Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijden - (zegenen; geven, besteden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wijden ww. ‘zegenen; geven, besteden’
Onl. wīen ‘zegenen’ in Vuiun sal ‘ik zal zegenen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wiën ‘inwijden’ in [da]t godis hus deder wien ‘hij liet de kerk inzegenen’ [1200; VMNW], wien ‘inwijden, opdragen’ [1240; Bern.], Daer hi dyaken was ghewijt ‘waar hij tot diaken was gewijd’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. sy en moesten die eerst wyen ‘zij moesten die (kerk) eerst inwijden’ [1566; iWNT], Mij wijd' jck tot u dienst ‘ik wijd me aan uw dienst’ [1605; iWNT], omze te laten wijden ‘om ze te laten zegenen’ [1626; iWNT verzoeken].
De klankwettige vorm van dit woord is wijen. De -d- in de huidige vorm is ontstaan door hypercorrectie, wien werd aangevoeld als een geval van d-syncope uit widen, wijden, zoals klankwettig rien < riden, rijden, mien < miden, mijden, lien < liden, lijden; vgl. hypercorrect vlieden i.p.v. vlien; spieden voor spien.
Os. wīhian (mnd. wīen, wigen); ohd. wīhen (nhd. weihen); ofri. wīa (nfri. wije); on. (met afwijkende medeklinker) vígja (nzw. viga ‘wijden; trouwen’); < pgm. *wīhijan- ‘zegenen, heiligen’, (met grammatische wisseling) *wīgijan-.
Het gaat om een afleiding bij het bn. *wīha- ‘heilig’ zoals in: os. ohd. wīh ‘heilig’ (nhd. Weihnacht(en) ‘kerstmis’); oe. wīh in de samenstelling wīgbed ‘altaar’; got. weihs ‘heilig’. Een gesubstantiveerde vorm zit in onl. ‘tempel’ (in UUia [850; Künzel] ‘onbekende plaats bij Echteld, Gelderland’), on. ‘tempel’, os. wīh ‘tempel’. Het is ook het eerste element in → wierook.
Buiten het Germaans wordt het woord vaak verbonden met Latijn victima ‘offer’ en Oudlitouws viešpilas ‘heilige berg’, maar de verdere verbindingen zijn nogal speculatief. Mogelijk moet men met het NEW denken aan een oorspr. betekenis ‘afgescheiden ruimte’ zoals ook tún in het Oudnoords een religieuze betekenis kan hebben, zie → tuin. In dat geval kan het woord behoren bij de wortel pie. *ueik- ‘af-, uitscheiden’ (IEW 1128) of pie. *uei- ‘vlechten, verbinden’ (IEW 1190-91).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijden* [zegenen, besteden] {oudnederlands wiun 901-1000, middelnederlands wien [zegenen] en, met ingevoegde d, widen 1401-1500} oudhoogduits wihen, oudfries wi(g)a, oudnoors vīgja, gotisch weihan, van oudsaksisch wih-, oudhoogduits wih (hoogduits Weihnachten), gotisch weihs [heilig], oudengels wīh, wich [godenbeeld], oudnoors [tempel, woonoord] (vgl. wierook); van dezelfde stam als weeg [wand] en oorspr. ook in betekenis nauw verwant, waarbij gedacht moet worden aan het heilige gebied van de eredienst, afgesloten voor het volk, zoals ook de klassieke tempel, in tegenstelling (aanvankelijk) tot de kerk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijden ww., mnl. wîden (met hypercorrecte d) uit een ouder wîen, onfrank. wīun, os. wīhian, ohd. wīhen (nhd. weihen), ofri. wīa, wīga, on. vīgia, vgl. ook got. weihan. — Afl. van een bnw. *wīha- ‘heilig’, vgl. os. wīh-, ohd. wīh, got. weihs, gesubstantiveerd in de bet. ‘heiligdom’ in os. wīh m. ‘tempel’, oe. wēoh, wīg m. ‘afgodsbeeld’, on. o. ‘tempel’. Hetzelfde woord vinden wij in nhd. weihnachten ‘kerstmis’, mhd. ze wīhen nahten ‘in de heilige nachten’ en in wierook.

Men vergelijkt gewoonlijk lat. victima ‘offerdier’, oi. vinakti ‘scheidt, zeeft’ (zo ook Güntert, Ar. Weltkönig u. Heiland 129 en IEW 1128). Maar de idg. wt. *u̯eik ‘uitscheiden’ krijgt eerst een reële betekenis, wanneer men kan vaststellen wat dan afgezonderd wordt. Dit is natuurlijk de heilige plaats, die van de profane wereld afgescheiden wordt en wel gewoonlijk door een omheining (het gebied van Jellinge was met een krans van stenen omgeven, vgl. E. Dyggve, Acta archaeologica 13, 1942, 65-99). Dan is dus het woord *wīha eig. ‘een omheind gebied’ en men kan aanknopen aan de idg. wt. *u̯ei ‘binden, vlechten’ (waarvoor zie weegluis). Van een andere zijde was reeds W. Krause ZfdA 64, 1927, 269 tot deze afleiding gekomen, die aanvoert de woorden lat. vinciō ‘binden’, vinculum ‘boei’; hij verbindt hier ook mee de naam Vingþōrr voor de god Thor en denkt aan een bet. ‘de god die bindende krachten uitoefent’. Ook hier moet men denken aan het begrip ‘heilig’. — Naast de idg. wt. *u̯eik stond nog *u̯eiḱ in on. o. ‘huis, woning’, got. weihs ‘dorp’ te vergelijken met lat. vicus ‘dorp, wijk, woonplaats’, gr. oíkos ‘huis’, osl. vĭsĭ ‘dorp’, oe. viś-, vēśa ‘huis’; hier echter moet men uitgaan van het vlechtwerk van de huiswand.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijden ww., mnl. reeds wîden. Met jongere d (vgl. belijden, bevrijden, geschieden) naast ouder wîen = onfr. wîun, ohd. wîhen (nhd. weihen), os. wîhian, ofri. wîa, wîga, on. vîgia “wijden”. Evenals got. weihan “id.” bij germ. *wîχa- (*wîʒa-) “heilig”, got. weihs, ohd. wîh, os. wîh- (in afl. en samenst.), gesubstantiveerd in os. wîh m. “tempel”, ags. wêoh, wîg m. “afgodsbeeld”, on. o. “tempel”. Hierbij samenstt. als ags. wîgbed, wêofod o. “altaar” en ndl. wierook, mnl. wierooc, ohd. wîhrouh (nhd. weihrauch), os. (h)rôk m. “wierook”, oorspr. “heilige rook, heilig reukwerk”; nhd. weihnachten “Kerstmis”, reeds mhd. wînahten ontstond uit mhd. ze wîhen nahten “in de heilige nachten”. Oorsprong onzeker. Men combineert wel lat. *victis, *victus “heiliging”, waarvan victima “offerdier” wordt afgeleid; “heiligen” wordt dan verder uit “afzonderen” verklaard en men brengt al deze woorden bij oi. vinákti “hij scheidt, zeeft”: hoogst onzeker. Met idg. g vergelijkt men nog umbr. eveietu “voveto, eligito”. Met ’t oog op oude germ. en slav. gebruiken, waarbij het offer aan een boom wordt opgehangen, is de verklaring van germ. *wîχa- “heilig” als “opgehangen” en de combinatie met obg. visěti “hangen”, ksl. věsiti “wegen” beachtenswaard (ook umbr. eveietu event. hierbij). De combinatie van onze woordgroep met got. weihan “strijden” enz. (zie weigeren) is semantisch onaannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wijden. Over de d zie bij be1ijden Suppl.
Het eerste lid van wierook zou ook als znw. zijn op te vatten (ospr. ‘tempel-, altaarreukwerk’: Kluge MLN. 38, 278), maar waarschijnlijk is dit niet, temeer daar het woord een ospr. zuid-duitse vorming is (zie het laatst Frings Germ. Rom. 22 vlg.), die in het Noorden is overgenomen, en juist uit het Ohd. de substantivische bet. van wîh niet bekend is. Het Ags. heeft voor ‘wierook’ rîecels, rêcels (o.? m.?), waarnaar on. reykelsi o.
De combinatie met lat. victima ‘offerdier’, oi. vinákti ‘hij scheidt, zeeft’, die o.a. door Güntert Ar. Weltk. u. Heil. 129 zonder aarzelen wordt aanvaard, verdient meer waardering dan er in het art. aan ten deel valt. Zij is in ieder geval niet minder aannemelijk dan de als ‘beachtenswaard’ vermelde verklaring van germ. *wîχa- als ‘opgehangen’, en beter dan de vage combinatie — opnieuw door Krause ZsfdA. 64, 269 vlgg. verdedigd — met lat. vincio ‘ik bind’, oi. páḍ-viṁça-, páḍ-vîça- ‘voetboei’: ospr. bet. ‘(religieus) gebonden’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijden o.w. (inzegenen), Mnl. widen, met epenthet. d uit wijen (vergel. belijden), wien, Onfra. wîun, Os. wîhian + Ohd. wîhen (Mhd. id., Nhd. weihen), Ags. wíhian, Ofri. wía, On. vígja (Zw. viga, De. vie), Go. weihan: denomin. van adj. Os. wîh = heilig + Ohd. id., Go. weihs + Lat. victima = godsdienstig offer.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wijden, denom. van het Germ. adj. wiha, Os. wih = heilig, gewijd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijden ‘zegenen’ -> Saramakkaans wéi ‘zegenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijden* zegenen 0901-1000 [WPs]

wijden* besteden 1793 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut