Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wiel - (kolk)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

waal zn. v. en wiel zn. ‘kolk door dijkdoorbraak ontstaan’
Het Nederlands kent twee woorden met dezelfde betekenis.
(1) Onl. Vual, mv. Vuala ‘afgrond’ (10e e., Wachtendonckse Psalmen), Mnl. wael en wale (meestal m.) ’poel, plas, kolk’. Vanaf de 13e eeuw werd waal uit de standaardtaal verdrongen door wiel. Vroegnieuwned. waal wordt in Westnl. dialecten gevonden (Vlaanderen, Zeeland, Zuid-Holland), en leeft nog in Wvla. waleput ‘kolk’ voort.
(2) Wiel, weel mogelijk voor het eerst in de naam Gerardus de Wildreht (1187, bij Dordrecht). Mnl. wiel wordt gevonden in teksten uit Holland (vanaf 1284), Vlaanderen en Brabant. Voor Kiliaan (1599) is wiel het gebruikelijke woord, wael een “verouderde Hollands” woord. De ee-variant komt het eerst voor in de naam van Oosterweel bij Antwerpen: Otserwele (1210, kopie midden 14e eeuw), Oucerwela (1225), van outserweele (1248–1271). Weele is de vorm in moderne Zeeuwse en Westvlaamse dialecten, met betekenissen als ‘kolk na dijkdoorbraak’ en ‘zeegeul’. De moderne familienamen bevestigen grofweg de gevonden geografische verdeling: ie komt voor van Holland tot Vlaanderen en in Noord-Brabant (Aan de Wiel, Verwiel, van de(r) Wiel(e)), terwijl ee thuishoort in zuidelijk Zuid-Holland en Zeeland (Verweel, van der Weel(e), Overweel). Ook in het Noordhollands komt weel voor (vanaf de 16e eeuw), maar een Nhol. ee kan ook met een Ned. aa overeenkomen.
Verwante vormen zijn Oudfries wēl, Modern Fries wiel, Oudengels wœ̄l ‘draaikolk, poel’ uit Wgm. *wēla- (m.). Dat is een afleiding met de betekenis ‘kolk’ of ‘bron’ bij het werkwoord *wal(l)ōn- ‘rollen’ (waaruit Ned. ‘draaien’) of bij *wellan- ‘koken, opborrelen’ (Ned. wellen).
De vorm waal zet de te verwachten Nederlandse uitkomst aa voort van de Wgm. klinker . Westnederlands wiel en weel hebben een klinker die teruggaat op de Oudfriese ē. Wiel is daarmee een van de Kustnederlandse woorden die uit het vroegmiddeleeuwse (voorstadium van) Fries van de kustbewoners werd ontleend in het Frankisch van Vlaanderen, Zeeland en Holland.
[Gepubliceerd op 21-08-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wiel2* [kolk] {in de plaatsnaam Wildreht, nu Wieldrecht (Z.-H.) 1187, wiel(e) 1284} evenals weel een dial. nevenvorm van waal1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wiel ‘kolk’ -> Duits dialect Wiel, Wiehl, Wal, Wel ‘dorpsvijver, dorpsplas; poel ontstaan door overstroming’; Frans dialect guilée ‘stortbui’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wiel* kolk 1187 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut