Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijd - (breed, ruim)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wijd bn. ‘breed, ruim’
Onl. wīdo (bw.) ‘wijd, ruim’ in Thin namo is wido gebreydet ‘jouw naam is alom verbreid’ [ca. 1100; Will.], ook als bn. in de combinatie witematehecit ‘snoek van groot formaat’ [1200; ONW]; mnl. wijt ‘wijd, ruim’ [1240; Bern.], breed ende wijd ‘breed en ruim’ [1287; CG I].
Os. wīd (mnd. wide); ohd. wīt (nhd. weit); ofri. wīd (nfri. wiid); oe. wīd (ne. wide); on. víðr (nzw. vid); < pgm. *wīda- ‘wijd’.
Vermoedelijk gaat het woord terug op pie. *ui-h1itó- ‘uiteengegaan’, gevormd uit *ui- ‘uiteen’ en een verl.deelw. *h1i-tó- bij de wortel *h1ei- ‘gaan’ (LIV 232), zie → circuit. Of misschien direct van *h1uei-tó-, een secundaire afleiding van *h1ui- ‘weg’, dat zelf waarschijnlijk uit *dui ‘in tweeën’ is ontstaan.
wijdlopig bn. ‘breedvoerig’. Vnnl. wijdtloopich ‘uitvoerig’ in om veel oude geschiedenissen ... wijdtloopich te verhalen [1509; iWNT], wijd-loopigh ‘uitgestrekt, ruim’ [1599; Kil.], wijdtloopich ‘omslachtig, langdradig’ [1618; iWNT]. Gevormd uit wijd en de stam van → lopen met het achtervoegsel → -ig. Misschien is het woord ontstaan onder invloed van Duits weitläufig ‘uitvoerig’ [16e eeuw; Grimm] uit Middelhoogduits wītlöuftec.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijd* [ruim] {wijt 1201-1250} oudsaksisch, oudfries, oudengels wīd, oudhoogduits wīt, oudnoors vīðr en als 1e element van Vídarr (lett.: de wijd en zijd heersende), de god die na de godendeemstering zal heersen in een verzoende wereld; van een i.-e. stam met de betekenis ‘uit elkaar’, waarvan ook weder(om) stamt (vgl. weder2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wijd bnw., mnl. wijt, os. wīd, ohd. wīt (nhd. weit), ofri. oe. wīd (ne. wide), on. vīðr ‘wijd, ruim, uitgebreid’ < germ. *wīða < idg. *u̯ito-. Hierin ziet men idg. *u̯i ‘uit elkaar’ (waarvoor zie: weder 2), misschien eig. *u̯i-ito, waarvan het 2de lid behoort tot de idg. wt. *ei ‘gaan’ (zie: arbeid), vgl. oi. vītá-’vergaan, vrij van’ (Prellwitz KZ 48, 1918, 154 en IEW 295).

Geheel anders oordeelt J. Trier Lehm 1951, 50 die uitgaat van de idg. wt. *u̯ei ‘binden, vlechten’, waarvoor zie: weegluis. Afl. van deze wt. betekenen ‘vlechtwerk; van takken gevlochten omheining’, dan ook ‘de daardoor omheinde ruimte’, in het bijzonder die van de dingvergadering. De uitgestrektheid daarvan zou dan door het woord wijd aangeduid zijn. Een zelfde hypothetische verklaring dus als bij breed vermeld is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijd bnw., mnl. wijt (d). = ohd. wît (nhd. weit), os. ofri. ags. wîd (eng. wide), on. vîðr “wijd, ruim, uitgebreid”, germ. *wîða-. Wsch. uit idg. *wî-tó-, van *wî- “uiteen” (zie weder II). De identificeering van wijd met oi. vîtá- “rechtlijnig”, waarvan vîtâ- “rij”, is semantisch veel minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wijd. Het is mogelijk, maar niet noodzakelijk, idg. *wî-tó- te ontleden als *wi- (zie bij weder II.) + *itó-, partic. bij *ei- ‘gaan’ (zie arbeid). Het germ. woord zou dan — met ospr. bet. ‘uiteengegaan’ — identisch zijn met oi. vîta- ‘vergaan, geweken, vrij van’ (in samenst.). Prellwitz KZ. 48, 154.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wijd bijv., Mnl. wijt, Os. wîd + Ohd. wît (Mhd. id., Nhd. weit), Ags. wíd (Eng. wide), Ofri wíd, On. víđr (Zw. en De. vid): een vorming van den wortel van weder 3. Voor wijd en zijd, z. zijd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wied (bijw.) 1. ver 2. ruim; Vreugmiddelnederlands wido <1200>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wied, bn.: wijd, ver. Uit de grondbetekenis ‘uit elkaar’ ontwikkelde zich de bet. ‘ver’. Vgl. D. weit ‘ver’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wijd, bn.: ver. Uit de grondbetekenis ‘uit elkaar’ ontwikkelde zich de bet. ‘ruim’, maar ook ‘ver’. Vgl. D. weit. Samenst. wonderwijd ‘zeer ver’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wyd b.nw.
Breed, ruim, na alle kante uitgestrek.
Uit Ndl. wijd (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. weit (9de eeu), Eng. wide (900).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wyd: breed, ruim, uitgestrek; Ndl. wijd (Mnl. wijt), Hd. weit, Eng. wide, hoofs. Germ. en herk. hoërop onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijd ‘ruim’ -> Negerhollands wiet, wit, wied ‘ruim’.

wijd en zijd ‘naar alle kanten’ -> Duits dialect wit zu tsit, wits en tsits, witts en sitts, wije en zije, widen on ziden ‘naar alle kanten’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wijd* ruim 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2510. Wage(n)wijd open,

d.w.z. geheel open; eig. zoo wijd, dat er een wagen door kan?; vgl. hd. dial. wagenweit offen. Somtijds ook: Wijdewaag, wijgewaad, wijdwagen, wijd en waag (vgl. Zwitsersch: wit und wagen offen); zie Bouman, 115; Molema, 472 a, i.v. wiedwoagen, waar gewezen wordt op ‘brekespel’ naast ‘spelbreker’ en razeil, Deensch ‘seilra’, enz.; en bl. 578, waar vergeleken wordt Geld. wiedwage (zie Gallée, 53 a: wîd wage en Onze Volkstaal I, 160 a: wid wage lös), Zeel. wiëwaege, Den Haag: weigewaad; Opprel, 89 a: wijdwage; Maastricht: wiegel-wagel; fri. waech (wage-)wiid; wide-waech; wiid-en-waech iepenVolgens het Fri. Wdb. III, 395: Zoo wijd als de waech (zijmuur) lang is. De schout kon den zijmuur van een huis laten afbreken, als iemand, die van diefstal beticht was, dit ontkende en zijn huis gesloten hield.; vgl. Halma, 785: De deur stond wagen-wijd open, la porte étoit autant ouverte qu'elle peut l'être, étoit ouverte à gueule bée. Volgens Schuermans, 533 en De Bo, 939 zegt men in Vlaanderen: rek(ke)wijd open (Volkskunde XIV, 145) naast gapewijd en wage(n)wijd; afrik. iets wawijd oopsit. Let men op het mhd. vensterwît, vletzewît naast wagenwît; op het Zwitsersche wandoffen, sperrwand offen, so dasz durch weites Oeffnen von Tür und Fenstern gleichsam die ganze Wand geöffnet ist; windoffen, so offen dasz der Wind durchziehen kann; kuewitoffen, so dasz eine Kuh bequem hindurchgehen kann, dan moet ons wagenwijd zeker verklaard worden, als zoo wijd, dat er een wagen door kan (Deutsche Wortforschung V, 247). Vgl. een mond als een hooischuur of een schuurdeur, en dergelijke; hd. sperreweit, sperrangelweit.

2571. Wijd en zijd,

d.w.z. naar alle kanten, overal; mnl. wide ende side; mnd. wît unde sît, wîde unde sîde; ags. wîde ond sîde, waarin zijd het bijw. is van een bijv. naamw. zijd, ags. sîd, dat de bet. van wijd, ruim heeft gehad, zoodat de uitdr. te vergelijken is met het hd. weit und breit; Kil. wijd ende breed, laxus, latus, late patens. Wijd ende breed ver-breydt, late longeque diffusus, multis in locis diffeminatus. Zie verder Tijdschrift VIII, 29-32 en vgl. de kantt. op I Kron. 13 vs. 3: Wijts ende zijts aen alle plaetsen in Israël uytsenden; Hooft, Ger. v. Velzen, 15: Dieren die wijd en t'zijd te weyde gaen; Brederoo I, 344, vs. 1183: Wy sullen voorts te saam wat praten wijt en sijdt (over allerlei); De Brune, Bank. II, 128: wijds en zijds; Halma, 785: Wijd en zijd, overal, van alle kanten, de toutes parts, par-tout; 't volk quam wijd en zijd aan, le peuple accourut de toutes parts; Joos, 51; 64: iets wijd en breed uiteendoen; De Bo, 1399: wijd en zijd; wijds en zijds; Antw. van woest en wijd (Antw. Idiot. 1456); eng. far and wide; nd. he is sît un wît bekannt (Eckart, 484); fri. wiid en siid.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal