Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wisselen - (ruilen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wisselen* [ruilen] {1201-1250} van wissel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wisselen ww., mnl. wisselen, os. wehslian, wehslon, ohd. wihslen, wehsalon (nhd. wechseln), ofri. wixlia, on. vīxla ‘wisselen, ruilen’. — Afl. van wissel. — > ne. wissel, vooral schots en north. (sedert 1375, vgl. Bense 593).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wissel znw., mnl. wissel m. “ruil, wissel”. = onfr. wihsil “commutatio”, ohd. os. wëhsal m. o. “het wisselen, ruilen, handelen” (nhd. wechsel m.), (ofri. wix(e)le o. “id.”, -ia-stam), on. in gjafa-vîxl o. “het wisselen van geschenken”, â vîxl “kruiselings”. Hierbij de ww. wisselen, mnl. wisselen, ohd. wihslen, wëhsalôn (nhd. wechseln), os. wëhslian, wëhslon, ofri. wixlia, on. vîxla “wisselen, ruilen”. Verwant met wijken (idg. *wig-slo-) of met lat. vicês (idg. *wiq-slo-); hierbij is ook ier. fiach “schuld” gebracht. Vgl. bij wijken en week I. Ags. wrixl o. “wisseling”, wrixlan “wisselen” zullen wel = wissel, wisselen zijn, met vervorming van den anlaut.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wisselen o.w., denomin. van wissel, Mnl. id., Onfra. wihsil, Os. wehsal + Ohd. id. (Mhd. wehsel, Nhd. wechsel), Ofri. wixele, On. vixl, een afleid. van Germ. wrt. wīh, Idg. wrt. u̯ei̯q: z. wijken.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wisselen, van den Germ. wt. wiq = plaats maken, van plaats, enz. veranderen. Zie Wijken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wisselen ‘ruilen’ -> Engels wissel ‘ruilen’; Schots wissel; wesle, quhissel, whissle ‘ruilen, ruilhandel drijven; afgeven (wisselgeld), uitgeven (geld)’; Duits dialect wissel, wisseln ‘ruilen’;? Duits wechseln ‘ruilen’; Zuid-Afrikaans-Engels wissel ‘ruilen’; Sranantongo wesel ‘vreemde munt omzetten in andere muntsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wisselen* ruilen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal