Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wispelturig - (grillig)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wispelturig bn. ‘grillig’
Vnnl. Onstantaftich wispeltuerich weyfelaer ‘onstandvastige, wispelturige weifelaar’ (Dictionarium Germanicolatinum, 1556, Antwerpen), een wispeltuerich liedeken ‘een ondeugend liedje’ (Spul van Sinnen van den Siecke Stadt, 1534–1564, Amsterdam), ook ‘veranderlijk; lichtzinnig’. In de 17e eeuw komt ook wispeltuur bn. voor, maar bijna alleen in metrische teksten, hetgeen doet vermoeden dat het uit wispelturig verkort is (cf. Bogaers 1866). Kiliaan geeft het woord als wispel-duerigh, waarvan men in het algemeen denkt dat het t door d vervangen heeft naar voorbeeld van ongedurig. Een in het eerste lid identiek en in het tweede lid vergelijkbare formatie is Mnl. wispelsinnich (Gemma Vocabulorum, 1490). Vergelijkbare samenstellingen in het Duits zijn: Mnd. wispelhaftig ‘wispelturig, die veel bewegen en toch niets uitvoeren’, Mhd. wispelecht ‘onstandvastig’.
Wispelturig is afgeleid van het ww. wispelen ‘telkens heen en weer bewegen, rondlopen’ (1477), maar het suffix -turig is onverklaard. Sommigen menen dat -duerich de oudste vorm is, maar daartegen spreekt dat wispelduerich slechts eenmaal voorkomt, en dat het onwaarschijnlijk is dat een bekend suffix -durig vervangen zou zijn door een elders niet voorkomend -turig. Een alternatieve etymologie die uitgaat van een woord tuur is niet voor handen. Dan blijft als beste mogelijkheid, dat -turig door ronding van ie tot uu uit -tierig zou zijn ontstaan, zoals bijv. de Vries/de Tollenaere voorstellen. Het tweede lid zou dan Mnl. tiere ‘aard, gedrag’, Nnl. tier ‘gedrag, houding; behoefte, genoegen’ bevatten (zie goedertieren). Een betekenis ‘van beweeglijk houding’ of ‘met onstandvaste behoeften’ zou goed op wispelturig passen. Maar ronding van ie tot uu vindt normaliter alleen naast lipklanken of l plaats (bijv. in Noord-Holland en West-Vlaanderen). Mogelijk is de gecombineerde invloed van voorafgaande w-p-l hier verantwoordelijk voor de ronding tot tuur. Aantrekkelijker lijkt me echter, de ronding op te vatten als hypercorrectie in een oorspronkelijk *wispel-tierig. Die hypercorrectie kon ontstaan doordat aan StNl. duur, g(eh)uur, sturen, vuur in de dialecten van Holland, Zeeland en West-Vlaanderen in het algemeen dier, g(eh)ier, stieren, vier beantwoord(d)en. Bovendien raakte het zn. tier in onbruik. Eventueel kan ook de assonantie met wispeltuyt ‘wispelturig persoon’ (1525) meegewerkt hebben.
Lit.: A. Bogaers. 1866. Over de weg- of uitlating der g in 't algemeen, en bij den adjektievalen uitgang ig in 't bijzonder. De Taalgids 8, 1–32.
[Gepubliceerd op 18-06-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wispelturig* [grillig] {wispeltuerich 1556} van wispelen [heen en weer draaien] + -turig, te verbinden met ongedurig, hoewel middelnederlands wispelsinnich [wispelturig] de gedachte ingeeft dat -turich verband houdt met middelnederlands tier [aard, soort], zoals in goedertieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wispelturig bnw., nnl., maar ook nhd. Het 1ste lid is te verbinden met mnl. wispelen ‘doelloos rondlopen, zich onvast bewegen’ (mogelijk onder invloed van kwispelen) uit een ouder wispelen, dat dan met wippen te verbinden zou zijn. — Het 2de lid -turig zal wel vervormd zijn, aangezien Kiliaen als vorm opgeeft wispel-duerigh, dat te verbinden is met ongedurig. Een oudere uitdrukking is mnl. wispelsinnich; dit kan er echter op wijzen, dat in -turig zij het dan ook secundair mnl. tier ‘aard, soort’ aan te nemen is zoals in goedertieren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wispelturig bnw., nnl. Ook in ’t Ndd. Het eerste lid is de stam van mnl. oudnnl. Teuth. mnd. wispelen “doelloos rondloopen, zich onvast bewegen”, het tweede is bij tier gebracht: niet wsch. Eer is Kil. wispel-duerigh een oudere vorm: dan is het woord onder invloed van ongedurig ontstaan, en ook van mnl. wispel-sinnich “wispelturig”. Wispelen wsch. uit *wipselen, bij de onder weifelen of de onder wip besproken woordgroep. Met mnl. wispelen “sissen, fluiten, fluisteren” (voor ’t ohd. ags. equivalent zie lispelen) heeft het niets te maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wispelturig bijv., + Ndd. wispeltürig: het eerste lid behoort bij wispelen 1; het tweede met ü = ie bij tier 1 = aard (vergel. armtierig, goedertieren, enz.), dus = van ongestadigen aard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wispelturig b.nw.
Onstandvastig, veranderlik.
Uit Ndl. wispelturig (1556), 'n samestellende afleiding met -ig van wispelen 'doelloos rondloop, jou onvas beweeg, heen en weer draai' en tuur, die gewestelike wisselvorm van tier 'gedrag'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

wispelturig: veranderlik; Ndl. wispelturig (by Kil wispel-duerigh), eerste lid hou verb. m. Mnl. wispelen, “onvas beweeg”, en d. tweede wsk. m. ongedurig (vgl. Kil se vorm).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wispelturig: het eerste lid is wispelen (bijvorm van kwispelen) = zich onrustig bewegen, in gestadige beweging zijn, als frequ. van wispen: „Hy (een visch) wispte met ten steert”; het tweede lid is: tierig, afl. van tier = aard, zie Tieren. Het woord w.d.z.: van bewegelijken, onrustigen, veranderlijken aard.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wispelturig* grillig 1556 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut