Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wij - (voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wij vnw. 1e pers. mv.
Onl. wi ‘wij’ in Uui lithon thuro fuir in thuro uuathir ‘wij gingen door vuur en door water’ [10e eeuw; W.Ps.], naast veelvuldig de oostelijke vorm wir; mnl. wi, wij in al went wi alle síjn geuaen ‘totdat we allen zijn gevangen’ [1220-40; VMNW], we [1240; Bern.], wij scepenen [1266-67; CG I].
Os. , (mnd. , , wie); ohd. wir (nhd. wir); ofri. (nfri. wy); oe. (ne. we); on. vér (nzw. vi); got. weis; < pgm. *wīz.
Verwant met: Sanskrit vayám-; Avestisch vaēm Tochaars A/B was/wes; Hittitisch wēs; < pie. *uei- (IEW 1114).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wij* [pers. vnw.] {oudnederlands, middelnederlands wi 901-1000} oudsaksisch, oudfries wi, oudhoogduits wir, oudengels we, oudnoors vér, gotisch weis; buiten het germ. oudkerkslavisch , litouws (dial.) vedu [wij tweeën] (een dualis evenals oudnoors vit, gotisch wit), tochaars A was, tochaars B wes, hettitisch wēs, oudperzisch vaēm, oudindisch vayam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wij vnw., mnl. wī̆ onfrank. wī̆, wir, os. wī̆, ohd. nhd. wir, ofri. wī̆, oe. (ne. we), on. vēr, got. weis. — De germ. grondvorm is *wīz is met pluraal-s gevormd (vgl. ook toch. A was, B wes) bij de stam *u̯ei in oi. vayam, av. vaēm.

Een dualis-vorm is os. ofr. oel. got. wit, on. vit, die verklaard wordt uit *we-dwo (Trautmann Germ. Lautges. 1906, 67), terwijl lit. vedù < *we-dwō; hierin zou het 2de lid dus het woord ‘twee’ zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wij vnw., mnl. wī̆. = onfr. wī̆, wir ohd. (nhd.) wir, os. ofri. wī̆, ags. wē̆ (eng. we), on. vêr, got. weis “wij”. De stam *wi-, *wei- ook in oi. vayám, av. vaêm “wij”, de kortere stam *we- in den dualis got. os. ags. wit, on. vit, lit. vèdu “wij beiden”; hiernaast obg. “id.”. Vgl. ons II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wij 1 voornw., Mnl. wi, Onfra., Os. wī̆ + Ohd. wir (Mhd. en Nhd. id). Ags. wē̆ (Eng. id.), Ofri wī̆, On. vér (Zw. en De. vi), Go. weis + Skr. vayam, Av. vaēm, Osl. , Lit. ve-du (= Os., Ags., Go. wit = wij beiden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veer (pers. vnw.) wij; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vair < Duits wir.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

veer, pers. vnw.: wij. D. wir, Ohd., Mhd. wir, On. vêr, Got. weis. Daarnaast zonder r Os. , Mnd. wê, wî, Mnl. , Ndl. wij, E. we. Germ. *wîz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wij ‘persoonlijk voornaamwoord’ -> Indonesisch † wéi ‘wij (vooral gebruikt voor het majesteitsmeervoud)’; Chinees-Maleis wèy ‘persoonlijk voornaamwoord’; Negerhollands wellie ‘persoonlijk voornaamwoord’; Sranantongo wi ‘persoonlijk voornaamwoord’ (uit Nederlands of Engels).

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

Volgens de woordenboeken zijn in het verleden in het Indonesisch ook enkele Nederlandse voornaamwoorden overgenomen, maar in het dagelijkse taalgebruik is daarvan niets meer te merken. Zo bevatten de moderne Indonesische woordenboeken het voornaamwoord ik, ikke als ingang, van het Nederlandse ik, en in oudere woordenboeken was ook wéi te vinden voor het Nederlandse wij - misschien vooral gebruikt voor het zogenoemde koninklijke meervoud of majesteitsmeervoud, waarmee een vorst of hoogwaardigheidsbekleder over zichzelf spreekt: 'Wij Willem, bij de gratie Gods.' Inmiddels is het woord wéi uit de Indonesische woordenboeken verdwenen.

Datzelfde lot heeft u ondergaan, ooit incidenteel gebruikt als beleefde aanspreekvorm in het Indonesisch. Met u werden vooral niet-Indonesiërs aangesproken, terwijl Indonesiërs of zich aanpassende vreemdelingen aangesproken werden met inheemse voornaamwoorden of aanspreektitels. Vanaf ongeveer 1945 werd u vervangen door het Engelse you, bijvoorbeeld berapa you mau bayar? 'hoeveel wil je / wilt u ervoor betalen?' Maar you wordt steeds minder vaak gebruikt, omdat men het waarschijnlijk te grof vindt. Van bovenaf werd na 1945 het gebruik van het woord anda (uit het Sanskriet) opgelegd. Aanvankelijk werd dit alleen in formele schrijftaal en formele toespraken gebruikt, bijvoorbeeld door Soekarno, maar al snel kwam het ook voor in advertenties en dergelijke. Het woord breidt zich tevens uit in de formele spreektaal, maar - zoals bij alle persoonlijke voornaamwoorden - is het gebruik van verwantschapsnamen of functienamen gewoner (zie oom).

De onderwijzer in Indië Prick van Wely vermeldde in 1906 dat u in het Ambonees werd gebruikt: 'Met dit persoonlijk voornaamwoord spreken de zogenaamde "mĕnēr-mĕnēr" elkaar aan, doch gebruiken het in alle naamvallen. Bijv. begimana u boleh bilang ['hoe wilt u zeggen...'], beta sēn kasi akan par u ['ik ga [dit] niet aan u geven'].' In de recente lijst van Nederlandse leenwoorden in het Ambonees van Don van Minde komt het woord niet meer voor; het wordt alleen nog wel eens door oude mensen gebruikt.

U komt nog wél voor in een andere taal, namelijk het Afrikaans. Het Afrikaans, dat een dochtertaal van het Nederlands is, gaat terug op het zeventiende-eeuwse Hollands. Een deel van de Afrikaanse woordenschat is dan ook meegebracht door de eerste Nederlanders, die zich vanaf 1652 in Zuid-Afrika vestigden. Maar dat geldt niet voor het voornaamwoord u. Dit is namelijk pas later in het Nederlands in gebruik gekomen: het voornaamwoord u is voor het eerst in 1599 opgetekend, en het kwam in de zeventiende eeuw slechts zelden voor. Het is waarschijnlijk ontstaan uit de beleefde aanspreekvorm Uw Edelheid of UEdele, die tot UE en Uwé werd verkort en vervolgens als Uwe, met de klemtoon op de u, werd uitgesproken, waarna uwe werd verkort tot u. Pas in de loop van de negentiende eeuw werd u algemeen als beleefde aanspreekvorm gebruikt - lang nadat het Afrikaans was ontstaan. Dat betekent dat het voornaamwoord u in het Afrikaans niet meegenomen is door de eerste Nederlanders, maar in een latere periode, in de negentiende eeuw, door het Afrikaans uit het Nederlands is geleend. Dat het een vreemde eend in de Afrikaanse bijt is, blijkt ook uit het feit dat de beleefde aanspreekvorm u in het Afrikaans maar zelden wordt gebruikt. Men geeft de voorkeur aan een omschrijving, zoals ken oom hierdie plek?, wat ongeveer betekent '(meneer,) kent u deze plaats?' (zie oom).

Tot slot wijst de neerlandicus Jan de Vries op het interessante feit dat het Indonesische voornaamwoord meréka 'zij', waarmee men in het verleden alleen naar mensen verwees, onder invloed van het Nederlandse voornaamwoord zij, ze in de twintigste eeuw een functie-uitbreiding heeft gekregen: tegenwoordig verwijst men er ook mee naar zaken. Dat komt doordat tweetalige Indonesiërs, die in het Nederlands met het voornaamwoord zij, ze zowel naar personen als naar zaken verwezen, die mogelijkheid overnamen als ze in het Indonesisch het voornaamwoord meréka gebruikten.

Het overnemen van voornaamwoorden wijst op zeer nauw taalcontact en op een omvangrijke groep tweetalige sprekers. Wanneer het taalcontact minder wordt, kunnen de geleende voornaamwoorden ook weer uit de taal verdwijnen, zo bewijst de ontwikkeling in het Indonesisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wij* persoonlijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯ē̆-1 ‘wir’ (Dual), u̯ei- (Plural)

Nom. 1. Dual ai. vā́m (= vā-am, idg. *-om), av. , got. wit, aisl. vit, ags. wit, aksl. vě, lit. vè-du (*u̯e-du̯ō) ‘wir beide’;
Nom. 1. Pl. ai. vay-ám, av. vaēm (idg. *-om), got. weis, ahd. wir, aisl. vēr, ags. wē̆ usw., hitt. u̯ēs (*u̯ei̯-es), toch. В wes, A was ‘wir’.

WP. I 220, Trautmann 344, Vasmer 1, 175 f., Liebert, Idg. Personalpron. 102 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal