Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wier - (zeegras)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wier zn. ‘zeegras’
Mnl. wier in een seecker kruyd, en geheeten is wier, dat welke te wassen pleech in den Wert vande Zuyderzee ‘een zekere plant die wier wordt genoemd en die groeit op de buitendijkse gebieden langs de Zuiderzee’ [1466; MNW].
Nfri. wier ‘wier’ (< ofri. *wēr); oe. wār ‘zeewier; strand’ (ne. ware); < pgm. *waira-.
De Friese en Engelse vormen zijn klankwettig met elkaar te verbinden, maar de reconstructie die hierbij hoort, pgm. *waira-, zou leiden tot nnl. *weer. De Nederlandse vorm wier moet dus op een andere manier verklaard worden. Mogelijk is deze ontleend aan het Fries; wier groeide immers vooral aan de Waddenkust en werd daar in het verleden (vanaf de 15e eeuw) gebruikt voor de beschoeiing van zeedijken (MNW-B wierdijc). Het moet dan om een laat-Oudfriese vorm gaan, waarin de Friese klankontwikkeling ofri. -ē- > -ie- (15e-16e eeuw) al heeft plaatsgevonden.
Een andere mogelijkheid (FvW, NEW) is ontlening aan een Hollandse dialectvorm waarin eveneens pgm. *-ai- > ie, wat onwaarschijnlijk is: Schönfeld par. 66c geeft vele voorbeelden, maar geen ervan is standaardtalig geworden en in geen ervan staat ie voor -r.
Pgm. *waira- is ablautend verwant met *wīra- ‘metaaldraad’ (< ouder *weir-), waaruit onder meer ne. wire, en met *wē2rō- ‘id.’ (< ouder *weir-?), waaruit ohd. wiara ‘gouddraad’. Voor beide vormen zie verder de opsommingen onder → guirlande. Nnl. wier ‘zeegras’ kan ook rechtstreeks teruggaan op een van deze twee vormen (FvW, NEW).
Verdere etymologie onzeker; misschien een afleiding van de wortel pie. *uieh1- ‘omwikkelen, vlechten’ (LIV 695) van onder andere Latijn viēre ‘vlechten’ en Duits Weide ‘wilg’ (nzw. vide ‘id.’), zie → wederik.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wier* [zeegras] {1466} oudhoogduits wiara [gouddraad], oudengels wīr [draad], oudnoors víra(virki) [filigraan(werk)], zweeds vira [draaien], middelnederlands wieren [idem]; buiten het germ. oudiers femmu(i)n, bretons gonemon (vgl. wierdeboon, wierig).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wier znw. o., eerst bij Kiliaen, die het Holl. noemt. Grondvorm kan zijn *waira (met dial. ie < ê) zoals oe. wār ‘wier’, maar eerder uit *wīra, zoals oe. wīr m. (ne. wire), mnd. wīre v. ‘metaaldraad’ (vgl. ook gronings wierdraad ‘dun ijzerdraad’ en wangeroogs wīr ‘ijzerdraad, breinaald’), on. vīravirki ‘filigraanwerk, dan wel *wē2ra zoals ohd. wiara v. ‘fijn goud, ornament daarvan’. — lat. viriae, viriolae ‘armsieraad’ (volgens Plinius keltisch), oiers fīar, kymr. gwȳr (< *u̯eiro) ‘krom, scheef’ van de idg. wt. *u̯ei ‘winden, vlechten’ (IEW 1122), waarvoor zie: weegluis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wier znw. o., volgens Kil. “Holl.”, niet uit ’t Mnl bekend. Of met dial. ie < ê > germ. ai = ags. wâr (o.?) “wier” [wâr ook = “zand, strand”] òf uit een hiermee ablautend *wîra- of *2ra-. Vgl. 1 ags. wîr m. (eng. wire), mnd. wîre v. “metaaldraad, ornament hiervan”, on. vîra-virki o. “id.”, 2 ohd. wiara v. “fijn goud, ornament daarvan”, germ. *2(n)-, wsch. uit idg. *wêirâ-. Zoowel de bet. “wier” als “metaaldraad” kan uit “het gewondene” ontstaan zíjn; dan komen germ. *waira-, *wîra-, -ô-, *(i)ra-, -ô- evenals ier. fiar “scheef”, lat. (oorspr. gall.) viriae “een soort armsieraad” van de bij weegluis besproken basis wī̆-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wier. Dat de germ. woordfamilie verwant zou zijn met lat. vîrus ‘sap, vergif enz. (zie wezel Suppl.), gelijk Holthausen IF. 32, 337 heeft geopperd, is een minder waarschijnlijk vermoeden, dat trouwens door H. zelf blijkens Aeng. Et. Wtb. later is opgegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wier o., gelijk Ndd. id., uit Fri.wír + Ags. wir (Eng. wire) = metaaldraad en met abl. Ags. wár = wier: bij den wrt. wei, besproken bij weeg. Voor Fr. varech, Eng. wrack = wier, z. wrak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

wier s.nw.
1. Seegras. 2. Waterplant sonder wortels, stingels en blare.
Uit Ndl. wier (al Mnl. in bet. 1, 1567 in bet. 2).
Ndl. wier kan met o.a. gewestelike Gronings wier 'ysterdraad', Oudhoogduits wiara 'gouddraad, silwerdraad' en Middelnederduits wire 'draad' teruggevoer word na die Indo-Germaanse wortel *uei- 'draai, vleg', wsk. so genoem n.a.v. die gedraaide vorm van die plant wat aan draad herinner.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wier: bep. soort seeplant (spp. Alga, fam. AlgaeThallophyta (Algae en Fungi); Ndl. wier (so by Kil), hou misk. verb. m. Eng. wire, “draad”, en m. Lat. viere, “vleg, vou, weef”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

*wier 'opgeworpen hoogte'
De oudste attestaties van dit toponymisch grondwoord in plaatsnamen zijn 802-817 kopie 1150-1158 Wirom (→ Wieringen) en 855 ingevoegd ca. 890 kopie 9e-10e eeuw in UUirem (→ Wierum2). Deze vormen wijzen eenduidig op ofri. *wîr, maar de etymologie hiervan is onzeker. In een poging de vroege -î- te verklaren werd verband gesuggereerd met germ. *wîri 'moerasmirte'1, doch dit is bedenkelijk. Misschien moet aansluiting gezocht worden bij de landbouwterm wiering 'hooikade'2 met daarnaast wier, wieren, wiers en weersing, alle met de betekenis 'dijkje bijeengeharkt hooi'3. Geopperd is dat ofri. *wîr kan worden verklaard uit *wirzî- bij de woordfamilie van lat. verrûca 'wrat' en nnl. war 'eelt(plek); kwast, knoest'4. Samengevallen met ofri. werve, werf 'opgeworpen hoogte voor bewoning', dat zich door wegval van -v- en rekking van de vocaal ontwikkelde tot weer, later wier.
Lit. 1Gysseling 1960 1074, 2Van Dale 1872, 3WNT sv Wiers, Heeroma 1960 5vv, 4NGN 9 (1934) 42.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wier* zeegras 1466 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut