Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijk - (stadsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wijk zn. ‘stadsdeel’
Onl. wīk ‘nederzetting’ in vele plaatsnamen, o.a. Meginhardeswich [814-15, kopie 1170-75; Künzel], Euuic ‘Ewijk (Gelderland)’ [855, kopie ca. 900; Künzel], in uilla quondam Dorsteti nunc autem UUik nominata ‘in het dorp dat eens Dorestede maar nu Wijk genoemd wordt’ [948, kopie eind 11e eeuw; Künzel], Barduvich ‘Baardwijk (Noord-Brabant)’ [1136; Künzel]; mnl. inde prochien ende wiken ‘in de parochies en de buurten’ [1336-39; MNW], “Vicus”. Een strate of wijck [1544; iWNT], de wijcken der stadt ‘de wijken van de stad’ [1573; Thes.].
In de oudste betekenis ‘nederzetting, dorp’ is onl. wīk, mnl. wijc ontleend aan Latijn vīcus ‘dorp, gehucht, hoeve, wijk, huizenblok’. Het komt tot en met de 13e eeuw alleen in toponiemen voor. Mnl. wike ‘buurt, stadsdeel’, dus met -e, maar later weer verkort tot vnnl. wijk, is onafhankelijk daarvan ontleend aan middeleeuws Latijn vicus ‘straat’ [1278; Fuchs], dat op hetzelfde klassiek-Latijnse woord teruggaat.
Ook vroeg ontleend in de betekenis ‘gehucht, dorp, stad, woongebied’: os. wīk (mhd. vīc); ohd. wīh (mhd. wīch, terug te vinden in nhd. Weichbild ‘stedelijk rechtsgebied’); ofri. -wīk (nfri. wyk ‘wijk’); oe. wic (ne. vero. (behalve in sommige samenstellingen) wick).
Latijn vīcus is verwant met Latijn vīlla ‘landgoed’ (zie ook → villa), uit resp. pie. *uoiḱos en *ueiḱs-leh2-. Hierbij horen ook, al dan niet ablautend: Gotisch weihs ‘gehucht, dorp’; Grieks oĩkos ‘huis, kamer, vaderstad, vermogen’, Dorisch-Grieks -(w)ikes ‘volksstam’; Sanskrit víś- ‘nederzetting, stam’; Avestisch vīs- ‘nederzetting’; Oudkerkslavisch vĭsĭ ‘id.’ (Tsjechisch ves).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijk1 [stadsdeel] {in de plaatsnaam Euuic, nu Eewijk (Gld.) <855>, wijc 1254} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries wik, oudengels wic, gotisch weihs [gehucht] < latijn vicus [stadswijk, dorp, landgoed]. De huidige betekenis ‘stadswijk’ heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld uit middeleeuws latijn vicus [straat], gebruikt als administratieve term.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijk 1 znw. v. ‘deel van een stad’, mnl. wijc m. ‘deel van een stad, gebied, os. wīk, ohd. wīh m. (vgl. nhd. weichbild), ofri. wīk v., oe. wīc v. o. ‘vlek, stad, woonplaats’, is evenals oiers fich, kymr. gwig een vroege ontlening in Noord-Gallië uit lat. vicus ‘dorp, wijk, woonplaats, hofstede’ (zie Bohnenberger Fschr. Sievers 1925, 139).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijk I (deel eener gemeente), mnl. wijc m. “deel van een stad, gebied”. = ohd. wîh m. (hh; nhd. in weichbild o.), os. wîk (m.?), ofri. wîk v., ags. wîc v. o. “vlek, stad, woonplaats”, in ’t Ofri. speciaal “marktgebied”. Evenals ier. fîch “municipium” uit lat. vîcus “dorp, wijk, woonplaats, hofstede” ontleend. Got. weihs o. “vlek” is hiermee oerverwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijk 1 v. (buurt), Mnl. wijc, Os. wîk, gelijk Ohd. wîch, Ags. wíc (Eng. wick), Ofri. wík, uit Lat. vicum (-us) dorp + Skr. veças, Zend vaēsma, Gr. oĩkos = huis, Oier. fích, Go. weihs, Osl. vĭsĭ = dorp: Idg. wrt. ṷeik̃ = verblijven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wiek (zn.) stadsdeel; Aajdnederlands wik <814-815>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3wyk s.nw.
Afgebakende gedeelte van 'n stad of distrik.
Uit Ndl. wijk (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wyk I: s.nw., afdeling, buurt, gebied, streek; Ndl. wijk (Mnl. wijc), Hd. weich(bild), Got. weihs, “dorp”, hou verb. m. Lat. vicus, “dorp, woonplek, wyk”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wijk (Latijn vicus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijk ‘stadsdeel’ -> Duits dialect Wiek, Wyk ‘stadsdeel (in Emden)’; Frans dialect † wycke ‘stadsdeel’; Indonesisch bék ‘wijkhoofd; district, buurtschap, stadsdeel’; Jakartaans-Maleis † bèk ‘stadsdeel’; Soendanees bek ‘stadsdeel’; Singalees väyikki-ya ‘stadsdeel’; Papiaments † wyk ‘stadsdeel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijk stadsdeel 0855 [Claes] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut