Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijs - (manier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wijs 1 zn. ‘modus’
Vnnl. wyze [1584; Twe-spraack], wijze [1633; Van Heule], wijs [1649; Kók].
Hetzelfde woord als → wijze ‘manier’, zie aldaar voor de betekenis wijs ‘melodie’ en voor het ontstaan van de betekenisdifferentiatie tussen wijze en wijs. Als taalkundige term is wijs ‘modaliteit van de zin, de verhouding van de inhoud ervan tot de werkelijkheid, d.w.z. of er naar de voorstelling van de spreker sprake is van een werkelijkheid, een wenselijkheid, een bevel enz.’ een leenvertaling van Latijn modus ‘manier’, zie → mode.
Een andere, voor de hand liggende maar niet beklijfde vertaling was vnnl. manier [1568; Radermacher], manier(e) [1625; Van Heule].
aanvoegende wijs ‘conjunctief’. Vnnl. aenvougende wijze [1633; Van Heule], an-voeghende wijs, an-voegher [1649; Kók], aenvoegende wyze [1706; Moonen]. Leenvertaling van Latijn modus coniunctīvus, bij het werkwoord coniungere (verl.deelw. coniunctum) ‘samenvoegen’. De eerste termen wisselden nogal door het zoeken naar een optimale vertaling, zoals samenvoeghingh [1605; Heyns] of ondervouglicke manier [1625; Heule]. De term coniunctivus ‘samenvoegend, verbindend’ duidt op gebruik in afhankelijke (aanvoegende) zinnen. In het Nederlands wordt de term aanvoegende wijs thans ook gebruikt ter aanduiding van vormen die op de vroegere optatief teruggaan, die vrij in hoofdzinnen gebruikt kan worden, waardoor de oorspr. betekenis ‘schikkend’ verloren is gegaan. Tegenwoordig duidt de term de vorm van het werkwoord aan die beoogt niet de werkelijkheid als zodanig aan te geven, maar de werkelijkheid die gewenst of mogelijk is. Daarnaast wordt in de Nederlandse taalkunde ook de internationale term conjunctief gebruikt, die in en m.b.t. andere talen dikwijls te onderscheiden is van de optatief. ♦ aantonende wijs ‘indicatief’. Vnnl. tonende wijze [1633; Van Heule], toóner [1649; Kók] aentoonende wyze [1706; Moonen], aantoonende wijs [1799; Weiland]. Leenvertaling van Latijn modus indicātīvus, bij het werkwoord indicāre (verl.deelw. indicātum) ‘aanwijzen’. De eerste termen wisselden nogal door het zoeken naar een optimale vertaling, zoals verconding [1605; Heyns] of verkondigende maniere [1625; Van Heule]. De aantonende wijs duidt vooral op die vorm en/of gebruikswijze van het werkwoord, die beoogt werkelijke feiten aan te tonen of wijzen. De internationale benaming is nog steeds indicatief. ♦ gebiedende wijs ‘imperatief’. Vnnl. gebiedende manier/werkwoort [1625; Van Heule], gebiedende wijze [1633; Van Heule], Ghe-biedende Wijs [1649; Kók]. Leenvertaling van Latijn (modus) imperātīvus. Vormcategorie van het werkwoord die gebruikt wordt ter uitdrukking van een gebod.
Lit.: Ruijsendaal 1989; Collart 1972

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijs1*, wijze [manier] {wise, wijs [manier, maat, melodie] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits wisa, oudfries, oudengels wīs, oudnoors vīs [wijze], vísa [vers, strofe]; buiten het germ. latijn visus [het zien, voorkomen], grieks eidos, (< ∗weidos) [uiterlijk, vorm, soort], litouws veidas [gelaat], oudindisch vedas- [kennis]; verwant met weten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijze, wijs znw. v., mnl. wîse, wijs v. ‘wijze, manier, melodie’, os. wīsa, wīs v. ‘wijze, manier’, ohd. wīsa, wīs ‘wijze, manier, melodie’ (nhd. weise), ofri. wīs v. ‘wijze, manier’, oe. wīs, wīse v. ‘wijze, manier, toestand, zaak’, on. vīsa ‘vers, strofe’, vīs ‘wijze’ (in uitdr. ǫðru vīs ‘anders’). — Van de idg. wt. *u̯eid (waarvoor zie: weten), vgl. gr. eidos ‘gestalte, voorkomen’, lit. veidas ‘aangezicht’. Men moet uitgaan van de bet. ‘verschijning, uitzien’ (vgl. gr. eídomai ‘verschijnen, schijnen’, lat. videō ‘zien’, visus ‘zien, voorkomen’, kymr. gwydd ‘voorkomen, wijze’) > ‘wijze, manier’ (IEW 1127).

Weinig overtuigend Heinertz SVS Lund 7, 1927, 141-161 bij het ww. wijzen: hij wil dan uitgaan van de bet. ‘toewijzing’ (van een stuk grond) en dan > ‘wijze, manier’. — Uit het germ. zijn ontleend fra. guise, ital. guisa.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijze, wijs znw., mnl. wîse, wijs v. “wijze, manier, melodie”. = ohd. wîsa, wîs v. (nhd. weise) “id.”, os. wîsa, wîs, ofri. wîs v. “wijze, manier”, ags. wîs, wîse v. “id., toestand, zaak”, on. vîsa v. “vers, strophe”. Terecht met weten gecombineerd; we zullen wel van idg. *weid-s-â- “uiterlijk, voorkomen” moeten uitgaan, zich formeel en semantisch in de eerste plaats aansluitend bij gr. eīdos “id.” (formeel = oi. védas- “inzicht, kennis”); vgl. verder vooral obg. vidŭ “id.”, lit. véidas “aangezicht” (formeel = oi. véda- “kennis, veda”), ier. fiad “coram”. — -wijze, -gewijze (in samenst.), reeds mnl. Gaat op mnl. wîse, ghewîse in uitdrr. als dieves (ghe)wîse naast in (eens) dieves (ghe)wîse terug. Dgl. uitdrr. ook mhd. mnd. ofri.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wijze, wijs II. Heinertz Et. St. z. Ahd. 148 vlgg. wil nauwer bij wijzen, dus bij wijs I aansluiten door voor ohd. wîsa enz. een ospr. bet. ‘de toegewezen akker’ aan te nemen: de bet.-ontw. zou dan enigermate met die van aard I te vergelijken zijn. Scherpzinnig, maar niet voldoende gefundeerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijs 1 v. (manier), Mnl. wise, Os. wîsa + Ohd. id. (Mhd. wîse, Nhd. weise), Ags. wíse (Eng. id.), Ofri. wís, On. vísa (Zw., De. vis): een afleid. van denz. wortel (normalen toestand) als weten: Ug. *wîs(s)ô, Idg. *u̯ei̯d-tā', zoodat wijs = kennis. Uit het Germ. komt Fr. guise. Voor de ontwikkeling der bet. vergel. Lat. mens, mentis = 1. (klassiek) verstand, 2. (volkslat.) manier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wijs (zn.) 1. manier van doen 2. melodie; Nuinederlands wyze <1584>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wys II: – wyse – , s.nw., manier; (gram.) modus; Ndl. wijs/wijze (Mnl. wīse/wijs), Hd. weise, Eng. wise, hou verb. m. wys I en weet, asook m. Gr. eidos, “soort; voorkoms”; hierby ook Afr. wysie, “deuntjie, melodie”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wijs (aantonende --) (vert. van Latijn modus indicativus); (aanvoegende --) (vert. van Latijn modus coniunctivus); (gebiedende --) (vert. van Latijn modus imperativus); (onbepaalde --) (vert. van Latijn modus infinitivus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijs ‘manier’ -> Frans guise ‘manier’ Frankisch; Baskisch gisa ‘manier’ ; Papiaments † weis ‘manier’.

wijs ‘melodie’ -> Papiaments weis ‘zangtoon, melodie’.

-wijs ‘achtervoegsel waarmee bijwoorden worden gevormd die betekenen: op de manier van (het in het eerste deel genoemde)’ -> Zweeds -vis ‘achtervoegsel dat een manier aangeeft’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijs* manier 1050 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2577. 's Lands wijs, 's lands eer,

d.w.z. ieder land heeft zijne bijzondere zeden en gewoonten, die men geoorloofd en welvoeglijk acht; vgl. mlat. mutantur mores, quando mutantur honores. Eene spreekwijze, die voorkomt in de Prov. Comm. 452: lands zeede, lands eere, quod terrae mos est hoc terrae semper honos est; Goedthals, 82: lands sede, lands eere, costume vanden lande en is geen schande; on doibt de chose faicte user; Campen, 76: landts wyse Landts eere; Servilius, 208*: des lants wyse is des lants eere; Spieghel, 285: lands wijze, lands eer; Brederoo III, 61, 1465: Lands-wijze zijn landseer; V.d. Venne, 166: Landts zeden, landts reden; zie verder de bij Harrebomée I, 174 a; III, 176 aangehaalde schrijvers; Bebel no. 28 en 522; Gew. Weuw. III, 68; Paffenr. 125; Taalgids V, 145; Wander II, 1765; Ten Doornk. Koolm. III, 562 b; Eckart, 306: so mannig Land, so mannge Wîse, so manngen Kuok, so mange Spîse; fri. lâns wize lans eare; Joos, 167: ieder land heeft zijnen trant; ieder kwartier heeft zijn manier; 168: 's lands wijze, 's lands eer; hd. ländlich, sittlich; fr. autant de pays, autant de guises; eng. as many lands, as many customs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut