Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wimpel - (lange, smalle vaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wimpel zn. ‘lange, smalle vaan’
Mnl. wimpel ‘sluier, lange doek om het hoofd; vaan, banier’ in Met desen wimple om u kele [1300-50; MNW-R], Sonder bannier ofte wimpel ‘zonder banier of wimpel’ [1470-90; MNW-R]; nnl. Hy wint het met vlag en wimpel [1835; iWNT vlag I].
Os. wimpal ‘sluier, wimpel’ (mnd. wimpel, wumpel ‘hoofddoek, sluier’, nhd. Wimpel); ohd. wimpfila ‘sluier, wimpel’; ofri. wimpel ‘wimpel, vaan’; oe. wimpel ‘onderdeel van vrouwenkleding, wimpel’ (ne. wimple); < pgm. *wimpil- ‘sluier, doek’ met het verkleiningssuffix -il-. Oudfrans guimple ‘sluier’ [ca. 1140; TLF] (Nieuwfrans guimpe ‘bef; nonnenkap’) is ontleend aan het Oudnederlands.
Wrsch. verder te verbinden met ohd. weif ‘verband’, on. veipr ‘hoofddoek’, got. waips ‘krans, kroon’ < pgm. *waipa- naast on. veipa ‘hoofddoek’, oe. wāpe ‘handdoek’ < pgm. *waipō- en dan een genasaleerde vorm *wimp- bij dezelfde wortel. Bij deze wortel behoren ook het zwakke werkwoord *waipōn zoals in mhd. weifen ‘haspelen, zwaaien’, on. veipa ‘wikkelen’ en het sterke werkwoord pgm. *wīpan in mhd. wīfen ‘winden, zwaaien’, got. weipan ‘kronen’.
Wrsch. verwant met: Latijn vibrāre ‘trillen’ (zie ook → vibratie); Sanskrit vépate ‘trillen’, vípra- ‘trillend’; Lets viept ‘omhullen’; bij de wortel pie. *ueip- ‘gaan slingeren’ (LIV 671). De -p- in pgm. *waipō(n)-, en vandaar in de andere woordstammen, kan door de wet van Kluge zijn ontstaan uit pie. *uoip-nó-, of vanuit het frequentatief wippen naar het sterke werkwoord zijn verspreid (Kroonen 2009: 15).
De betekenis ‘sluier’ is verouderd, maar nog herkenbaar in de afleiding onbewimpeld ‘openhartig’ (eigenlijk ‘zonder sluier’) [1733; iWNT leeren I].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wimpel* [vaan] {wimpel(e), wempel [sluier, hoofddoek, banier] 1340-1350} oudsaksisch wimpal, oudhoogduits winfila, oudengels wimpel, oudnoors vimpill [hoofddoek, sluier]; het woord is een genasaleerde variant van oudhoogduits weif [band], oudnoors veipr [hoofddoek], gotisch waips [krans], van middelnederlands weiven, weven, wiven [zwaaien, heen en weer bewegen], middelhoogduits weifen, oudnoors váfa [zweven, in de lucht hangen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wimpel znw. m., mnl. wimpel, winpel m. ‘doek, sluier, hoofddoek, vaan, wimpel’, os. wimpal m., ohd. wimpila ‘theristrum’, winfilun ‘flammea; vincula’, mhd. wimpel, winpel m. v. ‘doek, sluier, vaan, wimpel’, oe. wimpel, winpel m. ‘doek, schouderdoek’ (ne. wimple; uit het oe. on. vimpill ‘hoofddoek’). Uit het leenwoord ofra. guimple (fra. guimpe) ‘borstdoek; nonnensluier’ blijkt dat ofrank. deze bet. reeds had. Dat veroorlooft aan te knopen aan ohd. weif ‘band’, on. veipr m. ‘hoofddoek’, got. waips ‘krans’, vgl. ook nnl. dial. (waas) wijp ‘huif van een kar’, vgl. verder mhd. weifen ‘zwaaien, haspelen’, nnoorw. veipa ‘wikkelen’ en abl. mnd. wīpen ‘slingeren’, mhd. wīfen ‘zwaaien, winden’, got. weipan ‘bekransen’. — lat. vibro ‘sidderen’, lett. viêbtiês ‘zich draaien’ (IEW 1132). — Zie ook: wippen. — In de bet. van ‘vlag aan de masttop’ is ne. wimple later uit het nl. overgenomen, vgl. Bense 586.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wimpel znw., mnl. wimpel, winpel m. “doek, sluier, hoofddoek, vaan, wimpel”. = mhd. wimpel, winpel m. v. “id.”, ohd. wimpila v. “theristrum”, winfilun “flammea” en “vincula”, os. wimpal m. “theristrum”, ags. wimpel, winpel m. “doek, schouderdoek” (eng. wimple), on. vimpill m. “hoofddoek, sluier”. Wellicht uit w.- en ngerm. *wind-paxla-: ’t eerste lid bij winden; ’t tweede is onverklaard: de combinatie met pellen I bevredigt niet. Ook is wimpel van een genasaleerde basis naast germ. wī̆p- (zie wippen) afgeleid: wegens de geciteerde vormen met n en hd. f weinig aannemelijk. Uit ’t Germ. ofr. guimple “nonnensluier” (fr. guimpe) zie gimp).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wimpel. Dat het tweede lid ontleend zou zijn aan mlat. pallium (= ‘sluier’ blijkens de ier. ontl. caille: Kluge PBB. 43, 148 vlg.), is weinig aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wimpel m., Mnl. id. = sluier, Os. wimpal + Ohd. wimpal (Mhd. wimpel, Nhd. id.), Ags. id. (Eng. wimple), On. vimpill (Zw. en De. vimpel): misschien uit wind-pel- bij winden (het tweede lid is onverklaard). Uit het Germ. komt Fr. guimpe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wumpel, zn.: windwijzer. Door klinkerronding voor mp uit wimpel ‘vaantje’. Vgl. Ndl. weervaan.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wimpel 1 (DB), wompel (DB: B), zn. m.: bef, borstdoek (van nonnen). Mnl. wimpel ‘sluier, hoofddoek’, Vroegnnl. wimpeldoeck ‘velum, velamen, peplum’ (Kiliaan). Os. wimpal, Ohd. wimphïla, wimpila, Mhd. wimpel, Mnd. wimpel, wumpel, Oe. wimpel, winpel ‘schouderdoek’, E. wimple ‘nonnensluier’, On. vimpill ‘hoofddoek, sluier’. De var. wompel door ronding van de i na de bilabiale w. Idg. *ṷimb-, genasaleerde nultrap van Idg. *ṷeib ‘draaien’, b.v. ook in Ohd. weif’band’, On. veipr ‘hoofddoek’, Got. waips ‘krans’, Mnl. weiven, weven, wiven ‘zwaaien’, Mhd. weifen ‘zwaaien’. De grondbet. is dus ‘om het hoofd gewikkelde doek’. De Ndl. bet. ‘vaan’ is een afgeleide betekenis. Fr. guimpe ‘bef, nonnenkap’ is ontwikkeld uit wimpel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wimpel: lang, smal vlaggie; Ndl. wimpel (Mnl. en Mhd. wimpel/winpel), Eng. wimple, eerste lid wsk. verb. m. Ndl. winden, Afr. wen III, maar herk. origens onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wimpel ‘(verouderd) spijkerboor’ -> Engels gimlet ‘fretboor’ <via Frans>; Frans vilebrequin ‘zwengelboor; krukas’; Frans gibelet ‘kleine tabboor om een gat te maken in een fust’; Italiaans girabacchino ‘zwengelboor’ <via Frans>; Spaans berbiquí ‘omslagboor, zwengelboor’ <via Frans>; Portugees virabrequim ‘krukas’ <via Frans>; Baskisch ginbalet ‘fretboor’ <via Frans>; Bretons gwimeled ‘kleine boor’ <via Frans>.

wimpel ‘lange smalle vlag’ -> Deens vimpel ‘lange smalle vlag’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors vimpel ‘lange smalle vlag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vimpel ‘lange smalle vlag’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins wimpeli, vimppeli ‘lange smalle vlag’ <via Zweeds>; Frans guimpe ‘bef, kap’ Frankisch; Bretons gwimpl ‘kap’ <via Frans>; Pools wimpel ‘lange smalle vlag’; Russisch výmpel ‘smalle, lange scheepsvlag’; Bulgaars vimpel ‘vlag op een oorlogsboot waaraan nationaliteit te herkennen is’ <via Russisch>; Oekraïens výmpel ‘smalle, lange scheepsvlag’ <via Russisch>; Wit-Russisch výmpel ‘smalle, lange scheepsvlag’ <via Russisch>; Azeri vimpel ‘vlag op een oorlogsboot’ <via Russisch>; Lets vimpelis ‘lange smalle vlag’; Litouws vimpelas ‘smalle, lange scheepsvlag’ (uit Nederlands of Duits); Esperanto vimplo ‘lange smalle vlag’ <via Russisch>; Ambons-Maleis † wimpel ‘onderscheidingsteken van de regenten’; Papiaments wempel ‘lange smalle vlag’; Sranantongo wempa ‘lange smalle vlag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wimpel* lange smalle vlag 1140 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2424. Met vlag en wimpel,

in de uitdrukking iets met vlag en wimpel winnen, d.i. glansrijk winnen; eig. met behoud van vlag en wimpel. Zie Van Eijk I, 146; Van Lennep, 246. Ook in vrijer gebruik, waar sprake is van voorstellen in eene vergadering en examens; vgl. Nw. School III, 292: Hij zou d'r óók door (een examen) - en niet op het kantje - maar met vlag en wimpel; Het Volk, 25 April 1914 p. 1 k. 3: Welnu, de opcenten gingen er met vlag en wimpel door; De Vrijheid, 2 Maart 1924 1ste bl. p. 3 k. 1: Als de hoofdzaak nu met vlag en wimpel keldert; A. Kuyper, Wat moeten wij doen, bl. 22: Ge haalt de verfoeilijke knoeierijen der politieke verkiezingen met vlag en wimpel onze kerk binnen; fri. mei flagge en wimpel; fr. réussir à pleines voiles; eng. to come off with flying colours, overwinnen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯eip-, u̯eib- ‘drehen; sich drehend, schwingend bewegen’

1. u̯eip-: Ai. vḗpatē, -ti ‘regt sich, zittert’, vēpáyati, vipáyati ‘macht zittern’, vípra- ‘erregt, begeistert’, vip- wenn ‘Rute, Gerte’, vipātha- m. ‘eine Art Pfeil’ (vgl. tela vibrāre); av. vip- ‘werfen, entsenden (Samen)’;
cymr. gwisgi ‘unruhig, reif’ (von Nüssen) aus *u̯ip-skī-mo-?;
got. biwaibjan ‘umwinden’, ahd. ziweibjan ‘zerstreuen’; aisl. veifa ‘in schwingender, zitternder Bewegung sein, schleudern, schlingen, umwickeln’, ags. wǣfan ‘bekleiden’; ahd. weibōn ‘schwanken, schweben, unstet sein’; aisl. vīfa ‘umhüllen’, nisl. vífla ‘verwirren’, vīfl ‘Klöptel’; ags. wifel, wifer ‘Pfeil, Wurfpfeil’ (: ai. vipātha-); dazu wāfian ‘vor Staunen erstarren’, wǣfer-hūs ‘Theater’; vielleicht ahd. wīb, as. ags. wīf, aisl. vīf n. ‘Weib, Gattin’ als ‘die verhüllte Braut’; vgl. dagegen Tavernier-Vereecken RB Ph H 32, 97 f.;
apr. wipis ‘Ast’, lett. viepe ‘Decke, Hülle der Weiher’, viepl’is ‘Verkleidung, Maske’, viept ‘verhüllen’, wīpnuot ‘lächeln (das Gesicht verdrehen)’, u. dgl.; lit. atvìpti ‘herabhangen, von Fetzen, Lippen’, vaipýtis ‘das Maul verziehen, gaffen’, vypsaũ, -óti ‘mit offenem Munde dastehen, gaffen’; (mit balt. aus ē[i]:) lit. vė̃ptis ‘den Mund verziehen’, vėplỹs ‘Gaffer’, lett. vēplis ‘Maulaffe, Lümmel’ usw.; mit sekundärem Ablaut a (: ě) dazu lit. vamplỹs, vamplė̃ ‘jemand, der mit offenem Munde dasteht, dummer Mensch’, vampsaũ, -óti ‘mit offenem Munde dastehen’.
2. u̯eib-, u̯i-m-b-:
Gr. γίμβαναι· ζεύγανα Hes., ἴμψας· ζεύξας. Θετταλοί, ῎Iμψιος· Ποσειδῶν ὁ ζύγιος Hes. (auch wohl ἰψόν· τὸν κισσόν Hes.);
lat. vibrō, -āre ‘in zitternde, schwingende Bewegung setzen, sich zitternd bewegen’; vībix, -īcis (in Glossen auch vipex, vimex) ‘Strieme, Schwiele von Schlägen’; vgl. unten lett. vībele;
vielleicht mir. femm ‘Schwanz, Stengel, Seetang’, femman ‘Seetang’, cymr. gwymon, bret. gwemon, goumon ds. (*u̯imb-, vgl. ags. wimpel), O’Rahilly Ériu 13, 162 ff., anders Thurneysen KZ 48, 67;
got. weipan (st. V.) ‘bekränzen’, wipja ‘Kranz’; aisl. veipr ‘Kopfbinde, Kopftuch’, veipa ‘weibliche Kopftracht’, norw. dial. veipa ‘wickeln, eine Peitsche schwingen’, ahd. weif ‘Binde, Kopfbinde’, mhd. weifen ‘schwingen, haspeln’, wīfen (st. V.) ‘schwingen, winden’, mnd. wīp ‘Büschel, Wisch’, ags. wīpian ‘abwischen’, norw. vīpa ‘steifer Strohhalm oder steifes Haar, Spelze’, mnd. wīpen ‘schleudern, besprengen’; ahd. wipf ‘Schwung’, mhd. auch wif = holl. wip ds., ahd. wipfil, wiffil ‘Baumwipfel’, nhd. (eig. nd.) mnd. mengl. wippen, mhd. wipfen, wepfen ‘hüpfen’, norw. vippa ‘Wisch, Wedel’, nasaliert ags. wimpel ‘Wimpel, Schleier’, ahd. wimpal ‘Stirntuch, Schleier’;
lett. viebt, viebties ‘sich drehen, verdrehen; das Gesicht verstellen’, lit. vỹbur-iu, -ti und -ioju, -ioti ‘wedeln’; lett. vībele ‘Striemen’.

WP. I 240 ff., WH. II 779 f.; vgl. su̯eip- oben S. 1042.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal