russisch óblako), dat wrsch. gevormd is met het voorzetsel obŭ ‘over’ bij een alleen in het Balto-Slavisch met zekerheid geattesteerde wortel *velk- ‘trekken’ (o.a. Litouws vilkti, Oudkerkslavisch vlěšti).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wolk* [massa waterdruppels in atmosfeer] {oudnederlands wulca 901-1000, middelnederlands wolke} oudsaksisch wolkan, oudhoogduits wolcan, oudfries wolken, oudengels wolcen; van dezelfde stam als welken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wolk znw. v., mnl. wolke v., wolken o., wolkene v., onfrank. wulca v. (of wulco m.?), os. wolkan, ohd. wolca v., wolco m., wolcan o. (nhd. wolke v.), ofri. wolken, oe. wolcen, wolc o. wolcne v., ook welcen (ne. welkin). — Mogelijk te verbinden met de groep van welken en dan dus als ‘het vochtige’ aangeduid, vgl. osl. vlaga ‘vocht’ (IEW 1145), wat voor het westgerm. gebied, waar dit woord thuis is, wel begrijpelijk is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wolk znw., mnl. wolke v. (m.?), wolken o., -ene v. = onfr. wulca v. (of wulco m.?), ohd. wolca v., wolco m., wolcan o. (nhd. wolke v.), os. wolkan, ofri. wolken, ags. wolcen (wolc) o. (wolcne v.) “wolk”. Al deze vormen zullen wel op een oergerm. stam * wulkan-, met suffixablaut *wulkk- (kk < idg. gn) teruggaan. Gew. bij obg. vlaga “vocht”, lit. vílgyti “bevochtigen en strijken” gebracht; hierbij ook welken; bezwaarlijk hierbij met gutturaal-wisseling ier. folcaim “ik wasch”. Volgens een andere verklaring hoort wolk als “het trekkende, zwervende” of “het ineengerolde” bij de woordgroep van walken. Andere vermeldenswaardige etymologieën zijn niet gegeven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wolk. Ags. ook welcen (eng. welkin).
Er is geen reden aan een oergerm. vorm met kk (over germ. kk < idg. gn zie bij bakken Suppl. 1e alin.) te denken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wolk v., Mnl. wolke, Onfra. wulka, Os. wolkan + Ohd. wolchan (Mhd. wolken, Nhd. wolke), Ags. wolcen (Eng. welkin), Ofri. wolken; alleen in het Westgerm.; van denz. wortel als welken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wolk (zn.) wolk; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) wolke, Aajdnederlands wulko <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wolk s.nw.
1. Digte massa fyn waterdruppeltjies. 2. Iets wat soos 'n wolk (wolk 1) lyk.
Uit Ndl. wolk (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wolke (8ste eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wolk: sigbare massa verdampte water i. d. lug; Ndl. wolk (Mnl. wolken(e)/wolke), Hd. wolke, veroud. Eng. welkin, hou verb. m. welk II, maar herk. onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wolk, vermoedelijk van den Germ. wt. welk = vochtig zijn; zie Welken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wolk ‘massa waterdruppels in de atmosfeer’ -> Negerhollands wolk ‘massa waterdruppels in de atmosfeer’; Sranantongo worku, wolku ‘massa waterdruppels in de atmosfeer’; Saramakkaans wolúku ‘massa waterdruppels in de atmosfeer’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wolk* massa waterdruppels in atmosfeer 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1440. Uit de lucht vallen,

ook uit de wolken vallen, d.w.z. plotseling en onverwacht te voorschijn komen. Ontleend aan het Latijn de caelo decidere; vgl. Plautus, Pers. 259: Ea (occasio) nunc quasi decidit de caelo; Liv. 22, 29, 3: Se acies repente velut caelo demissa ostendit (Otto, 62). De uitdr. vindt men in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 167: Dat 'er een uit de lugt (tanquam deus è machinâ) mogt koomen te vallen, die uuw uit de nood hielp; bij Van Effen, Spect. IV, 110: Somtyds koomen ook Goden, Godessen.... wanneer men er 't minst om denkt, als uit de lucht vallen, om de ontknooping te maaken van een stuk; Harreb. I, 201: Hij komt uit de lucht vallen als een aangeschoten gans; B.B. 154; 155: Daar komt ze in eens met zoo'n Franschen lawaaischopper uit de lucht vallen. In Zuid-Nederland beteekent hij komt als uit de lucht gevallen, hij weet van de zaak niets, staat beteuterd te kijken (Schuermans, 353 a; Waasch Idiot. 413 b; Rutten, 246; Antw. Idiot. 770In Taal en Letteren I, bl. 62 wordt gedacht aan het oude volksgeloof, dat iemand door bovennatuurlijke macht ineens op eene ver verwijderde plaats kon worden overgebracht. Anderen denken aan een bom, die onverwacht neervalt; vgl. Ndl. Wdb. III, 324 en Schrader, 363: Er fiel wie eine Bombe ins Haus. Het zou ook van meteoorsteenen gezegd kunnen zijn. Vgl. Chomel II, 1252: Op welks gefluit de Leeuwerik als een steen uit de lucht komt vallen.). Vgl. fr. tomber des nues; hd. aus den Wolken fallen; eng. to drop from the clouds.Vgl. onze uitdr. uit de koets vallen, ontnuchterd worden, o.a. in Camera Obscura, Een oude kennis; Handelsblad, 3 Oct. (avondbl.) 1914, p. 1 k. 6: Voor wie misschien onder een Lelio-indruk waren gekomen, al mee tantaseerend, verdween nu álle illusie. Men viel uit de koets. Bij Harreb. I, 428: Hij valt door de koets (zonder vermelding der beteekenis).

2486. Er is geen vuiltje (of geen wolkje) aan de lucht,

eig. de lucht is helder; geen donkere wolk, die slecht weer voorspelt, is er te zien; overdr. er is niets te vreezen, er is geen onraad, niets dat hindert, alles is in orde. Vgl. Harrebomée II, 38; Nkr. II, 18 Oct. p. 4: Mooi weertje vandaag, meneer. Zegt u dat wel, meneer. Er is om zoo te zeggen geen vuiltje aan de lucht; III, 9 Mei p. 6; VI, 16 Maart p. 3; G. Kalff, Het Onderwijs in de Moedertaal, 115Amsterdam, J.H. de Bussy, 1893.: Al zijn een paar van zulke speelsche kleine schepsels ook nog zoo absent, bij eene plotselinge stilte (in de klasse) waarschuwt hun instinct hen onmiddellijk, dat er een vuiltje aan de lucht is; Zondagsblad v. Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 1 k. 4: De zeven vette jaren waren al achter den rug, en waren gevolgd door nieuwe zeven vette jaren, en nog was er geen vuiltje aan de lucht; Het Volk, 1 Oct. 1913, p. 5 k. 4: 'n Goed anarchistisch abonné van de ‘Courant, welke, niettegenstaande er gestaakt werd, kalm elken avond zijn blaadje ging halen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was; 18 Sept. 1914, p. 3 k. 2: Men handelt en scharrelt er (op de Beurs), alsof er geen vuiltje aan de lucht is. De ‘vrije fondsenhandel’ bloeit, ondanks sluiting en Beurswet; 29 Juni 1914, p. 7 k. 4: Om bij de klanten den indruk te vestigen dat er ten opzichte van het te maken werk geen vuiltje aan de lucht is; Nw. School VI, 4; De Arbeid, 8 April 1914, p. 4 k. 1: De modernen gaan voort met knoeien alsof er geen vuiltje aan de lucht is; De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1: Slaat geen alarm als er geen vuiltje aan de lucht is; enz.; De Telegraaf, 4 Dec. 1914 (avondbl.), p. 7 k. 2: De vermakelijkheden vinden plaats alsof er geen wolkje aan de lucht is; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 2 k. 1: In het artikel van 1 Augustus uitte zich echter de medewerker zóódanig, dat de indruk moest worden gewekt, alsof er geen wolkje meer aan de lucht was; Kent. 131: Vandaag is er geen wolkje meer aan de lucht; Handelsblad, 9 April 1915 (avondbl.), p. 1 k. 6: Zij vermaakten zich best, deden alsof er geen wolkje aan de lucht was; De Arbeid, 10 April 1915, p. 4 k. 1: Ge doet alsof alles in de beste orde en er geen wolkje aan de lucht is; Het Volk, 29 Juli 1915, p. 3 k. 1; enz. Zie no. 1197.

2602. In de wolken zijn,

d.w.z. zeer verheugd zijn. Vgl. Harrebomée II, 478: Hij is in (door, of boven) de wolken. Men zegt dit, als iemand bovenmate vrolijk is. Ook bezigt men het voor den toestand, waarin zich de beschonkene bevindt. Syn. is over de huizen zijn (Harreb. I, 342 b); opgetogen, in den zevenden hemel zijn (no. 898), lat. digito coelum attingere; ook boven de wolken zijn, lat. elatus; vgl. het 18de-eeuwsche opgehemeld zijn met iets (syn. van opgenomen, opgetild, opgeheveld, opgehouden zijn met iets), dat voorkomt bij Van Effen, Spect. VIII, 186; het verouderde God bij de voeten hebben; mnl. God in sine hande hebben. In het afrik. in die wolke wees oor iets; fri. yn de wolken weze; fr. être aux anges; hd. im obern Stock sein; wie im Himmel sein.

2603. Een jongen als een wolk,

ook een wolk van een jongen, d.i. een gezonde, dikke, mollige jongen, een wolk van gezondheid, een ‘brok’ van een jongen; eig. een jongen die zoo bol is als een regenwolk. In de 17de eeuw bij Smetius, 280: een mensch als een wolk; Paffenr. 62: een man als een wollik; Rusting, 403: een kerel als een wolk; Van Effen, Spect. IV, 66: een jongen as een wolk; IX, 79: 't Is waar Klaas is een kaerel als een wolk, hy is breed van borst en schouders; hy heeft een kop, daar men paalen mee in de aard zou heien, en de schoonste beenen, onder 't lyf, die men met oogen aanschouwen kan; E. Wolff-Bekker, De Gryzaart: Onze heerschip het twee groote dogters, vrouwlui als wolken. Vgl. Molema, 166: 'n kerel as 'n wolk, ook: of'e regend is; fri. in frouminsk as in wolken. Ook in Zuid-Nederland bekend, blijkens Volkskunde XI, 166; Antw. Idiot. 1457: gelijk 'en wolk, groot, struisch, vet; Rutten, 316 b: een jongen, tarwe, enz. gelijk een wolk, kloeke jongen, tierige tarwe; vgl. no. 923. In den zin van een groote menigte (fr. une nuée) komt wolk voor in de uitdr. een wolk van getuigen (ontleend aan Hebr. XII, 1).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut