Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wierook - (reukwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wierook zn. ‘reukwerk’
Onl. wīrōk ‘reukwerk’ in also wiroches stank ‘als de geur van wierook’ [ca. 1100; Will.]; mnl. wiroc ‘wierook’ [1240; Bern.], wierooc ‘id.’ [1287; VMNW]; vnnl. wieroock ‘wierook’ [1514; iWNT], daarnaast ook wijroeck [1510-19; iWNT] wyeroock [1549; iWNT], wyroock [1573; iWNT].
Letterlijk ‘gewijde rook’, een samenstelling met het bn. onl. *wī dat voorkomt in het zwakke werkwoord onl. wīen ‘zegenen, wijden’, zie → wijden, en als eerste element in wijwater e.d. Voor een -r- bleef de oude lange -ī- ongediftongeerd, zoals in → gier en → lier, en werd deze dus geen -ij-.
Os. wīhrōk; ohd. wīhrouh (nhd. Weihrauch); nfri. wijreek.
In het christelijke gebied in de Germania verschijnen drie aanduidingen voor ‘wierook’. Het Duits-Nederlandse woord is opgekomen in Zuid-Duitsland in de 8e eeuw en heeft zich vandaar naar het noorden verspreid. In Engeland kwam Oudengels rēcels ‘wierook’ (bij de wortel van → ruiken) op, dat zich ook verbreidde in het gebied van de Engelse missie: Oudnoords reykilsi ‘wierook’ (nzw. rökelse).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wierook* [welriekende rook als reukoffer] {wijrooc, wi(e)rooc 1201-1250} oudsaksisch wī(h)rōk, oudhoogduits wīhrouh, van een woord met de betekenis ‘heilig’, bv. gotisch weihs, hoogduits Weihnachten; het woord kwam in de 8e eeuw op in Zuid-Duitsland en verspreidde zich vervolgens naar het Noorden (vgl. wijden) + rook1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

wierook

Het Duits kent drie woorden die beginnen met het bijvoeglijke naamwoord weih: Weihnachten, Weihrauch en Weihwasser. Voor Weihnachten hebben wij Kerstmis, voor Weihrauch wierook en voor Weihwasser wijwater. Het Duits vertoont hier dus meer gelijkvormigheid. Het woord weih, vroeger wiha, betekent: heilig en is verwant met wijden. Wierook is dus: heilige rook. In de 7e eeuw werd de wierook uit Arabië en Ethiopië naar West-Europa overgebracht. Wijwater is door de priester gewijd water.

Men brengt het werkwoord wijden wel in verband met het Latijnse woord victima: offer, offerdier. Eigenlijk betekent, als deze etymologie juist is, victima dus: datgene wat gewijd is om geofferd te worden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wierook znw. m., mnl. wierooc, os. (h)rok, ohd. wīhrouh (nhd. weihrauch) bet. eig. ‘heilige rook’. Het 1ste lid is het bnw. *wīha- ‘heilig’ (zie: wijden). Het woord is opgekomen in de 8ste eeuw in Zuid-Duitsland en heeft zich daarna over het continentale westgerm. gebied verspreid (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 22-23). In het oe. heet het recels, riecels (en vandaar met de angelsaks. missie > on. reykelse). Het Gotisch gebruikt het leenwoord thymiama.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wijden ww., mnl. reeds wîden. Met jongere d (vgl. belijden, bevrijden, geschieden) naast ouder wîen = onfr. wîun, ohd. wîhen (nhd. weihen), os. wîhian, ofri. wîa, wîga, on. vîgia “wijden”. Evenals got. weihan “id.” bij germ. *wîχa- (*wîʒa-) “heilig”, got. weihs, ohd. wîh, os. wîh- (in afl. en samenst.), gesubstantiveerd in os. wîh m. “tempel”, ags. wêoh, wîg m. “afgodsbeeld”, on. o. “tempel”. Hierbij samenstt. als ags. wîgbed, wêofod o. “altaar” en ndl. wierook, mnl. wierooc, ohd. wîhrouh (nhd. weihrauch), os. (h)rôk m. “wierook”, oorspr. “heilige rook, heilig reukwerk”; nhd. weihnachten “Kerstmis”, reeds mhd. wînahten ontstond uit mhd. ze wîhen nahten “in de heilige nachten”. Oorsprong onzeker. Men combineert wel lat. *victis, *victus “heiliging”, waarvan victima “offerdier” wordt afgeleid; “heiligen” wordt dan verder uit “afzonderen” verklaard en men brengt al deze woorden bij oi. vinákti “hij scheidt, zeeft”: hoogst onzeker. Met idg. g vergelijkt men nog umbr. eveietu “voveto, eligito”. Met ’t oog op oude germ. en slav. gebruiken, waarbij het offer aan een boom wordt opgehangen, is de verklaring van germ. *wîχa- “heilig” als “opgehangen” en de combinatie met obg. visěti “hangen”, ksl. věsiti “wegen” beachtenswaard (ook umbr. eveietu event. hierbij). De combinatie van onze woordgroep met got. weihan “strijden” enz. (zie weigeren) is semantisch onaannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wijden. [...] Het eerste lid van wierook zou ook als znw. zijn op te vatten (ospr. ‘tempel-, altaarreukwerk’: Kluge MLN. 38, 278), maar waarschijnlijk is dit niet, temeer daar het woord een ospr. zuid-duitse vorming is (zie het laatst Frings Germ. Rom. 22 vlg.), die in het Noorden is overgenomen, en juist uit het Ohd. de substantivische bet. van wîh niet bekend is. Het Ags. heeft voor ‘wierook’ rîecels, rêcels (o.? m.?), waarnaar on. reykelsi o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wierook m., Mnl. wierooc, wirooc, Os. wîhrôk + Hgd. weihrauch: saamgest. met adj. *wij (waarover bij wijden), met ie uit î i.p.v. ij wegens de volgende r.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wierook s.nw.
Arabiese gomhars wat 'n aangename reuk afgee as dit brand en tydens Rooms-Katolieke en Oosterse godsdienstige byeenkomste as gebedsoffer gebruik word.
Uit Ndl. wierook (ongeveer 1510). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm wirook.
D. Weihrauch (8ste eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wierook: (offer)reukwerk; (fig.) hulde, lof; Ndl. wierook (Mnl. wierooc), Hd. weihrauch, eerste lid hou verb. m. Ndl. wijden (Mnl. widen), Hd. weihen, Got. weihan, Afr. wy (soos in inwy), “heilig”, misk. verb. m. Lat. victima, “offerdier” (vgl. Eng. victim), eint. “heilige reukwerk by offerande” – wierook m. ongedift. i(e) voor r, maar gedift. in wy en wywater (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wierook = gewijde of heilige rook; Os. wih = heilig (zie Wichelen); vgl. Wijwater.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wierook ‘gomhars, gebruikt als reukoffer’ -> Deens virak ‘gomhars, gebruikt als reukoffer; bewieroking’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors virak ‘gomhars, gebruikt als reukoffer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds virak ‘gomhars, gebruikt als reukoffer’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands wierook ‘gomhars, gebruikt als reukoffer’; Sranantongo wirowk ‘gomhars, gebruikt als reukoffer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wierook* welriekende rook als reukoffer 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut