Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woensdag - (vierde dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

woensdag zn. ‘vierde dag van de week’
Mnl. woensdach ‘woensdag’, met enkele minder frequente, maar toevallig wel eerder geattesteerde nevenvormen in dies wenesdaghes (met umlaut en ontronding) ‘op de woensdag’ [1260; VMNW], wondsdaghes ‘op woensdag’ [1264; VMNW], dan up den woensdach na sente martins daghe ‘op de woensdag na Sint-Maarten’ [1278; VMNW].
De dag is genoemd naar de Germaanse god Wodan. De naam Wodan is de Oudsaksische vorm die in de Nederlandse literatuur ingang heeft gevonden. De inheemse vorm is onl. wuodan (geschreven uuoden [791-800; CG II-1, 26]) en had in het Middelnederlands klankwettig tot *woeden > *woen moeten leiden (als in boedel > boel), maar deze vorm kwam, buiten de samenstelling woensdach, toen al niet meer voor.
Mnd. wodensdach; ofri. wednesdei, wern(e)sdei, won(e)sdei (nfri. woansdei, wernsdei); oe. wōdnesdæg (ne. Wednesday); on. óðinsdagr (nzw. onsdag); < *wōdinas-daga-. Voor de etymologie van de godennaam, zie → woede.
Deze dagnaam diende als vertaling van Latijn diēs Mercuriī ‘dag van Mercurius’ (= Frans mercredi ‘woensdag’). De planeten waren genoemd naar de zeven goden van de planeten. De Romeinse godennamen werden door Germaanse vervangen, zie → dinsdag.
Lit.: W.J.J. Pijnenburg (1980), Bijdrage tot de etymologie van het oudste Nederlands, Eindhoven, hoofdstuk 7 ‘Dinsdag - Woensdag’

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

woensdag* [vierde dag van de week] {woensdach, wudendach 1260} eigenlijk ‘Wodans dag’, vertalende ontlening aan latijn dies Mercurii [de dag van Mercurius], vgl. frans mercredi, italiaans mercoledì; men stelde Wodan gelijk aan Mercurius en vormde Wodansdag, wat tot ‘woensdag’ werd. Het lat. is een vertaling van grieks Hermou hèmera [dag van Hermes (bij de Romeinen gelijkgesteld aan Mercurius)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

woensdag znw. m., mnl. woensdach, mnd. wōdens-, wōnesdach, ofri. wōnsdei, oe. wōdnesdæg m. (daarnaar gevormd on. Oðinsdagr); naast dial. nnl. Weunsdag (Kloeke Ts 55, 1936, 148-156 met kaartje), ne. Wednesday. — Samengesteld met de naam van de god Wodan vgl. os. Wōden, ohd. Wuotan, oe. Wōden, on. Oðinn < germ. *wōþanaz naast os. Wodin, oe. Wœden *wōþinaz. — Naast Oðinn staat in het oudnoors de godennaam Ōðr < germ. *wōþu- (vgl. de Vries Ts 53, 1934, 193-196), een sacrale u-stam van het bnw. *wōþa ‘razend’. De naam van de god duidt dus op ‘razernij, extaze’, waarbij men zowel moet denken aan die van de krijg als die van profeet en dichter (vgl. J. de Vries Altgerm. Religionsgesch.2 II, 1957, §§ 400 en 410).

De vorm goensdag in OVla. Brab. Limb. Gelderl. en Overijsel kan geleerd-romaniserende formatie zijn; ook in Duitsland gudensdag. De vormen met umlaut vindt men in Antwerpen, Zuid- en Noord-Beveland, en aan de Maasmond, wat wel wijst op een inguaeoonse vorm. — De naam van de dag werd in het Noordzeegebied gevormd en drong vandaar tot in het gebied van Keulen; verder heerst in Duitsland de naam Mittwoch, die echter een noa-woord zou kunnen zijn voor een als te heidens gevoelde naam *Wuotanestac (Vgl. Frings-Nieszen, IF 45, 1927, 293-8)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

woede znw., sedert Kil. Jongere vorm naast Kil. woed, mnl. woet (d) v. m. = ohd. wuot (nhd. wut) v. “woede, razernij”. Meer verbreid is ’t bnw. ohd. wuot, ags. wôd (eng. wood), on. ôðr, got. woþs “razend, dol, bezeten”. Hiervan het ww. woeden, mnl. woeden, ohd. wuoten (nhd. wüten), os. wôdian, ags. wêdan “woedend, razend, dol, waanzinnig zijn”, on. ø̂ða “dol, waanzinnig maken” en de godennaam ohd. Wuotan, os. Wôdan, ags. Wôden, on. Oðinn m. (nog over in Woensdag, mnl. woensdach, mnd. wôdens-, wônes-dach, ofri. wônsdei, ags. wôdnesdæg m., eng. wednesday, on. ôðinsdagr m.; vert. van lat. dies Mercurii). Verwant zijn ags. wôð v. “gezang, ’t spreken, geschreeuw”, on. ôðr m. “poëzie”, ier. fâith “dichter”, lat. vâtês “id., ziener”. De basis wât- beteekende “bezield zijn, bezeten zijn”. Verwantschap met oi. api-vatati “hij begrijpt” is wegens de bet. onzeker, hoewel niet onmogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

woensdag. Een vreemde vorm is N.-Bev. en Goerees Weunsdag, die bezwaarlijk umlautsvocaal kan hebben.
Mnl. goensdach naast woensdach; vormen met g- leven nog voort in het Z. en Z.-O. met inbegrip van de Achterhoek en aangrenzende du. diall. Zij berusten wsch. op opzettelijke romanisering, die misschien ten doel had aan de naam zijn heidens karakter te ontnemen (vgl. ook Godesberg = Wôdenesbërg). Frings IF. 45, 304; J.de Vries Tschr. 48, 182.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Woensdag m., Mnl. woensdach + Ags. wódnesdæg (Eng. Wednesday), On. ódinsdagr (Zw. en De. onsdag): een Germ. aanpassing van Lat. Mercurii dies; het eerste lid is de genit. van * Woeden, Os. Wôdan = oppergod der Germ. mythol., god van den strijd en den storm + Ohd. Wuotan, Ags. Wóden, Ofri. Wéda, On. Óđinn: van denz. wortel als woede: z. ook zondag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

goonsdag (zn.) woensdag; Vreugmiddelnederlands woensdag <1260>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

goonsdig, goonzig, zn.: woensdag. Br. goensdag. Vnnl. 1282 goensdag, Mnl. goedensdach, gode(n)sdach, goensdach, Vnnl. goensdags, woensdagh, godensdagh (Kiliaan). Woensdag gaat terug op Wodansdag, vertaling van dies Mercurii, waaruit Fr. Mercredi. Goensdag < Godensdag kan worden verklaard als verchristelijking van de heidense dagnaam, vgl. D. gudensdag, PlN Godesberg (NRW) < Wôdanesberg.

schoonsdes, bw.: op woensdag. Uit ’s goonsdags ‘’s woensdags’; zie goonsdig.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

goensdag, hoensdag, hunsdag, zn.: woensdag. Vnnl. 1282 goensdag, Mnl. goedensdach, gode(n)sdach, goensdach, Vnnl. goensdags, woensdagh, godensdagh (Kiliaan). Woensdag gaat terug op Wodansdag, vertaling van dies Mercurii, waaruit Fr. Mercredi. Goensdag < Godensdag kan worden verklaard als verchristelijking van de heidense dagnaam, vgl. D. gudensdag, PlN Godesberg (NRW) < Wôdanesberg. De var. hoensdag zal wel een hypercorrecte spelling zijn voor oensdag, door assimilatie van de w aan de volgende velare klinker oe; ook Wvl. oensdag.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Woensdag s.nw.
Vierde dag van die week, maar tradisioneel en volgens internasionale afspraak in 1976 in Genève die derde dag van die week.
Uit Ndl. woensdag (1514). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. woensdag is 'n leenvertaling van Latyn dies Mercurii 'die dag van Mercurius', met woens- uit Wodan, die naam van die Germ. oppergod.
Eng. Wednesday (950).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

goonzig, joosdieg, goonsdag woensdag (Oost-Nederland, Zuid-Nederland). Uit christelijke overwegingen wschl. onder invloed van het woord God verbasterde vorm van woensdag, een woord dat de naam van Wodan bevat.
Weijnen 1977, 23.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

woensdag (vert. van Latijn dies Mercurii)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Woede, schijnt oorspr. bezieling, geestvervoering te bet., later: opgewondenheid, razernij; vgl. den Skr. wt. vat = in opwinding brengen. – Verwant schijnt Wodan = de woedende (als Stormgod), waaraan de Woensdag (= Woedensdag) gewijd was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

woensdag ‘vierde dag van de week’ -> Mohegan-Pequot wonsartar ‘vierde dag van de week’; Negerhollands wuensdag, woensdag ‘vierde dag van de week’; Sranantongo woensdag ‘vierde dag van de week’; Arowaks wunsdakha, onsdakha ‘vierde dag van de week’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

woensdag* vierde dag van de week 1260 [CG I1, 72]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal