Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wiel - (rad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wiel zn. ‘rad’
Mnl. wiel in de toenaam van Symonis Wilmakers [1245; GN], dan als simplex in Want die huse ... rolden neder ghelijc wielen ‘want de huizen rolden op de grond als wielen’ [1285; VMNW], Dat hi dar lach onder twiel ‘dat hij daar lag onder het rad (van avontuur; d.w.z. in ongenade was gevallen)’ [1285; VMNW].
Mnd. wēl; ofri. fiāl, tziāl (nfri. tsjil, tsjel, fjil); oe. hweol, hweowol, hweogol (ne. wheel, zie ook → freewheelen); on. hjól (nzw. hjul) en hvél; alle ‘wiel’, < pgm. *hweh(w)la-, *hweg(w)la-. Ofri. wēl (in wēlmakere ‘wielmaker’; nfri. wiele ‘spinnewiel’) is ontleend aan het Nederlands.
Verwant met: Grieks kúklos ‘ring, wiel’ (zie ook → cyclus); Sanskrit cakrá- ‘wiel’; Avestisch caxra- ‘wiel’; Litouws kãklas ‘hals’; Tochaars A kukäl, Tochaars B kokale ‘wagen’; < pie. *kwe-kwl-o-, *kwo-kwl-o-, een reduplicerende vorm bij de wortel *kwel(h1)- ‘draaien, keren’ (LIV 386), waaruit o.a.: Latijn colere ‘verbouwen, bewonen’ (zie → cultuur, → kolonie); Grieks pélesthai ‘zich bevinden, worden’, pólos ‘as’, tẽle ‘ver weg’ (zie ook → tele-); Sanskrit cárati ‘gaan’, karṣū- ‘vore’; Avestisch cara- ‘gaan’; Litouws kelỹs ‘knie’; Oudkerkslavisch kolěno ‘id.’; Albanees sjell ‘draaien, brengen’. Verwante vormen zonder reduplicatie zijn: Oudkerkslavisch kolo ‘wagen’; Oudiers cul ‘id.’; < pie. *kwolos-, *kwoles-. Er bestonden in de Indo-Europese talen twee woorden voor ‘wiel’; het tweede is → rad. Men neemt aan dat wiel een wiel zonder spaken, dus alleen een ronde schijf, aanduidde. Zie ook → hals.
wielrijden zn. ‘fietsen’. Nnl. wielrijden ‘fietsen’ [1869; Sanders 1996]. Samenstelling van wiel en → rijden.
Lit.: Gamkrelidze/Ivanov 1984, 718-719; E. Sanders (1996), Fiets!, Den Haag, 13

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wiel1* [rad] {wiel(e) 1285} middelnederduits wel, oudfries hwēl, oudengels hweol, oudnoors hvel; buiten het germ. grieks kuklos [wiel, cirkel], tochaars A kukäl, tochaars B kokale [wagen], oudpruisisch kelan, oudkerkslavisch kolo (2e nv. kolese), oudindisch cakra- [wiel] (vgl. chakra). De uitdrukking iemand in de wielen rijden [hem tegenwerken] werd eig. gebruikt voor een wagen die tegen de wielen van een ander op reed en hem daarmee hinderde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wiel znw. o., mnl. wiel, o., mnd. wēl, ofri. hwel-, oe. hweohhol, hwēol, hweowol, hweogol (ne. wheel), on. hjōl, hvēl (voor de verhouding van deze vormen vgl. AEW 232) < germ. grondvorm *hu̯ehu̯la en met gramm. wiss. *hu̯egu̯la (vgl. oe. hweogol) < idg. *ku̯eku̯lo- zoals gr. kúklos ‘ring, wiel’, oi. cakram ‘wiel’, lit. kāklas ‘hals’, toch. A kukäl, Β kokale ‘wagen’. Geredupliceerde vorm van de wt. *ku̯el ‘draaien’, vgl. oi. cárati ‘beweegt zich, zwerft’, gr. pélo, pélomai ‘in beweging zijn’, pólos ‘as; omgeploegd land’, lit. colus ‘spinrokken’. oiers cul (< dualis *ku̯olō) ‘wagen’, opr. kelan ‘wiel’, osl. kolo ‘rad, wiel’, lit. kelỹs, lett. celis ‘knie’ ‘IEW 639-640). — Zie ook: hals.

Voor de dial. verdeling van wiel en rad vgl. I. Habermehl, Taalatlas Afl. 3, 7.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wiel znw. o., mnl. wiel o. = mnd. wêl, ofri. *hwêl (blijkens nieuwfri. vormen; naast ofri. fiâl o. “wiel”, nog dial.; zie bij velg), ags. hweohhol, hwêol, hweowol, hweogol (eng. wheel), on. hjôl, hvêl o. “wiel”. Wij zullen wel gramm. wechsel *χweχ(w)la-: *χweʒw(a)-la- (-ula-) moeten aannemen; vgl. bij vernielen. Reduplicatievorm van de idg. basis qel- “draaien”; evenzoo gr. kúklos, oi. cakrà- (= germ. *χwe(ʒ)wla-) “kring, wiel”, wellicht ook lit. kãklas “hals” (vgl. bij hals, de afl. ook van dit woord van qel- is zeer aannemelijk); zonder reduplicatie on. hvël o., opr. kelan “rad”, kymr. pel “kogel, bal”, met ablaut gr. pólos “as”, obg. kolo “rad”; lat. colus “spinrokken” < *qelo-of *qolo-. Vgl. nog ’t ww. lat. colo “ik beoefen, bebouw, bewoon” (voor de bet. vgl. versor “ik ben in rondgaande beweging, ben bezig, vertoef”), gr. pélomai, “versor”, oi. cárati “hij beweegt zich, zwerft, beoefent”; ook arm. holov “het rollen”, holovem “ik rol” is hierbij gebracht. — Afl.: mnl. wielen “draaien, rollen”, nnl. wielen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wiel. Ofri. hwêl in de samenst. hwêlmaker m. ‘rademaker’ (Holth.).
Kymr. pel ‘kogel, bal’ wordt wel als ontl. aan lat. pila beschouwd. Ook is getwijfeld aan de verwantschap van lat. colus ‘spinrokken’, doch wsch. ten onrechte.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wiel o., Mnl. id. + Ags. hwéohhol, hwéol, hwéowol, hwéogol (Eng. wheel), On. hjól (Zw. en De. hjul): Ug. *hwehwl- en *hwegwl- + Skr. cakras, Gr. kúklos (Fr. cycle): redupl. van Idg. wrt. qel: Gr. pólos = as, Lat. colus = spinrokken, Osl. kolo = wiel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wiel s.nw.
1. Ronde raamwerk met speke, of 'n sirkelvormige skyf. 2. Stuurwiel.
In bet. 1 uit Ndl. wiel (1567). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. wheel (1743) of 'n verkorting van stuurwiel. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding wieletje en by Postma (1896) in die afleiding wiele.
Eng. wheel (888).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wiel (het, -en), (ook, niet alg.:) band (van auto, fiets e.d.). Mijn wiel is plat. - Zie ook: band*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wiel: s.nw. en ww., ronde voorwerp met speke, masjienrat; stuurwiel; Ndl. wiel (Mnl. wiel), Eng. wel, hou verb. m. Gr. kuklos, “ring, sirkel, skyf” (vgl. Eng. cycle), hierby ww. Ndl. wielen (Mnl. wielen), Afr. wiel, “draai”, v. Kloe HGA 150-2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wiel ‘rad; spinnewiel’ -> Fries wiele ‘spinnewiel’; Frans dialect † wilequin ‘bepaalde ronde koek’; Negerhollands wiel, wil ‘rad’; Papiaments wil (ouder: wiel) ‘rad’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo wil, wiri ‘rad’; Surinaams-Javaans wil ‘rad’.

wiel ‘(verouderd) nonnensluier’ -> Duits dialect Wiele ‘nonnensluier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wiel* rad 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1910. Het vijfde rad (of wiel) aan den wagen,

d.w.z. iets overtolligs, hinderlijks; in de elfde eeuw in het lat. quem fastidimus, quinta est nobis rota plaustri (zie Germania XVIII, 315); Despars, IV, 240: Dat hij der al zo wel toe diende als tvijfde wiel an een waghene; Campen, 59: hy is daer wel soe nutte toe, als tvyfste radt anden waeghen; Sart. III, 3, 39: het soude u dienen als het vijfde wiel aen een wagen; vgl. ook Marnix, Byenc. 71 v: Daer na ghebruycken sy oock de gelijckenisse van het Water dat in Cana van Galileen wesentlijck verandert worde in Wijn; welcke ghelijckenisse hier alsoo wonderlijck wel dient, als het vijfste radt in de waghen; Coster, 37, vs. 806; Idinau, 228; Paffenr. 100; De Brune, 281:

 Vier wielen aen een koets, is goed:
 Het vijfde maer belet en doet.

Zie verder Joos, 18; 95; Waasch Idiot. 549: 713; Antw. Idiot. 2159: Er zooveul noodig zijn als 't vijfde wiel aan den wagen; Harreb. II, 208 b; Afrik. hy is 'n vyfde wiel aan die wa; Grimm IV, 575; Borchardt no. 398; Wander III, 1456; Dirksen I, 76; Bebel no. 565; en vgl. het hd. das fünfte Rad am Wagen; eng. the fifth wheel to (or on) the coach; het fr. servir comme une cinquième roue; fri. it fiifte wiel of tsjel oan e wein.

2108. Eene spaak in het wiel steken,

d.w.z. iets door een onvoorzienen hinderpaal beletten; eig. door plotseling eene spaak in het wiel te steken beletten dat het voortdraait, zoodat de wagen moet blijven stil staan. In de 17de eeuw reeds vrij gewoon naast een stok in 't wiel steken (- leggen of werpen); vgl. Sart. III, 10, 73: Een stock in 't wiel werpen, scrupulum injicere; Winschooten, 294: Een stok in 't wiel steeken, is een voermans woord, hetwelk oneigendlijk beteekend een saak verhinderen: een saak in de wal schuiven: want als men een stok in een wiel, of rad van een waagen, steekt: soo kan de waagen niet voortrijden: maar moet stille staan; bij Paffenr. 224: een stok in 't wiel leggen. Zie verder Hooft, Ned. Hist. 444; Brieven, 158; 199 en 414: Hoewel te duchten staat, dat de Deen ook een' spaak in 't wiel zal steeken, met stijven van den Sax; Pers, 408 a; 525 a; 596 b; Sewel, 760; Halma, 595: Eenen spaak in 't wiel steeken, iets in zijnen voortgang stuiten; V. Janus, 3, 330; Harreb. II, 282; Het Volk, 3 April 1914, p. 2 k. 4; Jord. II, 155: Hij zou een gekke spaak door Jet's drijverijen steken; enz. In Zuid-Nederland: daar is eene sport in 't wiel (Schuermans, 662 b); Waasch Idiot. 612: speeken in 't wiel steken, iemand in eenig ontwerp dwarsboomen; Antw. Idiot. 2068: stokken in 't wiel steken, iemand of iets dwarsboomen; in 't Hagelandsch: ieverens in schää (schei, platte sport, dwarshout) tusse steke (Tuerlinckx, 546); Afrik. 'n spaek (of 'n stok) in die wiel steek; in 't Friesch: in speak(e) yn 't tsjil stekke; in 't fr. mettre des bâtons dans les roues; eng. to put a spoke in the weel; 16de eeuw: to set a spoke in one's cart (Prick); Gunnink, 216: iemand een stike steken.

2570. Iemand in de wielen rijden,

d.w.z. iemand tegenwerken, hem in het vaarwater zitten, zich tegen iemand kanten; ook iemand onderkruipen. Eig. gezegd van een rijtuig dat tegen de wielen van een ander rijdt en het daardoor in zijn gang belemmert; vgl. V. Janus III, 131: Deze (besturen) hebben de macht om ter voorziening in de besturen hunner huishoudingen, middelen en inpositiën in hunne departementen te heffen, zoo zij maar voorzichtig genoeg zijn om, met hunne particuliere finantiëele operatiën, niet in de wielen van de algemeene belastingen te rijden; Van Eijk III, 94; Harreb. II, 457 b; Barb. 62: Een oom, die voortdurend zijn lieven neef in de wielen rijdt; Nkr. IV, 3 Juli p. 2; fr. contrecarrer qqn. In het Antwerpsch beteekent iemand tegen zijn kar rijden, hem krenken, misnoegen (Antw. Idiot. 621); fri. immen of elkoar yn 'e tsjillen of wiellen ride; afrik. iemand in die wiele rij.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal