Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wezel - (marterachtige) (Mustela nivalis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wezel zn. ‘marterachtige’ (Mustela nivalis)
Mnl. wesel in wesselken ‘wezeltje’ [1240; Bern.], in ermelijn ... es van wesels yslachte ‘(de) hermelijn is verwant met de wezel’ [1287; VMNW].
Mnd. wēsel(e) (ndd. wessel, wessling, en wrsch. door ontlening nfri. wezeling); ohd. wisula (nhd. Wiesel); oe. weosule, wesle (ne. weasel); on. (hreysi)visla; ode. wæslæ; ozw. visla (nzw. vessla); < pgm. *wisulōn-.
Herkomst onduidelijk. Mogelijk een verkleinwoord bij *wisō- ‘bunzing’ (nhd. dial. Wies) of verwant met het eerste lid in → wisent, met een oorspr. betekenis ‘stank’, en dan misschien ook verwant met Latijn visium ‘stank’ (hapax), waarop wrsch. enkele woorden voor diverse marterachtigen in de Nederlandse dialecten teruggaan, zoals visse, fi(t)s.
Verder wordt dit woord wel verbonden met de wortel pie. *ueis- ‘vloeien, gif’ (IEW 1134), die binnen het Germaans nog ten grondslag ligt aan oostelijk mnl. wese ‘weiland’, ohd. wisa ‘id.’ (nhd. Wiese) en met o-trap oe. wāse ‘slijk, moeras’ (ne. ooze), on. veisa ‘slijk, plas stilstaand water’ en waartoe buiten het Germaans ook nog behoort: Latijn vīrus ‘slijm, vocht, gif, stank’ en zie verder → virus. Dit verband is echter niet zeker. EDale ziet er een taboewoord van de stam van → wezen 2 ‘zijn’ in, dan zou de pgm. *-i- echter uit *-e- moeten komen o.i.v. de volgende *-u- en dit is voor het Noord-Germaans niet waarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wezel* [roofdier] {wesel(e), wessel 1201-1250} middelnederduits wesel(e), oudhoogduits wisula (hoogduits Wiesel), oudengels weosule (engels weasel), oudzweeds visla; evenals visse, wisent, bizon afgeleid van een i.-e. stam met de betekenis ‘stinken’ of van de wortel van wezen [zijn] en dan een taboewoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wezel znw. v., mnl. wēsel m. v.? o. mnd. wēsel(e), ohd. wisula v. (nhd. wiesel’m. o.), oe. weosule, wesle v. (ne. weasel), on. hreysivisla v. ‘wezel’. Het woord zal wel deminutief van ohd. wissa ‘iltis’ zijn (Suolahti, Fschr. Sievers 1925, 112). Waarschijnlijk genoemd naar de scherpe reuk (evenals mnl. wēsent, ohd. wisant, wisunt, oe. wesand, weosend, on. visundr ‘bison’?) vgl. lat. visio, vissium ‘stank’, en nog niers fial (< *u̯iselo) ‘fretje’.

Men verbindt deze woorden verder met de idg. wt. *u̯eis ‘stromen, vloeien’, vooral ‘stank van rottende planten’ en dgl., waartoe ook behoren oostmnl. wēse ‘weiland’ (in plaatsnamen als Weesp, Wezembeek), ohd. wisa (nhd. wiese) en abl. oe. wās ‘vochtigheid’, wāse v. ‘drek, slijk’ (ne. woosy ‘vochtig’), on. veisa ‘slijk’, vgl. heth. u̯eši- ‘weide’, verder oi. viṣám ‘vochtigheid’, veṣám ‘gif’, gr. iós ‘gif’, lat. virus ‘vocht slijm’, miers fi ‘gif’, kymr. gwy ‘vocht’, toch. A wiskāñc ‘slik’, wäs Β w(a)se ‘gif’ (IEW 1134).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wezel znw., mnl. wēsel m. (v.?). = ohd. wisula v. (nhd. wiesel m. o.), mnd. wēsel(e) (v.?), ags. weosule, wësle v. (eng. weasel) “wezel”. De combinatie met gr. aiélouros, aílouros “kat” (*aϝis(e)lo-) is zeer onwsch. Eer moeten we van germ. *wesulôn-, *wesalôn- uitgaan. Oorsprong onzeker. Men heeft verwantschap met obg. veselŭ “vroolijk”, opr. wessals “id.” (mogelijk uit ’t Slav.) aangenomen (wezel “de dartele, vroolijke”); dit is echter ook — niet waarschijnlijker — met got. wizon “zwelgen”, waila wisan “feestvieren”, ohd. ags. wist, on. vist v. “voedsel”, ier. do-feotar “zij aten”, (lat. vêscor “ik eet”?), oi. vas- “eten” gecombineerd, ook — zeer onwsch. — met gr. hékēlos “rustig”. De combinatie van wezel met ksl. vichŭrŭ (vichrŭ?), lit. vė̃sulas “wervelwind, stormvlaag” is onwsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wezel. Mnl. wēsel m. v. o. Het On. heeft de samenst. hreysi-visla v. ‘id.’.
Als stiermarks wies ‘wezel’ een oude vorm is — en niet eerst secundair opgekomen doordat de langere vorm als deminutief werd opgevat — zal men met Riegler WuS. 4, 219 vlg. in germ. -lôn- een deminutiefsuffix mogen zien en de rechtstreekse combinatie met obg. veselŭ ‘vrolijk’ en die met lit. vėsulỹs, vė̃sulas ‘wervelwind’ (ook op zichzelf weinig aanlokkelijk) vervallen achten. De verbinding met ier. ‘vergif’, lat. vîrus ‘sap, vergif’, gr. īós ‘vergif’, oi. vîṣa- ‘id.’ (de wezel geldt als giftig) is zeer onzeker. Als wij lat. vîsio, vissio ‘ik laat een wind’, vissium ‘stank’ als oude woorden mogen beschouwen — het kunnen echter zeer wel jonge lat. onomatopeeën zijn —, dan zouden deze eerder verwant kunnen wezen (vgl. ofr. voisson ‘bunzing’ < lat. *vissio ‘stank’). In het Germ. zou dan in de eerste plaats gecombineerd moeten worden ohd. wissa (m.?) ‘bunzing’. Hoe ook de verhouding tussen dit laatste en de genoemde lat. woorden moge zijn, er is reden om binnen het Germ. ohd. wissa als het grondwoord te beschouwen en met Suolahti Germanica (Festschr. Sievers) 112 de wezelnaam op te vatten als ‘kleine bunzing’ (zie nog bij bunzing Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wezel v., Mnl. wesel + Ohd. wisula (Mhd. wisele, Nhd. wiesel), Ags. wesle (Eng. weasel): oorspr. onbek. Uit Ndd. Zw. vessla, De. væsel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

wesel s.nw.
Klein roofdier wat in gate in die grond 'n nes maak en van rotte, muise en konyne leef.
Uit Ndl. wezel (al Mnl.).
Ndl. wezel kan teruggevoer word na Vulgêrlatyn vissio 'stank' en die Indo-Germaanse wortel *uiso- 'stank', wsk. so genoem n.a.v. die dier se stank.
D. Wiesel (8ste eeu), Eng. weasel (voor 1100).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wesel: diern. (Mustela/Putorius nivalis, fam. Mustelidae); Ndl. wezel (Mnl. wesel), Hd. wiesel, Eng. weasel, herk. onseker, aanneemlikste lyk egter verb. m. Lat. virus en vissium, albei “stank”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

wezel: bangerd; angsthaas*. De wezel is een soort van marter: een klein, slank roofdiertje met een spitse kop en korte poten. Het beest is erg schuw. De zegswijze zo bang als een wezel vinden we al terug in de zestiende eeuw, bijvoorbeeld in het ‘Esbatement van den Schuiffman’. Daaruit de volgende regels: ‘Ghans honderden, siet onsen domine commen! Hy sidt beschaempt, al waert een wesele…’ ‘Beschaempt’ betekent hier ‘bang’.

Charles is een bange wezel, als gewoonlijk. (Willy van der Heide, Tumult in een toeristenhotel, 1954)
Je bent tussen een stelletje bange wezels beland, Wander. (K. Norel, Vliegers in het vuur, 1963)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Wezel ̶ Mustela nivalis (Linnaeus, 1766)
Duits: Mauswiezel; Engels: Weasel; Frans: Belette; Fries Wezeling
De wezel is het kleinste Nederlandse roofdier. Het vrouwtje, nog kleiner dan het mannetje, weet zelfs tot in de gangenstelsels van muizen door te dringen. Met uitzondering van de Waddeneilanden komt hij verspreid over het land vrij algemeen voor. Zijn habitat is zeer gevarieerd, maar meestal in drogere gebieden dan de hermelijn. Wezels maken hun nest in allerlei ondergrondse holen, tussen boomwortels en in steenhopen.
Hun rugvacht is grijsbruin van kleur, de buik is wit. De staart is vrij kort en eindigt, in tegenstelling met die van de hermelijn, nooit in een zwarte punt.
De woelmuis is het belangrijkste prooidier van de wezel. Waar woelmuizen ontbreken zal ook geen wezel voorkomen. Aanvullend staan (jonge) vogels, eieren, kikkers en insecten op het menu.
Het woord wezel (Mnl. wesele, wessel) stamt van een Indogermaanse basis met de betekenis ‘stinken’. Overeenkomende streeknamen zijn weesie of wezie (Noord-Holland), wezeling (Friesland, Noord-Holland), weesling (Friesland), broene waizel (= bruine wezel ̶ Gr), wiesel (Friesland), wieselke (Groningen), wiezel (Noord-Holland, Zuid-Limburg), wissel, wijzel(ke) en weezl (Twente).
Dat wezels soms een vogeleitje uitslurpen wordt bevestigd door de bijnamen aierwezel (Groningen), eierwezel, eierzuiper (Noord-Brabant) en eierhermken. De laatste naam vinden we eveneens voor de hermelijn. Zijn bijnaam kuikendief is te danken aan het feit dat wezels in een kippenren een enkele keer ‘beslag’ weten te leggen op een kuikentje.
Dat hermelijn en wezel nogal eens met elkaar verwisseld worden blijkt uit de voor beiden soorten overeenkomende namen als armpie (Gelderland), ermelientje (Zeeland), harm (Drente, Overijssel, Veluwe), harmelijn (Noord-Holland), harmeltje (Gelderland), harmke (Friesland), harmeling (Veluwe), harmeltjen (Achterhoek), heimtie (Overijssel) en hermken (Achterhoek, Overijssel).
Fluwijn (Zeeland), flewien (We) en flewine (Zeeland), eigenlijk namen van de steenmarter, worden soms ook voor de wezel gebruikt.
De geringe afmetingen van het dier worden benadrukt in kleine wezel (Achterhoek) en lytse wezel (Friesland).
De bijnaam muishond(je) (Overijssel, Vlaanderen) dankt de wezel aan het feit dat hij als een jachthond op muizen jaagt. Hetzelfde geldt voor de namen mushondje (Zuid-Holland) en muushondje of muuz’ondje (Zeeland). Elders komt de naam muiswezel (zie ook de Duitse soortnaam) voor.
De Latijnse soortnaam nivalis betekent o.a. ‘sneeuwwit’ en duidt vermoedelijk op de witte onderzijde van de wezel. Evenals de steenmarter wordt de wezel witkeeltje genoemd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wezel ‘marterachtige’ -> Frans dialect † vesele ‘marterachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wezel* marterachtige 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

156. Zoo bang als een wezel,

d.w.z. zeer bang. De wezel is zeer schuw; vandaar deze spreekwijze. Zie Ndl. Wdb. II, 970; V. Eijk II, 95; Harreb. II, 457; Joos, 12; Fokke, Boertige reis, 2, 92: Ze waren zoo bang als wezels voor al wat maar eenigzins op een draak geleek; fri. bang as in weesling. (Aanv.) De wezel is volstrekt niet bang, maar als hij in nood zit, zeer moedig. Zie A. de Cock, Volksgeloof, bl. 108 en vgl. nog Mloop IV, 928: Hy zwijcht, hi duuct als een wezel ende soude gaerne in vreden curen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut