Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wisse - (kubieke meter als maat voor brandhout, dial. twijg)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wisse* [kubieke meter als maat voor brandhout, dial. twijg] {1285 in de betekenis ‘twijg, gevlochten band van twijgen’; in de betekenis ‘samengebonden hoeveelheid brandhout’ 1555; als inhoudsmaat 1839} verwant met wis2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wisse znw. v. ‘inhoudsmaat voor brandhout’, eig. ‘door twijgen samengebonden hoeveelheid hout’, mnl. wisse v. ‘wilgenloot’, strik, strop; hoeveelheid brandhout’, mnd. wedde, oofri. withthe, owfri. witte, oe. wiððe (ne. withe) on. við, viðja ‘band, van wilgenloten gevlochten’ < germ. wiþja (met overgang van -þþ- > -ss-, zoals in smisse). — Afl. van *wiþō in mnd. wēde, os. with, ohd. wid; vgl. verder got. kunawida, ohd. chunwid ‘boei’ en oe. cynewiððe v. ‘diadeem’. Uitgangspunt van deze woorden is dus een woord voor wilgenloot. — av. vaêti- ‘wilg, wilgetak’, gr. itéa ‘wilg’, ítus ‘wilg, schildrand’, lat. vītex ‘kuisboom’, vītis ‘rank’, vītus ‘velg’, oiers feith (< *veiti) ‘pees, streng’, lit. výtis ‘wilgetak’, lett. vîte ‘rank’, opr. witwan ‘wilg’, osl. vitǐ ‘iets gewondens’, větvĭ ‘tak’ (IEW 1122), een dentaal-afl. van de wt. *u̯ei ‘binden, winden’, waarvoor zie: weegluis.

In dit woord treedt wel de oudste bet. van de wt. *u̯ei op: de dunne wilgenloten, die voor allerlei soort vlechtwerk gebruikt werden; allereerst voor het van twijgen gemaakte vlechtwerk van de huiswand, maar dan ook voor strobossen vgl. wis 1. — Het is mogelijk deze wt. *u̯ei hogerop te verbinden met *u̯e, waarvoor zie: gewaad. — Men kan de volgende afleidingen van *u̯ei aannemen:
met dentaal vgl. wijd, wisse
met labiaal vgl. wimpel, weifelen, wippen
met gutturaal vgl. week, wijken, wissel
met r vgl. wier
met s vgl. wis 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wisse (inhoudsmaat voor brandhout), mnl. wisse v. “touw, strop” (voor de bet.-ontwikkeling vgl. snees). = mnd. wedde, wēde, oofri. withthe, owfri. witte, ags. wiððe (eng. withe), on. við, viðja v. “band” (speciaal “van wilgenrijsjes gevlochten band”). Hiernaast ohd. wid, os. with v. “id.”. Ook got. kuna-wida v. “boei” moet met ’t oog op ohd. chun-wid v. “id.”, ags. cyne-wiððe v. “diadeem” hierbij en niet bij idg. wedh- (zie gewaad) gebracht worden. Voor de ss van ndl. wisse vgl. bij smidse. Germ. *wiþjô(n)- (en *wiþi, *wiðô-) komt van de bij weegluis besproken basis wī̆- “winden”, waarvan eveneens met idg. t- (germ. þ-) suffix ohd. wîda (nhd. weide), Teuth. wyde (westmnl. = “teen”), mnd. wîde v., ags. wîðig m. “wilg” (eng. withy “rijsje”), on. vîðir m. “id.”, lat. vîtis “wingerdrank”, gr. ītéa “wilg”, po. wic´ “slanke twijg”, lit. výtis “wilgentwijg”, żil-vìtis “grijze wilg”, av. vaêtay- “wilg, wilgentwijg”, oi. vetasá- “een rankige waterplant”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wisse. Mnl. wisse ook = ‘wilgetwijg’ (vgl. Maastr. wissǝbo'um ‘wilg’). Bij de eerst genoemde groep germ. woorden nog ohd. witta v. ‘haarband’. Verder verdient vermelding met enkele consonant mnl. wēde v. ‘streng’.
“Lit- výtis”, ook vytìs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wisse v. (maat, dial. twijg), Mnl. id. = band van teenen, touw + Mndd. wedde, Ofri. withthe, Ags. wiđđe (Eng. withe), On. viđ: gelijk wisch 1 een uitbreidíng van den wortel van weeg. Ndl. ss uit Wgerm. þþ gelijk in smis.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut