Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wieg - (slaapplaats voor baby's)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wieg zn. ‘slaapplaats voor baby's’
Mnl. wieghe ‘wieg’, als wige [1240; Bern.], in dat kindeken dat inde wiege leght ‘het kindje dat in de wieg ligt’ [1276-1300; VMNW].
Mnd. wege; ohd. wiega (nhd. Wiege); < West-Germaans *wē2gō- of *weogō-. Zowel vorm als betekenis wijzen op verband met pgm. *wagōn- ‘heen en weer bewegen’, zie → waggelen en ablautend → wegen (pie. *ueǵh-), maar de stamklinkers komen niet overeen.
Pgm. *wagō(n)- ‘wieg’, waaruit os. waga, ohd. waga (mhd. wage) en met expressieve geminatie on. en nzw. vagga (en door vroege ontlening bovendien Fins vaku ‘wieg’), kan wel probleemloos van *wagōn- worden afgeleid. Datzelfde geldt voor ohd. wiga en ofri./nfri. widze uit een variant pgm. *wagjō- ‘wieg’. Mogelijk is wieg < West-Germaans *weogō- < pgm. *weugō-, dat dan terug kan gaan op een reduplicerende wortelvorm pie. *ue-uǵh- van de reeds genoemde wortel *ueǵh- (FvW, Pfeifer). NEW beschouwt de diverse vormen als affectieve klankvarianten.
wiegen ww. ‘schommelen’. Mnl. wieghen ‘in een wieg doen schommelen’ in Soo wasser mede ghewiecht ‘zij werd ermee gewiegd, d.w.z. ze groeide ermee op’ [1350-1400; MNW], Een ... wiechken om den screyende ihesu suetelic daermede te wieghen ‘een wiegje om de huilende Jezus zoetjes mee te wiegen’ [ca. 1500; MNW]; vnnl. in slaep wiegen, overdrachtelijk ‘sussen, geruststellen’ in sal men ons volck al in slaepe wieghen [1583; iWNT]. Afleiding van wieg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wieg* [kinderledikant] {wi(e)ge, wege 1201-1250} middelnederduits wege, oudsaksisch waga, oudhoogduits wiga, waga, oudwestfries widze, oudnoors vagga; de vocaal wisselt opvallend in deze vormen, mogelijk door de affectieve sfeer. Behoort bij het tweede lid van bewegen en waggelen. De uitdrukking tegen de wieg stoten suggereert het steeds herhalen van een handeling, namelijk het achterover wippen van het glaasje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wieg znw. v., mnl. wieghe v., mnd. wēge, mhd. nhd. wiege. — Opvallend is dat wij ook andere klinkers aantreffen zoals ohd. wiga, owfri. widze en os. ohd. waga, on. vagga. Men zal deze vokaal-varianten wel moeten beoordelen als die van wiegelen en waggelen of van giechelen en gaggelen, dus van affectieve klankvarianten. De wieg is dus genoemd naar de beweging, die men ermee uitvoerde; oudtijds was zij aan touwen aan de dakspanten bevestigd en zweefde dus vrij in de lucht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wieg znw., mnl. wieghe v. == mhd. (nhd.) wiege, mnd. wêge (westf. waige) v. “wieg”. Deze vormen wijzen op wgerm. *we2ʒô(n)- of *weoʒô(n)-. De onderlinge verhouding van dezen vorm (1) en 2. ohd. wiga v. “wieg” en 3. ohd. os. waga, on. vagga (met secundaire gg) v. “id.” is duister. 3. hoort bij wegen (zie bij waggelen), 1. is desnoods als idg. *we-wĝh-â ook hier bij te brengen. 2. kan met mhd. weigen “waggelen, (trans.) zwaaiend bewegen” en vla. wijgelen, mnl. wîghelen “wiegelen” ablauten; desnoods kan ook 1. met ê2 uit êi hierbij hooren, en de idg. basis wigh- of wiĝh-, wiq-, wik̑-zou een auslautvariant van wip- (zie weifelen, ook wijken) kunnen zijn. Een verwijzing naar (makkelijker op te lossen) moeilijkheden van dezelfde soort bij ohd. wëla: wala: meng. wêl (zie wel II) helpt ons weinig verder.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wieg. Bij het sub 2. genoemde ohd. wiga v. ‘wieg’ sluit zich in vocalisme aan owfri. widze v. ‘id.’, wsch. een -jô-stam. Het hier genoemde mnl. wîghelen moet vervallen: de Teuth. heeft wigelen ‘waggelen’, wsch. = mhd. wigelen ‘id.’ (zie bij wiggelen en wiegelen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wieg v., Mnl. wieghe + Mhd. en Nhd. wiege: behoort bij wegen (= bewegen), als afleid. met redupl. (*we-wg-).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

weeg (zn.) wieg; Vreugmiddelnederlands wieghe <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wieg: s.nw. en ww., kinderbedjie; (fig.) plek v. herk./oorsprong; (as ww.) aan d. slaap sus; Ndl. wieg en wiegen (Mnl. wieg(h)e en wieg(h)en, so by Kil), Hd. wiege en wiegen, hou verb. m. (be)weeg en waggel (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wieg, bij wegen (z. d. w.) = heen en weer gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wieg ‘kinderledikant’ -> Papiaments wig ‘kinderledikant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wieg* kinderledikant 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2567. Voor iets in de wieg gelegd zijn,

d.w.z. voorbestemd zijn voor iets; vgl. Harreb. II, 457: Hij is er niet voor in de wieg gelegd; Couperus, E. Vere I, 156: Je weet, Otto is voor minister of gouverneur-generaal in de wieg gelegd; III, 97: George en Lili kenden elkander betrekkelijk kort en ze hebben al heel gauw gevoeld, dat ze voor elkander in de wieg waren gelegd; Nw. School, V, 264: Overigens geloof ik, dat de auteur van ‘Wandelen en Opmerken’ niet in de wieg is gelegd voor pedagogies publisist; fri. dêr is er for yn 'e widze lein; afrik. vir iets in die wieg gelê.

2565. Hij is niet in de wieg gestikt (gesmoord of gestorven),

d.w.z. hij is zeer oud geworden. De uitdr. in de wieg smoren komt o.a. voor bij Erasmus, die mededeelt, dat men in zijn tijd ‘si quando nunciatur obitus hominis natu grandis’ zeide: nihil acerbum haud periit in cunabulis (Suringar, Erasmus, bl. 385). Vgl. verder Vondel, Lucifer, 2041: Nu is het tyt om 't menschelyck geslacht te smooren in zyn wiegh, en opgang; Pers, 742 a: Beatrix trouwde met Karel III, waar by hy seven kinderen teelde, die alle, genoegh in de wieghe, zijn gestorven. Hooft bezigt de uitdrukking van kwaad, dat men in het begin stuitVgl. Journal, 364: Cassiod. var. 6, 21, 1: Sed quanto melius in ipsis cunabulis adhoc mollia reprimere quam indurata crimina vindicare.; zie Brieven, 230: Maar de luiden weeten wat het in heeft ende 't quaedt in de wiege te smooren. Elders in zijne Ned. Hist. spreekt hij, volgens Weiland, van ‘de misdraght der muitery in de wieghe te worghen’. Van Effen, Spect. III, 167 past ze toe op boeken, die ‘in zo een kwynende toestand ter waereld gekomen zyn, dat ze geen maand levens beloven, en dat het een barbaarsche wreedheid schynt, dezelven in de wieg te smoren, in plaats van ze hun eigen dood te laten sterven’. Zie nog Tijdschrift IV, 253: 't Waer beter dat gedrocht in zyne wieg gesmoord (vgl. fr. étouffer le monstre au berceau); Tuinman I, 315; Harreb. II, 457: Hij is in de wieg niet gesmoord (of verzuimdDit laatste bij Campen, 80: Ick en bin in die wieghe niet versuemet.); Nkr. III, 26 Sept. p. 3; VI, 5 Oct. p. 3 en vgl. het Friesch: hy is net yn 'e widze smoard; in Zuid-Nederland: hij is niet in de wieg versmacht (Claes, 287; Waasch Idiot. 742; Antw. Idiot. 1440).

2566. Tegen de wieg stooten,

d.w.z. drinken (alcohol), aan de flesch likken. Vgl. Sjof. 28: Het was bekend dat-ie lekker an de wieg stootte; S. en S.: Zoo'n meesterknecht is ook de kwaaiste niet, als je 'm zoo nou en dan 's mee an de wieg laat stoote; De Telegraaf, 18 Juni 1914 p. 5 k. 2: Ja soms ‘stooten’ zij zoo dikwijls ‘aan de wieg’, dat zij ‘voor Pampus liggen’ eer de dag, de Zondag, goed en wel begonnen is; Draaijer, 48: Stoot is an de wiege, toe, drink eens; Regenboogkleuren, 114: De ‘olde’ trakteerde vanwege de verloving van Koningin Wilhelmina en wij ‘stootten aan de wieg’; fri. oan 't naentsje (wiegje) of de nane stjitte, uit het glaasje proeven. Syn. is aan den draad trekken; zie Harreb. III, CXVIII: Aan den draad trekken, een minnaar van een borrel zijn; Sjof. 9: De meester die sterk aan den draad trok, was 's avonds nog al eens gepoetst; syn. van aan de kurk trekken (Busk. Huet). Ook in den algemeenen zin van ‘bij iemand om hulp aankloppen’ wordt ‘tegen de wieg stooten’ gebruikt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal