Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wilg - (boom van het geslacht Salix)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wilg zn. ‘boom van het geslacht Salix
Mnl. wilghe in na die sede dat men wilghen poten plegt ‘op de manier waarop men wilgen pleegt te planten’ [1287; VMNW]; vnnl. wilghe, willighe [1599; Kil.], nnl. wilg.
Os. wilgia (mnd. wilge); mhd. wilge; ofri. wilig (nfri. wylch); oe. welig (me. wilwe, welew, ne. willow); alle ‘wilg’, < pgm. *wil(i)giōn-.
Men kan pie. *uelVk- (V = klinker) reconstrueren. Mogelijk is Grieks helíkē ‘kraakwilg’ verwant, maar dit woord kan ook een betekenisuitbreiding zijn van helíkē ‘kronkeling’, dat is afgeleid van héliks ‘kronkeling’.
Een andere Germaanse wortel voor ‘wilg’ is pgm. *sal(V)h-, waaruit mnd. sal(e)wīde ‘waterwilg’; ohd. salaha ‘id.’ (nhd. in Salweide); oe. sealh, salig ‘wilg’ (ne. sallow); on. selja ‘waterwilg’ (nzw. sälg). Het is verwant met de Latijnse boomnaam salix ‘wilg’ < Proto-Italisch *salik- en met Oudiers sail, Welsh helyg < Proto-Keltisch *salik-. Mogelijk is dit een leenwoord uit een voor-Indo-Europese taal in West-Europa.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wilg* [boom] {wilge, willige 1287} middelnederduits wilgia, oudengels wiliga [mand], oudengels welig [wilg] (engels willow), oudsaksisch wilgia; de wilg is zo genoemd omdat de soepele twijgen als bindmateriaal werden gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wilg znw. m., mnl. wilghe, v., os. wilgia v. ‘wilg’, vgl. oe. wilige v. ‘(van wilgetwijgen gevlochten) mand’, afl. van een grondvorm *welaga- in oe. welig m. (ne. (willow). — gr. helíkē ‘wilg’ (vgl. heliks ‘gewonden, spiraal, rank’) oi. válśa-’spruit, twijg’, vallī̆- ‘slingerplant’ van de idg. wt. *u̯el ‘draaien, winden’ (waarvoor zie: walen). — Letten wij op miers fāl m. ‘heining, omheinde ruimte’, kymr. gwawl ‘muur, wal’, dan blijkt het, dat wij de naam van de wilg in verband moeten brengen met het gebruik dat men van de loten maakte voor allerlei vlechtwerk.

De oude verklaring uit welig, die W. de Vries Ts 44, 1925, 193-4 niet geheel verwerpelijk acht, is stellig niet te verkiezen; bij de naamgeving lette men zeker eerder op het praktische gebruik dat men van een boom kon maken, dan op de weligheid van zijn groei. — De boom heeft in de nl. dialecten nog andere namen, zoals in het oosten werf, warf, waarvoor zie: werf 2 en vgl. Stapelkamp NT 39, 1946, 85-6), verder vla. wiede, limb. wie, wiehe, welk woord wijst op het gebruik van de tenen als vlechtmateriaal, vgl. wisse. — In het idg. was er nog de naam, die voortleeft in ohd. sal(a)ha (nhd) salweide), oe. sealh, salig m. (ne. sallow), on. selja, vgl. oiers sail en lat. salix.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wilg znw., mnl. wilghe v. = os. wilgia v. “wilg”. Evenals ags. wilige v. “mand” (oorspr. “van wilgentwijgen gevlochten m.”) een afl. van germ. *welaʒ- of *welaʒa-, waaruit ags. wëlig m. (eng. willow) “wilg”. Dit wordt evenals gr. hélix “gewonden, spiraal, rank, klimop”, helíkē “wilg” (of met idg. s? Vgl. hieronder), oi. válc̣a- “spruit, twijg”, vallī̆- “slingerplant” van een idg. wel- “winden, draaien” afgeleid, dat wsch. met de bij walen besproken basis identisch is. Ook ier. fâl “wand, omheining” en gr. lákhnē (*ϝlakonā), obg. vlasŭ, av. varǝsa- “haar” kunnen hierbij hooren, (wsch. niet oi. vâṭa-”omheinde ruimte”), ook kan lat. vallus “paal” terecht vergeleken zijn, maar daarvoor moeten we dan evenals voor got. walus “stok” van de bet. “rond zijn” der basis wel- uitgaan. Met ’t oog op den spiritus asper van gr. hélix, -íkē is men wel van een basis swel- uitgegaan, waarvan zoowel de hier genoemde woorden met w als ook ohd. sal(a)ha v. (nhd. sal-weide, reeds ohd. samenst.), ags. sealh, salig m. (eng. sallow), on. selja v., ier. sail, lat. salix “wilg” zouden kunnen komen; men vergelijkt dan nog met anlaut sw- kymr. chwel “wending”, ier. des-sel “draaiing naar rechts”, tuath-bil “draaiing naar links”. Zie bij zwalken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wilg v., Mnl. wilghe, Onfra. wilgia + Ags. wilgia = mand; zonder jodsuff. Ags. welig (Eng. willow) = wilg: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wilg s.nw.
Sierlike boom met buigsame takke wat gewoonlik naby water groei.
Uit Ndl. wilg (Mnl. wilge). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. wilg is 'n afleiding van 'n grondvorm wat teruggaan op 'n Indo-Germaanse wortel wat 'draai, wen' beteken, so genoem n.a.v. die boom se buigsame takke wat vir vlegwerk gebruik is.
Eng. willow (750).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Wilg’familie (de), Wilgenfamilie, een bepaalde plantenfamilie (Salicaceae). - Etym.: Genoemd naar de madeirawilg*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

wilg: – wilger-/wilker(boom) – , pln. (spp. Salix, fam. Salicaceae, ook ander Afr. en Eur. soorte, hoewel die sg. vaarlandswilg vlgs. Mar 85, 89 juis nie ’n “wilg” (spp. Salix) is nie, maar spp. Combretum, fam. Combretaceae, v. vaarlands-.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Wilg (schiet), Salix alba
Salix: vindt zijn oorsprong in het woord ‘helix’ oftewel ‘winding’
Alba: de plant of een onderdeel van de plant kan wit-achtig van kleur zijn.
Schietwilg: het gemakkelijk ‘uitschieten’ van deze wilg zodat er knotwilgen ontstaan bracht de naam ‘Schietwilg’. Niet alleen het Latijnse ‘salix’ is verwant met het woord ‘helix’ maar ook het Nederlandse ‘wilg’, begrijpelijk als je ziet dat sinds mensenheugenis wilgentenen worden gebruikt voor vlecht- en bindwerk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wilg* boomsoort 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1397. De lier aan de wilgen hangen,

d.w.z. de poëzie laten varen, zich niet langer met dichten ophouden. De uitdr. is ontleend aan Psalm 137, 2, waar wordt medegedeeld, dat de Israëlieten de harp aan de wilgen (salix babylonica) hingen, tijdens hunne ballingschap in Babylonië; zie Zeeman, 264. In onze uitdr. heeft de lier dus de harp vervangen ‘de vermelding van de harp was voor vrij gebruik te beperkt, want deze past bij de hymne, de lier daarentegen past bij de poëzie in 't algemeen’ (Ndl. Wdb. VIII, 2130). Vgl. no. 1078; eng. to hang one's harp on the willow(-tree); fri. de strykstok oan 'e beam hingje; hy hat syn brân (slagzwaard) oan 'e wân (wand).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut