Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wippen - (op en neer gaan; paren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wippen ww. ‘op en neer gaan; paren’
Mnl. wyppen ‘heen en weer gaan’ [1477; Teuth.]; vnnl. wippen ‘herhaald op en neer bewegen’ [1588; iWNT]; nnl. wippen ‘paren’ in Na gewipt te hebben [1829; iWNT] (maar eerder wel al wipkoyen ‘vrouwen van lichte zeden’ [1677; iWNT wippen], waarin kooi ‘achterste’ betekent), wippen ‘op en neer bewegen op een wip (als spel)’ [1871; iWNT].
Mnd. wippen ‘op en neer bewegen; schommelen’ (nhd. wippen ‘op en neer gaan’); mhd. wipfen ‘springen’; < pgm. *wipjan- ‘op en neer bewegen’. Wrsch. een intensiverende afleiding bij de wortel pgm. *weip-, *wip- ‘wikkelen, draaien’, zie → wimpel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wippen* [springen] {wyppen [waggelen, wankelen] 1477} intensivum naast middelnederlands weiven (vgl. wimpel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wippen ww., mnl. mnd. me. wippen ‘wippen, schommelen, op-en-neergaan’, mhd. wipfen ‘springen’, gevormd met secundaire versterkende geminaat -pp- naast mnl. wîpen ‘bekransen’, mhd. wīfen ‘winden, zwaaien’, got. weipan ‘bekransen’ (ook wel oe. wipian, ne. wipe ‘afwissen’). Vgl. ook iteratief vla. wijpelen ‘wippen’. Verhelderend voor de uitgang van de bet. ontw. is nnl. antw. wijp ‘samengebonden strobos’, bijv. als fakkel gebruikt, elders in zuidnl. ‘prop stro om onder de dakpannen te steken’. — Zie verder de onder wimpel genoemde woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wippen ww., mnl. mnd. meng. wippen “wippen, op en neer gaan, schommelen”, mhd. wipfen “springen”. Met pp òf uit idg. pn: dan met weifelen verwant, — òf uit idg. bn: in dit geval verwant met mhd. wîfen “winden, zwaaien”, mnl. wîpen, got. weipan “ bekransen “, vla. wijpelen “wippen”, Antw. wijp v. “samengebonden handvol stroo, o.a. als fakkel gebruikt” (in de bet. “prop stroo om onder de dakpannen te steken” ook hagelandsch en haspengouwsch), mnl. wîpe “fakkel, cylindervormige worst van rijshout”, Waasch wijp “linnen overtrek over een kar”, ohd. weif m. “hoofdband”, on. veipr m. “hoofddoek”, got. waips m., wipja v. “krans”, ohd. wiffil, wipfil m. “boomkruin” (nhd. wipfel); buiten ’t Germ. vgl. lat. vibrâre “trillen, doen trillen”, lit. vỹburiu, vỹburti “wedeln”. Idg. wip- en wib- “trillen, zwaaien” zijn verwante bases: voor de bet. “wikkelen” zie bij weifelen. Zie nog zweep.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wip, wippen znw. resp. ww. Voor germ. pp uit idg. pn of bn zie bij bakken Suppl. 1e alin. — Bij mhd. wîfen, mnl. wîpen enz. behoort wsch. ook ags. wîpian ‘afwissen, schoonmaken’( eng. to wipe): voor de bet. vgl. wissen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wippen ono.w., intensief van *wijpen = zwaaien, Mnl. wipen + Ohd. wífan, Go. weipan: Germ. wrt. wip, met bijvorm wrt. wif (z. wuiven) + Lat. vibrare, Lit. vyburti = wedelen: Idg. u̯ei̯b, met bijvorm wrt. u̯ei̯p: Skr. wrt. vip = beven. Wippen in aschwippen is van Eng. whip = katrol, behoorende bij to whip, het æquivalent van ons wippen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wip ww.
1. Op en af beweeg soos op 'n wipplank. 2. Spring. 3. Opruk, vererg.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. wippen (1588 in bet. 1, 1647 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel, wsk. omdat iemand wat hom opruk of vererg dikw. sy liggaam so styf ruk of sy ken so hoog opruk dat dit met 'n wipbeweging gepaardgaan. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. wippen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wip: s.nw. en ww., springplank; sprong; toestel om diere te vang; (as ww.) spring; aanstellerig wees; Ndl. wip en wippen (Mn1. wip(pe) en wippen, so by Kil), Hd. wippe en wippen, hou mntl. verb. m. Lat. vibrāre, “bewe, tril”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wippen. In de 17de eeuw komt voor ik laat mij wippen als ...! Oorspronkelijk was dit een vrome belofte. De godheid wordt aangeroepen om op staande voet te straffen als men de waarheid niet sprak. Meineed en ander oneigenlijk gebruik maken haar tot vloek en uitroep van verontwaardiging.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wippen, van den Germ. wt. wip = zich heen en weer bewegen; Idg. bijvorm weib, waarvan ons weifelen (z. d. w.). Zie ook Wuiven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wippen ‘op en neer gaan’ -> Engels whip ‘snel bewegen; kloppen, stijf slaan; zwepen; opwekken; oproepen tot aanwezigheid’; Duits wippen ‘op en neer gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors vippe ‘op en neer gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Berbice-Nederlands wepn ‘sturen met een peddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wippen* op en neer gaan 1477 [Teuth.]

wippen* paren 1829 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut