Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wis - (teen, twijg, strobos)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wis2* [teen, twijg, strobos] {wisch, wes(s)ch(e) 1384, vgl. arswisg [iets om het achterwerk mee schoon te vegen] 1201-1250} middelnederduits wisch, oudhoogduits wisc (hoogduits Wisch), oudnoors visk; buiten het germ. latijn virga [twijg], litouws vyzgoti [zwaaien], oudindisch veṣka- [wurgstrik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wis 1 znw. v. ‘teen, twijg; strobundel’, mnl. wisc m. ‘strowis’, mnd. wisch, ohd. wisc (nhd. wisch), on. visk ‘strobos’ (oe. *wisc kan men vermoeden uit het ww. weoxian ‘vlechten’). — lat. virga (< *u̯izgā) ‘roede, twijg’, lit. vizgù, vizgė́ti ‘sidderen’, vyzgóti ‘zwaaien’, dan wel eerder te verbinden met oi. veṣká ‘strik om te wurgen’ (IEW 1133-4), van de idg. wt. *u̯eis ‘draaien’, een afl. van *u̯ei, waarvoor zie: weegluis.

FW 799 verbindt hiermee oe. wīse ‘spruit, stengel’, nnoorw. vise ‘tros, stengel’, on. vīsir m. ‘kiem, spruit’, die Pokorny IEW 1133 echter verbindt met lit. veĩsti ‘zich vermeerderen’ veislùs ‘vruchtbaar’ van een idg. wt. *u̯eis ‘ontspruiten, groeien’. Pokorny onderscheidt niet minder dan drie wortels *u̯eis, behalve deze en die met de bet. ‘draaien’, ook nog een derde met de bet. ‘vloeibaar worden, stromen’, waarvoor zie: waas en wis 2. — Het is echter zeer de vraag, of dit juist is. In elk geval kan men wis 1 en wis 2 verbinden, wanneer men van ‘vlechten, vlechtwerk’ uitgaat: enerzijds ‘bundel stro’, anderzijds ‘de door een heining afgesloten weide’. Het woord wis 2 en nhd. wiese brengt Pokorny echter bij *u̯eis ‘ontspruiten’ en dus samen met on. vīsir ‘kiem, loot’, oe. wīse ‘spruit, stengel’; maar als men bedenkt, dat juist de jonge loten voor het vlechten geschikt zijn, dan kan men eerder ook deze woorden bij de wt. *u̯eis ‘draaien’ indelen (zie J. de Vries, Med. Ver. Naamk. 34, 1958, 74).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wisch znw., mnl. wisc m. “stroowisch”. = ohd. wisc (nhd. wisch), mnd. wisch m. “bos hooi of stroo”, ags. *wisc (waarvan weoxian “vlechten”), on. visk v. “bos stroo of riet”. Afl.: wisschen ww.; mnl. wiscen, wisscen, ohd. wisken (nhd. wischen), mnd. wischen, ags. weoxian “wisschen, vegen, schoonmaken”: de bet. verstaat zich, als we bedenken, dat een “wiska-z” vooral voor schoonvegen wordt gebruikt. Germ. *wiska- (*wiskô-) beteekende oorspr. “vlechtmateriaal” of “gewonden, ineengedraaid voorwerp”: ’t gaat òf op idg. *wizgo- terug: vgl. dan vooral lat. virga “twijg, roede” —, òf op *wisqo-, ablautend met oi. veṣká- “strop”. Beide van de basis wī̆s- (verlengd uit wī̆-; zie weegluis); deze o.a. in ags. wîse v. “stengel”, noorw. vîse “tros, stengel en bladen, spruit, bloesem”, (čech. vích “wisch, stroowisch”; misschien ook hierbij oi. véṣa- “kleedij” (oorspr. “weefsel”) en arm. gi “jeneverboom”. Ook verlengde bases wis-p- (alleen germ.; echter ook uit wips- verklaarbaar) en wis-t- komen voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wis[ch]. Ags. wisc is overgeleverd in gronwisc ‘(uiteinde van een) korenaar’. — Lat. virga ‘twijg, roede’ heeft misschien i uit e; dan zou het niet in dit verband behoren.
Ags. wîse ‘spruit, stengel’, noorw. víse ‘tros, stengel, enz.’ worden ook wel met on. vîsir m. ‘kiem, spruit’ van een andere basis *wī̆s- afgeleid, en bij lit. veĩsti ‘voortplanten’, veislė̃ ‘teelt, soort’ gebracht; hierbij misschien ook ohd. wisa (hd. wiese), mnd. oostmnl. wēse v. ‘weide’ (nnl. dial. weesje o. ‘prieeltje’) en mnd. wîsche v., Teuth. wijsche, ags. wîsc v. ‘weide’, wsch. niet lat. vireo ‘ik ben groen’, viridis ‘groen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wisch 1 v. (bundel), Mnl. wisc + Ohd. wisc (Mhd. wisch, Nhd. id.), On. visk (Zw. viska, De. visk) = bundel + Lat. virga (d.i. *vizga) = roede: Idg. wrt. ueis, uitbreiding van. den wortel van weeg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wösj (zn.) pluk haar; < Duits Wuschel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wisch (stroowisch), van den Germ. wt. wi, Idg. wei = vlechten, ’t Denom. is wisschen: met een wisch schoonmaken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wis* teen, twijg, strobos 1384 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut