Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wig - (keg, keil, broodje)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wegge zn. ‘brood’
Middelnederlands wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1477), boterwegghe ‘met boter gebakken tarwebrood’ (1450-1470), weggenbacker ‘bakker van wigvormig brood’ (1369). Nieuwnl. wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1532-1536), wegh (1613), wek (1709); vandaar wegge voor ‘koek’ (1576) en ‘los brood(je)’ (1836) in het algemeen en in samenstellingen als kerstwegge en krentenwegge.
wig zn. ‘keil’
Mnl. wegge ‘wig’ (1390-1410), opwigghen ‘met een wig openbreken (1491-1500), Nnl. wegghe ‘wig, spie, spits voorwerp’ (1521), wigghe (1567), wickge (1658), wig (1842). Bij Kiliaan (1599) gelden wegghe en wigghe als gelijkwaardige varianten, maar de e-vormen worden in de schrijftaal na 1600 opgegeven ten gunste van wig.
In moderne dialecten: West- en Oost-Vlaanderen wegge ‘wig’, Noord-Holland weg ‘wig’ (naast wig), in Drente en Overijssel wigge ‘wig’ maar wegge(n) ‘tarwebrood, wittebrood’, dat laatste ook in Groningen. Verder in Noord-Limburg weg, in Midden- en Zuid-Limburg wek ‘(witte)brood’. Afgeleid van ‘brood’ of ‘koek’ is Zeeuws-Vlaanms wekke, Noord-Brabants weg ‘stukje boter, klomp boter’.
Verwante vormen: Oudfries wegge, wigge (Snitser Recesboeken), Nieuwfries wich, wigge ‘wittebrood’, Oudsaksisch weggi en wecg m. ‘wig’, Middelnederduits wegge, sporadisch ook wigge ‘brood’; Oudhoogduits weggi ‘wig’, Middelhd. wecke, wegge ‘wig; brood’, Mohd. Weck(en) ‘brood’; Oudengels wecg, MoE wedge ‘wig’, Oudnoors veggr ‘wig’, alle uit Proto-Germaans *wagja- m. Voor mogelijke verwanten van dit woord, zie Kroonen 2013: 565.
De voortzetting van *wa- met umlaut door Nnl. wi- is niet regelmatig, zodat sommige woordenboeken voor wigge een aparte Germaanse ablautvariant *wegja- reconstrueren. Maar mijns inziens lijdt het geen twijfel dat wigge een intern-Nederlands-Nederduitse nevenvorm van wegge is. Dat blijkt al uit het feit dat wegge ook de oudste vorm is van de betekenis ‘wig’, en de e-vormen bij ‘wig’ ook in moderne dialecten van Vlaanderen en Holland aangetroffen worden. Bovendien wijzen alle andere Germaanse talen, oud en modern, enkel op *wagja-. Er moeten dus dialecten zijn geweest waarin wegge tot wigge werd, waarna in de standaardtaal betekenisspecialisatie plaats heeft gevonden: wegge voor ‘brood’, wigge voor elk ander ‘wigvormig voorwerp’. In welke dialecten en onder welke voorwaarden wi- ontstond (vanwege w-? vergelijk 13e- en 14e eeuws wilk voor welk vooral in Holland en Zeeland) zou nader onderzoek moeten uitwijzen.
Literatuur: Jobse-van Putten, Josien. 1980. “’n Brood is ginnen stoeten.” Taalgeografisch onderzoek naar broodnamen in Nederland, p. 55-57, 87-92 en 143 (dialectkaart).
[Gepubliceerd op 07-09-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weg3*, wegge [broodje] {wegge, wigge [stuk brood, ook: wig] 1369} middelnederduits wegge [idem], oudsaksisch weggi [wig], oudhoogduits weggi [wig, stuk brood]; de betekenis is dus: wigvormig (stuk) brood → wig.

wig* [keg, keil] {in de vroegere Overijsselse boerderijnaam Weggestapolon <1046>, wegge, wigge [wig, ook: stuk brood] 1350} ablautend naast weg3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wegge, weg znw. v., mnl. wegghe v. m. ‘wig, stuk tarwebrood’, os. weggi m. ‘wig’, mnd. wegge m. ‘wig, soort brood’, ohd. weggi, wecki m. ‘wig, wigvormig stuk brood’ (nhd. weck), oe. wecg (ne. wedge), on. veggr m. ‘wig’. — Grondvorm germ. *wagja. — oiers fecc (< *u̯egh - na) ‘tand’, lit. vágis, lett. wadjis ‘wig’ (indien deze niet aan het germ. zijn ontleend). — Zie ook wig.

Men verbindt dit woord verder met ohd. waganso, on. vangsni ‘ploegschaar’= opr. wagnis ‘ploegmes’, gr. ophnís ‘ploegschaar’ < *u̯ogu̯hnis en lat. vomer < *u̯ogu̯hsmis; dan is de grondvorm van wegge: *u̯ogu̯hio (IEW 1179-1180). — Voor de ontwikkeling van de bet. ‘brood’ zie de opmerking bij mik 1. — Als naam van een broodsoort overgenomen in ne. wig (sedert 1376 bekend, nu alleen dial., vgl. Bense 582).

wig, wegge znw. v., mnl. wigghe, mnd. wigge zal wel een abl. vorm germ. *wegja, < idg. *u̯egu̯hi̯o zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wegge, weg znw., mnl. wegghe v. m. “wig, stuk tarwebrood”. = ohd. weggi, wecki m. “wig, wigvormig stuk brood” (nhd. weck), os. weggi m. “wig” (mnd. wegge m. ook “een soort brood”), ags. wecg (eng. wedge), on. veggr m. “wig”: germ. *waʒja- > idg. *wogh-jo- (voor de ʒ vgl. zeggen), verwant met ohd. waganso, on. vangsni (*vagnsi) m. “ploegschaar”, (ier. fec “spa”? Onzeker wegens nier. feac), lat. vômer, vômis (*wogh-s-mi-), gr. óphnis “ploegschaar”, opr. wagnis “ploegmes”, lit. vãgis “wig, kromme spijker”. De combinatie met oi. vâhate (= bâhate) “hij dringt, drukt” is zeer onzeker. Ndl. wig, Kil. mnl. wigghe, mnd. wigge “wig” veronderstelt een ablautend oergerm. *weʒja- > idg. *wegh-jo-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weg 3 v. (wegge), Mnl. wegghe, Os. weggi + Ohd. wecki (Mhd. wecke, Nhd. weck), Ags. wecg (Eng. wedge), On. veggr (Zw. vigg, De. vægge, vegg) + Gr. óphnis, Lat. vomer = ploegschaar, Lit. vagis = wig. Hierbij met abl. wig.

wig, wigge v., Mnl. wigghe + Ndd. wigge: abl. bij weg 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wig I: skuins stuk materiaal om harde stowwe te splits of werktuigdele vas te laat sit; Ndl. weg(ge)/wig (Mnl. en Kil wegghe/wigghe), Hd. weck/wigge, Eng. wedge, hou verb. m. Lat. vomer/vomis en Gr. othnis, albei “ploegskaar”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wegge, weg ‘broodje’ -> Engels wig ‘broodje of cakeje’; Schots † wig; whig ‘soort klein langwerpig krentenbroodje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wegge, weg* broodje 1360 [De Man, Bijdrage tot syst. gloss. Brab. oorkondentaal 1956, 289]

wig* keg, keil 1046 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

wig, verschil tussen bruto- en nettoloon per werknemer. Dit verschil wordt bepaald door de te betalen premies voor sociale verzekeringen, pensioen enz.

De wig, zo hebben CDA en VVD in het regeerakkoord afgesproken, moet kleiner worden. (De Volkskrant, 24/01/87)
Ziektekosten zitten in de ‘wig’ en de arbeidskosten moeten gedrukt worden. (Elsevier, 16/11/96)
Zo bespeurde Jan Post, hoogste baas van Philips Nederland, nog een te geringe flexibiliteit en ‘veel te hoge arbeidskosten voor hoogopgeleiden’. Deze onvolkomenheden zijn volgens hem te wijten aan de wig, het verschil tussen het nettoloon van een werknemer en de niet zelden dubbele loonkosten die het bedrijf voor zo iemand moet maken. (Elsevier, 18/01/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut