Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wiek - (pluksel, vleugel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wiek zn. ‘vleugel; molenarm’; (BN) ‘kaarsenpit; tampon’
Mnl. wieke ‘lampenpit, pluksel’ in ende ontstecterin .i. wieke ‘en ontsteek daarin (in de lamp) een pit’ [1287; VMNW], daer in net uwe wieke ‘doop uw pluksel daarin’ [1351; MNW-P], ‘zijstuk van een sluis of brug’ in plancken, daer men de speuye ende de wycken van der speuye mede gemaect hieft (in dezelfde bron ook wyeken) [1466-67; MNW]; vnnl. wieck(e) ‘vleugel van een vogel; molenarm’ in Dat zy ... setten de wijcken op een bourgonssche cruys ‘dat zij (d.w.z. de molenaars) de wieken in een Bourgondisch kruis zetten’ [1537; iWNT], Als een voghel op haer wiecken seylt door de luchte ‘zoals een vogel op haar vleugels door de lucht zweeft’ [1561; iWNT], zeghes gulde wieck ‘de gouden vleugel van de overwinning’ [1613; iWNT zege I]; nnl. in zijn wiek geschoten ‘beledigd’ [1903; iWNT].
Mnd. wēke ‘wondpleister; lont’ (vanwaar nzw. veke ‘lampenpit’); ohd. wiohha ‘lampenpit’ (nhd. Wieche); nfri. wjok, wjuk ‘vleugel’; oe. wēoce ‘id.’ (ne. wick); < pgm. *weuka(n)- ‘vlasbundel, lampenpit’. Daarnaast staan de varianten (alle met vergelijkbare betekenis) *wekkan-, waaruit mnd. wecke en oe. wecca; en *wukkan-, waaruit vnnl. wocke en os. wokko (mnd. wocke).
Verwant met: Oudiers figid ‘weven’, Welsh gwau, gweu ‘weven, knopen’; en misschien met Latijn vēlum ‘zeil; kleed’ (< *wek-slo-); bij de wortel pie. *ueg- ‘weven’ (LIV 662). De verschillende Germaanse stamvormen worden verklaard door Kroonen (2009). Bij dezelfde wortel hoort wrsch. ook → wikkelen.
De betekenis ‘vlasbundel, lampenpit’ is in de Oudgermaanse talen het wijdst verbreid en dus wrsch. het oudst. In het Middelnederlands en het Middelnederduits bestond daarnaast de betekenis ‘tampon, pluksel voor een wond’. In het BN zijn de betekenissen ‘pit van een kaars’ en ‘tampon’ nog algemeen bekend, maar in het NN zijn deze oude betekenissen in gebruiksfrequentie en bekendheid geheel overschaduwd door de betekenissen ‘arm en/of blad van een molen’ en bij uitbreiding ‘vleugel van een vogel’, die beide in de 16e eeuw zijn ontstaan. De betekenis ‘vleugel’ is vooral beperkt gebleven tot literaire teksten en nog herkenbaar in de uitdrukking in zijn wiek geschoten zijn ‘gekwetst of gegriefd zijn’ en in de samenstellingen kortwieken en klapwieken.
Meestal wordt aangenomen dat deze jonge betekenissen zijn ontstaan uit de Middelnederlandse, maar een aannemelijke betekenisontwikkeling ontbreekt. De Tollenaere scheidt om die reden wiek ‘kaarsenpit’ en wiek ‘molenarm’ maar geeft voor het tweede woord geen alternatieve etymologie.
Lit.: Kroonen 2009, 160-161

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wiek1* [pluksel, vleugel] {wieke, weke [wondpluksel, lampenpit, vleugel] 1287} middelnederduits we(i)ke, oudhoogduits wiohha, oudengels weoce [lampkatoen] (vgl. wikkelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wiek znw. v., mnl. wieke v. ‘vlerk’ (Kiliaen: Holl. Sicamb.) fri. wjuk(ke), wjūk, wjok ‘vlerk; molenwiek’. De eig. bet. is echter ‘katoen voor een lampepit, lont, verband’, zoals mnd. wēke, weike m. v., ohd. wiohha v. (wioh m.), mhd. wieche m. v. (nhd. wieche m, wieke v.), oe. weoce v. ‘lampkatoen’ < germ. *weukō. Daarnaast staan echter mnl. mnd. wēke, os. wokko, mhd. wecke, oe. wecca ‘lampepit’, die teruggaan op *wekkō. — Mogelijk mag men klinkervarianten aannemen (vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 27); een afl. van *weukō uit een geredupliceerde vorm *we-wkō is al te gewaagd.

Men kan de vorm *wekkō terugvoeren op de idg. wt. *u̯eg ‘weven, knopen’, vgl. wikkelen en dan is dus uit te gaan van ineengewikkeld katoen voor een lampepit of voor andere doeleinden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wiek znw., mnl. wieke v. “vlerk”. Fri. wjuk(ke), wjûk, wjok beteekent dit zelfde, ook “molenwiek”. De bet. “vlerk”, door Kil. “vetus. Holl. Sicamb.” genoemd, is secundair; mnl. wieke v. “pluksel, lap (vooral als wondverband en lampkatoen)” vertoont een oudere bet.: vgl. jagerstermen als lepel “hazenoor”; misschien is wiek “vlerk” oorspr. ook een jagersterm. = ohd. wiohha v. (wioh m.?), mhd. wieche m. v. (nhd. wieche m., wieke v.), mnd. wêke (weike) m. v. “lampkatoen, lont, verband”, ags. wêoce v. “lampkatoen”, germ. *weukô(n)-. [Zaansch wuuk “pluksel, vleugel” zal wel niet op een vorm met i of j in ’t formans teruggaan, eer heeft ’t uu onder invloed van de w.] Bezwaarlijk anders dan als een reduplicatievorm begrijpelijk: idg. *we-wgâ-, verwant met os. wokko (voor *wëkko), ags. wëcca m. “lampepit” (: eng. wick), mhd. (nhd. dial.) wicke, mnl. mnd. wēke, mhd. (md.) wike (nog bei. wiche-garn “katoen voor lampepitten”) m. v., noorw. dial. vik v. “id.”: zie wikkelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wiek. Ags. wëcca moet worden geschrapt; de enige gegarandeerde vorm is wêoce (> eng. wick).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wiek 2 v. (vleugel), zou een overdracht zijn van wiek 1., uit de jagerstaal.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-wiek Onderdeel van enkele vogelnamen zoals Koperwiek (↑ voor de etymologie), Scherpwiek ↑ en Spoorwiekgans Plectropterus gambiensis (Linnaeus) 1766. Het correspondeert met fries wjok, wjuk, waarvoor zie o.a. Readwjok en Wytwjokstirns.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wiek I: vlerk (v. voël of meule); (minder gew.) lamppit; Ndl. wiek (Mnl. wieke), Hd. wieche/wieke/(dial.) wicke, Eng. wick, hou verb. m. wikkel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wiek ‘tampon; lampenpit’ -> Frans dialect wische; wike, witche ‘tampon; lampenpit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wiek* vleugel 1561 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2568. In zijn wiek geschoten zijn,

d.w.z. zich beleedigd gevoelen, op zijn teenen getrapt zijn; in zijn gat gebeten zijn (Zuidndl.Antw. Idiot. 445; Tuerlinckx, 204.), zich geraakt gevoelen; ook verlegen zijn, onthutst zijn; eig. gezegd van een vogel, wiens vleugel geraakt is. Vgl. Van Eijk II, 95; Harreb. II, 457: Hij is in zijne wiek geslagen (of geschoten), hij is verlegen, en weet zich niet te helpen; Nkr. VII, 26 April p. 2: Je was danig in je wiek geschoten, toen ik niet toehapte; IX, 24 April p. 2; Nkr. III, 5 Sept. p. 4:

 In Breukelen is 't hommeles
 Onder de bondgenooten.
 De anti-revolutionnaire lui
 Zijn in hun wiek geschoten.

Het Volk, 19 Sept. 1913 p. 2 k. 4: Het katholieke blad ‘Het Huisgezin’ is danig in zijn wiek geschoten door onze opmerking dat in Brabant onderwijzeressen van 72, 74 en 82 jaar ‘werkzaam’ zijn; 28 Maart 1914 p. 5 k. 3: De burgemeester van Groningen, die in zijn edelachtbare wiek geschoten was, omdat Polak eenige felle dingen had gezegd over het nieuwe gebouw der universiteit; 5 Maart 1913, p. 5 k. 2: En de vrouw, in d'r wiek geschoten, blijft nog even als lamgeslagen staan; 6 Aug. 1914 p. 5 k. 4: De onderwijzer was er een beetje door (een teleurstellend antwoord) in zijn wiek geschoten; Propria Cures, XXVI, 317: Ben jij door d'almanak-kritiek zoo in de wiek van je Pegaas geschoten? Elders in den zin van verlamd, gefnuikt; zie Opr. Haarl. Cour. 24 Sept. 1923 p. 6 k. 2: Terwijl er bezuinigd wordt op ziekte-, ouderdomszorg en het lager onderwijs in zijn wiek geschoten door het opofferen van het 7de leerjaar, heeft het woord geklonken: op alles bezuinigen, maar op de vloot niet.

2569. Op eigen wieken drijven,

d.w.z. op eigen beenen staan, zelfstandig zijn; niet steunen op een ander; finantieel niet hulpbehoevend zijn; een beeld ontleend aan de jonge vogels, die uitvliegen, zonder dat de vader of moeder er naast vliegt en hen bij de luchtverplaatsing helpt. Vgl. Huygens VI, 297: Met hij uyt syn' kindse jaertjes quam, schickt ick 'et dat hij soo den toom wat ruijmer nam, en op sen wiecke dreef; Tijdschrift IV, 252: Byna geen dichter word gevonden, die kan dryven op zyne wieken; Tuinman I, 129: Hy dryft op zyn eigen wieken; Middelb. Avant. 10; W. Leevend I, 37; Halma, 136; Sewel, 211; Van Eijk II, 95; Jord. II. 109; Ndl. Wdb III, 3351; Kippev. I, 211; II, 50. De gewone uitdr. was in de 17de eeuw: op eigen riemen drijven of roeienWinschooten, 207: Iemand op sijn eige riemen laaten drijven, beteekend oneigendlijk naa iemand niet om sien: maar laten heen hobben en tobben; Brandt, Leven v. Vondel, 68; Sewel, 198; Van Eijk 1, 74; Ndl. Wdb. XIII, 122. of op eigen biezen zwemmen; lat. nare sine cortice (zonder kurk zwemmen). Vgl. ook Antw. Idiot. 2137; Joos, 72: hij kan op zijn eigen vleugels vliegen, op eigen riemen voortdrijven; Ten Doornk. Koolm. I, 421 a: hê kan al up sîn êgen fären drîfen; fri. ut eigen wjûken fleane; fr. voler de ses propres ailes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut