Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wit - (kleur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wit bn. ‘sneeuwkleurig’
Onl. wīt, wit ‘wit’ in fan sneue uuita sulun uuerthan ‘zij zullen wit worden van de sneeuw’ [10e eeuw; W.Ps.], als toenaam in willemus witta ‘Willem (de) Witte’ [1158; ONW]; mnl. witte mantele ‘witte mantels’ [1236; VMNW], wit ‘wit’ [1240; VMNW].
Bij onl. wīt horen: os. hwīt; ohd. (h)wīz (nhd. weiß); ofri. hwīt, wīt (nfri. wyt); oe. hwīt (ne. white); on. hvítr (nzw. vit); got. hveits; alle ‘wit’, < pgm. *hwīta-. Bij de Nederlandse vorm met korte klinker horen: mnd. witt; ofri. wit (nfri. wyt). Theoretisch kan men hiervoor pgm. *hwitta- reconstrueren, met verdubbeling van de medeklinker uit ouder *hwītna- of *hwīdna-. Maar aangezien deze vorm alleen in de jongere fase van het Nederlands, Fries en Nederduits lijkt voor te komen, is een secundaire ontwikkeling waarschijnlijker. Kluge/Seebold denkt aan invloed van de onzijdige vorm wīt(t) > wit(t) zoals die in de Oudsaksische Heliand staat, maar het Oudnederlands kent deze vorm op -t juist niet.
Verwant met: Sanskrit śvetá- ‘wit, helder’, śvitrá ‘witachtig’; Avestisch spaēta- ‘wit’; Litouws švìsti ‘helder worden’, švitrùs ‘helder’; Oudkerkslavisch svĭtĭ ‘licht, helder’, světŭ ‘licht, morgenrood’, světiti ‘verlichten’; < pie. *ḱueit-, *ḱuoit-, *ḱuit- ‘helder oplichten’ (LIV 340). Voor pgm. *hwīt- < ouder *hweit- veronderstelt men meestal een auslautvariant pie. *ḱueid-, maar dat is niet nodig. Uit de afleiding pie. *ḱueit-nó- volgt door de wet van Kluge vroeg-pgm. *hweitta-, waarvan de zware lettergreep verkort werd tot enerzijds pgm. *hwitta- (nnl. wit), anderzijds *hweita- > *hwīta- (nhd. weiß).
Lit.: Lühr 1988, 263-264; Kroonen 2009, 17

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wit1* [kleur] {in de plaatsnaam Withelte, nu Wittelte (Drente) <1040>, wit 1236} middelnederduits wit, met korte vocaal; daarnaast met lange vocaal oudnederlands wīt (vgl. wijting1), oudsaksisch, oudfries, oudengels hwīt, oudhoogduits (h)wīz, oudnoors hvītr, gotisch hweits; buiten het germ. litouws sviesti [schijnen], oudkerkslavisch světŭ [licht], světiti [schijnen], oudindisch śveta- [wit]. De samenstelling middelnederlands witdonresdach [Witte Donderdag (de donderdag voor Pasen)], oudengels hwita sunnandæg, oudnoors hvitasunnadagr [Pinksteren] is zo genoemd omdat de boetelingen, in het wit gekleed, weer verzoend in de gemeenschap konden terugkeren om het feest te vieren. De uitdrukking witjes lachen [gedwongen lachen] betekende in de 17e eeuw ‘vrolijk lachen’. Het bijw. is gevormd van het bn. wit, dat reeds in het middelnl. o.a. ‘vrolijk’ betekende.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wit 3 bnw., mnl. mnd. wǐt, ofri. hwǐt; daarnaast staan met lange klinker: onfrank. wīt, os. hwīt, ohd. (h)wīʒ (nhd. weiss) ofri. oe. hwīt (ne. white), on. hvītr, got. hweits. — De vorm germ. *hwǐtta- kan zijn -tt- ontlenen aan assimilatie van idg. -tn- blijkens oi. śvítna- ‘witachtig’ (ofschoon een emfatische verdubbeling -tt- ook aannemelijk is). — De consonant -t- van het idg. woord wijst op idg. d, vgl. oi. śvindate ‘straalt, glanst’, lit. švidùs ‘blank’, dus van idg. *ḱu̯eid, waarnaast *ḱu̯eit in oi. śveta- ‘wit’, śvitna ‘witachtig’, osl. švětŭ ‘licht, morgenrood’, lit. švintù, švìsti ‘licht worden’, arm. šēk ‘roodachtig’ (IEW 629). — Zie: weit en wijting.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wit I bnw., mnl. wit (tt). = mnd. wit (tt), ofri. hwit (tt) “wit”. Met î en één t onfr. wît, ohd. (h)wîʒ (nhd. weiss), os. ofri. ags. hwît (eng. white), on. hvîtr, got. hweits “wit”. De eerste vorm zal wel niet door een — onverklaarde — vocaalkorting uit de tweede ontstaan zijn, maar eer op idg. *ḱwit-nó-, op ’t accent na = oi. çvítna- “witachtig”, teruggaan. Verwant met obg. světŭ “licht”, svĭtěti, lit. szvitėti “schitteren”, oi. çvetá- “wit”. Germ. *χwîta- òf uit *χwîtta- > *ḱwît-nó- en eveneens van de basis ḱwit- òf van de verwante basis ḱwid-, waarvan ook lit. szvidùs “blank, glanzend”,oi. çvíndate (Dhâtupâtha) “hij schittert”. Zie nog weit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wit. Over grondvormen als idg. *ḱwit-nó-, *ḱwît-nó- zie bij bakken Suppl. 1e alin. Intussen is de woordfamilie van wit een der zeldzame gevallen, waarin de veelal aangenomen n-assimilatie waarschijnlijk is.
Misschien hierbij arm. šêk ‘roodachtig’ (šê + suffixale k; šê = *ḱwoito- = oi. çvetá-): Lidén bij Holthausen IF. 44, 192.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wit 1 bijv.(niet zwart), Mnl. id., Ndd. wit, Ofri. hwit, met dubbele t uit Idg. dn en ablaut nevens Os. hwît + Ohd. wîʒ; (Mhd. id., Nhd. weisz), Ags. hwít (Eng. white), Ofri. hwít, On. hvítr (Zw. hvit, De. hvid), Go. hweits: Germ. wrt. hwīt = glanzen + Skr. wrt. çvid, Lit. szvidus = glanzend: Idg. wrt. k̃u̯ei̯d met bijvorm wrt. k̃u̯ei̯t: Skr. çvetas = wit, Osl. sviteti, Lit. szviteti = glanzen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wit, (ook:) 1. naar verhouding licht van huidskleur, als gezegd van Creolen*, i.h.b. kinderen, met deze eigenschappen. Met de dokterskinderen speel ik niet. Het zijn evenals die van de gevangenisdirekteur, witte Creolen* (Ferrier 1968: 20). Dat witte kind van mij. - 2. ongekleurd, doorzichtig, helder (glas e.d.), Ik zag een prachtig betegeld zwembad met helder wit water (Vianen 1971: 55). Ik wil witte glazen in die bril.
: zie witte abia*.
—: witte bioscoop’ (de), (hist., omstreeks 1924) vertoning van opvoedkundige films. Een groep die onder invloed van de missie stond, begon toen met speciale voorstellingen van zgn. opvoedkundige films. Deze bioscoop, die al gauw de naam kreeg van ’witte bioscoop’, was geen lang leven beschoren () (Enc.Sur. 71). - Etym.: ’Wit’ zou hier kunnen staan in tegenstelling tot de inhoud van de gangbare films, die dan blijkbaar als ’zwart’ werd ervaren.
— : zie witte bolletrie*, bosgoejave*, cedor*, Chinese* poeder, fajalobi*, foengoe*, kabbes* (II).
—: witte kaneel’ (de), witte tot lichtgele pijpkaneel, die afkomstig is van een uitheemse boom (Canella alba, fam. Canellaceae). Bij zenuwaandoeningen wordt aan het aftreksel [van S blakatiki-menti] een stukje valeriaanwortel en wat witte kaneel toegevoegd (May 13). - Etym.: Zie de omschrijving; echte pijpkaneel is bruin en komt van de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum, Advocaatfamilie*). - Zie ook: rooskaneel*
— : wit(te) krapa*, lokus*, openkap*, panta*, parelhout*, pier*, pisi* (cit.), pritjari*, riemhout*, sabakoe*, sali*, sangrafoe*, savannegoejave*.
— : witte suiker (de), geraffineerde (dus witte) rietsuiker voor dagelijks gebruik. Zegels, Port’* Armes, paspoorten, rij- en voertuigenbelasting, water, electriciteit, grondbelasting, veertarieven, witte suiker, spijsolie* enz. zijn allemaal met 50 of meer procent omhoog gegaan (WS 18-12-1982). - Etym.: De toevoeging ’wit’ is nodig ter onderscheiding van ’bruine* suiker’ die ook dagelijks gebruikt wordt. SN w. s. is fijner dan AN ’suiker’ (gewone), d.i. een geraffineerde (witte) bietsuiker in grove kristalvorm. - Syn. broodsuker*.
— : zie wit(te)tajer*, tamarinde*, voetje*, Wanica*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wit: b.nw., s.nw. en ww., (soos d. kleur v. sneeu; (as ww.) wit maak; Ndl. wit (Mnl. wit), Hd. weiss, Eng. white, Got. hweits, hoofs. verw. in Germ., Slaw. en Ved. tale; gesubst. adj. in wit, “doel, mikpunt”, origens in talle name v. diere en plante (vgl. opm. by wild).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

witte, witje etc. Vooral in Antwerpen is witte of witteke een zeer gangbare borrelnaam. Hij is in 1934 voor het eerst gevonden, in de Vlaamse dieventaal. Samen met druppel behoort hij daar tot de meest voorkomende Vlaamse borrelnamen. In Nederland komt hij voor als witje, een vorm die met name in Limburg en Noord-Brabant is aangetroffen.
De naam verwijst naar het witte, doorschijnende uiterlijk van jenever. De verklaring dat de naam zou zijn ontstaan omdat jenever na de invoering van de wet-Vandervelde in 1919 (zie bij vandervelde) zou zijn geserveerd in witte theekopjes, is niet aannemelijk. Althans, Vlaamse deskundigen wezen deze verklaring desgevraagd stellig van de hand.
Witje is in wezen een saaie, onbeduidende borrelnaam. Daarom is er veel mee gespeeld. Zo spreekt men in Hasselt, het epicentrum van de Vlaamse jeneverindustrie, van Hasselts witteke en in Oost-Brabant van een kleine witte man en een klein wit mènneke. Onder studenten in Wageningen wordt wit bakkie gebruikt als borrelnaam (vergelijk bakje) en omstreeks 1971 is in Alkmaar de borrelnaam witkatje gehoord. In Den Helder en bij de Koninklijke Marine is witte muis gebruikt voor ‘jonge klare die rechtstreeks uit het vriesvak komt’. Een kastelein uit Den Helder schreef: ‘Ik zette ook de glaasjes in de vriezer en als ik hem dan schonk, trok het hele glas wit op. Vandaar die benaming.’
Het Amerikaans-Engels kent als vergelijkbare borrelnaam white, in het Duits wordt ‘jenever’ Weißer genoemd, en in het Frans spreekt men van een blanche, wat behalve ‘jenever’ ook ‘brandewijn’ en ‘cognac’ kan betekenen.
Vergelijk klare, limonade en poeti.

[Collen 1979:8; Herroem 110; Kingmans 79; Nijm.vr. 80; PJM 5; Staelens 529; Stoett 1:4; WNT XXVI 1498]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wit, Os. hwit, is ’t Germ. adj. hwita, van den Idg. wt. kwid, kwit = glanzen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wit ‘kleurnaam’ -> Zuid-Afrikaans-Engels wit ‘(voorvoegsel) licht gekleurd, met blanke huidskleur’; Indonesisch wit ‘blanco ruimte tussen woorden of pagina's in drukwerk’; Negerhollands wet, wit ‘kleurnaam; blank’; Berbice-Nederlands wete ‘kleurnaam’; Sranantongo weti (ouder: witti) ‘kleurnaam; blankheid’; Aucaans weti ‘kleurnaam’; Saramakkaans wéti ‘kleurnaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wit* kleurnaam 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

wit, slang voor ‘cocaïne’. → bruin*.

Wit en bruin is in de wereld van de drugsgebruikers straattaal voor cocaïne en heroïne. (Nieuwe Revu, 14/09/89)
Shapiro noemt voorbeelden van platenmaatschappijen die hun artiesten ‘wit’ (d.w.z.: met cocaïne) betalen. (Het Parool, 27/01/90)
De gesprekken gingen nu eens niet over bolletjes wit en bruin, maar over school en werk. (Elsevier, 03/10/98)

witte beweging, zie citaat. In België.

Onmiddellijk na de ophefmakende ontsnapping van Marc Dutroux uit het justitiepaleis van Neufchâteau zetten actievoerders van ‘de witte beweging’, de verzamelnaam voor het protest van Belgische burgers tegen het geknoei van hun overheden, een tent op aan de grote Rijkswachtkazerne in Brussel. (HP/De Tijd, 08/05/98)

witte motor (naar een populaire reclameslogan), melk. Vaak schertsend.

Zonder Witte Motor gaat het niet. Dat heeft de melkstaking deze week nog maar eens bewezen. (Trouw, 18/04/92)
Wat gebeurt er als jij ’s avonds een schoteltje melk voor de kat inschenkt, en je zegt: ‘Hier, melk, de witte motor?’ (HP/De Tijd, 07/01/94)
Mijn volgende klus? Een casting voor Melk de Witte Motor. (Webber, juli 1995)

witte fraude, werken terwijl men een uitkering geniet, zonder dit door te geven aan de uitkerinsinstantie. Het werk zelf is niet zwart: men draagt normaal belasting en premies af.

Over de uitslag van het Rotterdamse onderzoek is Laman verrast. Hij heeft nooit geloofd in een fraudepercentage van 20 procent die wel eens in de Tweede Kamer zijn genoemd, maar vindt de 5 procent ‘witte fraude’ uit het onderzoek al aan de hoge kant. (De Volkskrant, 20/03/92)
De gemeente Utrecht maakte vorige week bekend acht gulden terug te vorderen van mensen die met een uitkering die andere inkomsten hebben verzwegen. Deze ‘witte fraude’ wordt opgespoord door de gegevens van de belastingdienst te vergelijken met die van de sociale dienst. (NRC Handelsblad, 23/02/93)
Door computerbestanden te koppelen kunnen de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen ‘witte fraude’ (een reguliere baan naast een uitkering als WAO of WW) beter aanpakken. (Trouw, 21/11/97)
Cijfers wijzen uit dat zo’n negen procent van de mensen in de bijstand zich schuldig maakt aan witte fraude. (Vrij Nederland, 28/02/98)

witte ridder (← Eng. white knight), bedrijf dat een in moeilijkheden verkerend (bevriend) bedrijf overneemt en hierdoor behoedt voor een ongewenste overname. Begin jaren negentig speelde Wolters Samsom die rol door Kluwer over te nemen voordat Elsevier dit kon doen.

Handelsonderneming Reesink uit Zutphen, die door Koppelpoort als potentiële ‘witte ridder’ wordt gezien, verloor drie dubbeltjes op 79 gulden rond. (De Volkskrant, 08/06/91)
Een week geleden had IBM-voorzitter Louis Gerstner gezegd dat hij het software-bedrijf Lotus desnoods tegen de zin van haar management in zou overnemen. Lotus-topman Manzi was daarop op zoek gegaan naar een ‘witte ridder’ die een tegenbod wou uitbrengen. (De Morgen, 12/06/95)

witte woede, in Vlaanderen: ongenoegen van welzijnswerkers en verpleegkundigen tegen de bezuinigingsplannen van de regering. De uitdrukking is eind jaren tachtig opgekomen. → witte* beweging.

De ‘witte woede’ blijft nog even ingetoomd. Maar de christelijke vakcentrales drongen gisteren erop aan dat Caritas desnoods een eigen CAO zou afsluiten. (De Morgen, 10/11/90)
Kennelijk poogt De Galan zich in te dekken tegen aanvallen van witte woede, op een moment dat zich konflikten aandienen op een andere flank in de gezondheidszorg... (De Morgen, 23/09/94)
Witte woede: Het verzet van de welzijnswerkers tegen de plannen tot bezuiniging in hun sector. Zorgenverstrekkers dragen niet zelden witte jassen, vandaar de naam die een journalistieke vondst is. Ook het begrip ‘witheet van woede’ zit erin. (Jef Coeck: Nieuwsspraak. Een zakwoordenboekje, 1994)
Kan zo’n ethicus zich vinden in de ‘witte woede’ van de verpleegkundigen? (Knack, 04/02/98)
Waarvoor dient het geld dat de Vlaamse welzijnszorg bijkrijgt? Om de werkdruk van het actievoerend ‘witte-woede-personeel’ van de bestaande instellingen te verlagen. (De Standaard, 10/03/98)
Werkgevers hebben geen geld en de overheid is evenmin in een scheutige bui. Kortom, er is sprake van een patstelling die zich uit in ‘De Witte Woede’. Slechts een kwart van de verpleegkundigen is lid van een vakbond, dus wordt het voor de beroepsgroep moeilijk om een vuist te maken. (Nieuwe Revu, 06/05/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1907. Een witte raaf,

eig. een zeer zeldzame vogel; vandaar: iets, dat zelden voorkomt, iets zeer zeldzaams. Volgens Ovidius, Metam. II, was de raaf oorspronkelijk wit, maar werd hij door Phoibos in een zwarten vogel veranderd, omdat hij had uitgebracht, dat Coronis zich aan ontrouw had schuldig gemaakt. Kwam er sedert dien een witte raaf voor, dan was dat een groote zeldzaamheidTijdschrift XXXIX, 153.. Ontleend aan het lat. corvus albus (Juvenalis, VII, 202), waarvoor ook alba avis (Cicero, ad Fam. 7, 28, 2), doch gewoonlijk rara avis; fri. in witte raven; hd. ein weiszer Rabe, - Sperling. Zie Rose, 8243; Anna Bijns, Refr. 40:

 Maar al sijn de goey cooplien schier witte raven,
 Tsal nog eens beteren, alst God sal gelieven.

Vgl. ook Nieuwe Refr. 37: De goey mans sijn witte raven; Spieghel, 138: Zo zeldzaam als een witte raven; V. Moerk. 577; Van Effen, Spect. IX, 57; Tuinman I, 229; Halma, 530; Harreb. II, 208 en Joos, 26, die als iets zeldzaams opgeeft: witte hazen, witte raven, witte mollen, blauwe honden, waaraan nog is toe te voegen zwarte zwanen (Maerl. Nat. Bl. III, 2150; eng. a black swanWel kent men in het eng. his crow is the whitest ever seen, hij snijdt geweldig op.; witte valken (Harreb. II, 357, 513; een ringelduufken (Twente); fr. un merle blanc.

2460. Een wit voetje hebben bij iemand,

d.i. bij iemand in de gunst, in de pas staan, een potje bij hem kunnen breken; eene uitdrukking, die sedert de 16de eeuw bij ons bekend is en haar ontstaan te danken heeft aan de vroegere gewoonte, dat paarden met vier witte pooten tolvrij warenIn den Navorscher III, 239 b wordt uit Pancarte du Droit de Péage du Comte de Lesmont aangehaald art. XIV: un cheval les quatres pieds blancs, franc de péage; Harreb. II, 336 b: vier witte voeten zijn tolvrij.. Vgl. Marnix, Byenc. 189 v: Dat en mach niemant doen dan onse L. Moeder de H. Roomsche Kercke, die vier witte voeten heeft, ende en kan niet missen; Sart. I, 2, 19: Ghy hebt vier witte voeten, 't witte kindt, sic feliciter natum atque ita gratiosum significamus, ut quidvis fere impune ipsi liceat; Idinau, 114:

 Witte voeten hebben.
 Men prijst de peerden met witte voeten
 En oock men die veur-deel hebben siet.
 Dat seght-men van sulcke, die, wien sy ghemoeten
 Groot veur-deel van al de wereldt gheschiedt.
 Veur Godt en baet 's wereldts veur-deel niet.

Huygens, Korenbl. II, 163; Smetius, 80: Hij heft vier witte voeten, hij slacht des costers koeVgl. Harreb. I, 395 a: Kosters koe weidt op het kerkhof; ook in Zuidndl. bekend; zie Antw. Idiot. 702: Kösters koei mag op 't kerkhof wei(d)en.; Tuinman I, 43: Hij heeft witte voeten, dus zegt men van ymand, die ergens geacht en aangenaam is; Br. v. Abraham Bl. I, VIII: Ja, Ja, ik had altyd vier witte voeten by die zoete Vrouwen; C. Wildsch. III, 268: Vier witte voetjens hebben; V, 300; W. Leevend II, 129; IV, 225: Vier witte voeten bij Tante Martha hebben; Van Eijk II, nal. v.; Harreb. II, 397 a: Hij heeft er een witten voet; 398 a: Hij wil een wit voetje halen; Loquela, 586; Nkr. VII, 27 Sept. p. 6; M. de Br. 55: De juffrouw wou een wit voetje bij haar hebben; Dievenp. 25: Om 'n wit voetje bij de politie te krijgen; Sjof. 20: Hij deed 't alleen om een wit voetje te halen; Menschenw. 225: Zij bespogen hun makkers om wit voetje bij notaris of dokter; De Arbeid, 14 Januari 1914 p. 2 k. 4: Een nieuwe controleur, die zeker een wit voetje bij den baas wilde halen; 19 Dec. 1914 p. 2 k. 4: Als hij een wit voetje wilde halen bij den patroon, welnu, dan had hij wel anders opgetreden; De Telegraaf, 19 Maart 1915 (avondbl.) p. 7 k. 3: Vandaar dat hij den stroopkwast niet spaart, om toch vooral een wit voetje bij onze geuniformeerde Oosterburen te krijgen; enz. De Cock1, 63: met iemand op een witten voet staan; witte voeten bij iemand hebben. Ook hier wordt medegedeeld dat eertijds witvoetige paarden de poorten der Vlaamsche steden tolvrij mochten binnengaan, en gewezen op Rutten, 263: koeien met witte voeten mogen op het kerkhof grazen, zijt ge wel gezien door de overheden, dan bekomt ge voordeelen; afrik. wit voetje soek, trachten in iemands gunst te komen; Joos, 74: hij staat er met witte voeten, hij wordt er zeer bemind; fri. in wyt foetsje by immen ha; in wytfoet hynsder bitellet gjin tol; oostfri.: hê hed 'n witten fôt bî hum; nederd. en witten Fôt bi jemand hebben (Eckart, 135; Wander I, 1303); sik en witten Fôt maken bi enen, sich einschmeicheln (Eckart, 235 b).

2684. Zwart op wit hebben,

d.w.z. een schriftelijk bewijs van iets hebben, bijv. van eene schuld of eene overeenkomst; men denke aan de zwarte letters op wit papier; vgl. Hooft, Ged. I, 152, waar van een briefschrijver gezegd wordt, dat hij ‘de cleene swarten door 't witte veldt in 't gelit gestelt’ heeft, en zie Brieven, 537: Dat zwart, waarby U Ed. Gestr. zich verbonden heeft, Muide te koomen bestraalen, staat noch in 't wit, d' onderteekeningen zijn niet verflaauwt, de zeegels gaaf; bl. 402: Voorheene hadde ik slechts vlugge toezegging, nu 't zwart in 't wit: want U E. schrijven bekent een daageraadt aan onze pruimen belooft te hebben; Huygens, Korenbl. II, 199. Bij Tuinman I, 237 komt de uitdr. in den tegenwoordigen vorm voor: hij heeft zwart op wit, dat wil zeggen: hy heeft eigenhandig en schriftelyk bewys. Vgl. ook Rusting, 311: 'k Begaf my daad'lyk by myn boeken, om daar myn schryftuig op te zoeken, en drukte daar strak swart op 't wit; C. Wildsch. III, 50: Gij moet die beloften en eeden doen beschrijven op een zegel; zwart op wit, dat is de zaak; ook bl. 71; W. Leevend, II, 72; afrik. hy wil dit swart op wit sien; Rutten, 280; Antw. Idiot. 1454: zwart op wit zetten, zijn handteeken zetten; in het Friesch: swart op wyt, dat is prefyt; hd. schwarz auf weiss behält den Preis; Wander IV, 424 en 426: etwas schwarz auf weiss geben (haben); fr. mettre du noir sur du blanc; eng. to have it in black and white or black on white.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut