Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wetering - (stroom)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wetering zn. ‘waterloop’
Oudnederlands wetteringa ‘afwatering’ (Utrecht, 1155; woord gebruikt door de inwoners van Polsbroek tussen Utrecht en Gouda), weteringe (Utrecht, 1159). Vroegmiddelnederlands weteringhe ‘afwateringssloot’ (1289, Haastrecht, Utrecht), utweteringhe ‘afwatering’ (1289, Dordrecht); daarnaast met -a-: watheringhe ‘gemeenschappelijke sloot’ (1266, Zuid-Holland), watringhe (1279), wateringhe, waterringhe (1282) ‘wetering; door afwateringssloten omsloten polder’ in West-Vlaanderen. De plaatsnaam Wateringen in Zuid-Holland kent beide varianten: meestal wateringhe (1282), eenmaal weteringhe en weterringhe. In de daarop volgende eeuwen tot minimaal 1600 geldt dat watering(e) in Vlaamse en de meeste Hollandse bronnen voorkomt, terwijl vanaf zuidoostelijk Zuid-Holland naar het oosten toe meestal wetering(e) staat. In de Vroegnieuwnederlandse schrijftaal komen wetering en watering beide voor, bijvoorbeeld ook binnen Amsterdam. In de loop der tijd wordt wetering de ongemarkeerde vorm, althans in het Noord-Nederlands. Koenens woordenboek uit 1905 kent alleen nog wetering, en in 1931 geven de uitgevers van Vondels werken bij diens toch doorzichtige wateringe de verklarende noot “wetering”. Mogelijk is watering(e) onder andere daarom verdrongen omdat het meerdere betekenissen had, ook ‘water geven, drenken’ (zo bijv. in de Statenbijbel), ‘plassen’ en ‘glans, schittering’ van edelstenen (zo nog bij Couperus), terwijl wetering een dergelijke meerduidigheid niet kende.
wateren ww. ‘afwateren’
Vmnl. wateren ‘doen afwateren’ (1277, West-Vlaanderen, Holland, Utrecht), weteren (Arkel, Sint-Michielsgestel), utwateren ‘water lozen’ (West-Vlaanderen, 1279); Nnl. wateren ‘water scheppen, gieten, drenken’ (1562; ook met ee, bijv. de swoeghende paerden weeteren, Hooft, 1624), ‘water lozen, afwateren’ (1525), ‘pissen’ (het eerst in watersteen ‘urinoir’, 1531), ‘in het water leggen’ (1624), enz. Moderne dialecten bevestigen het voorkomen van umlaut in het oosten: Maastricht weteren ‘in het water leggen (om te ontzouten)’, Uden witteren ‘(het vee) te drinken geven; hout in water leggen om hard te worden’, Deventer wèteren ‘vloeibaar voedsel geven’, Staphorst weeteren ‘(vee) drinken geven’.
Verwante vormen: Mnd. weteringe ‘afwatering, sloot’, weteren, wateren ‘afwateren’, Mhd. wezzern ‘bewateren, gieten’, Oudfries wet(e)ringe, wētringe, MoWFri. wjittering ‘afwateringssloot’, wetria ‘ontwateren’, ūtwetria ‘uitwateren’, Oudengels wæterung ‘het watergeven’, wæterian ‘water geven’.
We vinden i-umlaut in Utrecht en verder oostelijk, hetgeen met de gebruikelijke geografische verdeling van de productieve, morfologische umlaut overeenkomt. Het zn. wetering is duidelijk afgeleid van het ww. weteren, en kan dus geen aanspraak maken op hoge ouderdom (de Oudengelse vormen zijn onafhankelijk van de continentale). Het ww. zou als WGm. *watarjan- gereconstrueerd kunnen worden, maar waarschijnlijker is dat het om een latere, intern-Nederlands-Nederduitse afleiding bij water gaat.
[Gepubliceerd op 19-11-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wetering* [stroom] {wetteringa 1155, weteringe 1159} oostelijke vorm naast middelnederlands wateringe [sloot], van weteren, wateren [afwateren], van water.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wetering znw. v. mnl. wēteringe, wēterinc, oostel. vorm naast wāteringe ‘afwatering, sloot, wetering’, vgl. nnd. wēteringe ‘afwateringssloot’ (reeds 1181), een afl. van mnl. mnd. wēteren ‘(doen) afwateren’, een afl. van water.

Met nl. kolonisten kwam het woord watering, wetering naar de Altmark, waar wij wäteringe vinden (vgl. Teuchert Sprachreste 185). Mnl. watering betekent ook ‘plaats waar men vee drenkt’ en in deze bet. is het woord in de Mark algemeen bekend (vgl. Teuchert 372).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wetering znw. Een oorspr. oostndl., reeds mnl. woord. In ’t Ndd. al in 1181 weteringe v. “afwateringssloot”; bij mnl. mnd. wēteren o.a. = “afwateren”; van water.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wetering v., van *weteren + Hgd. wässern; met e = ä, denom. van water.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

wetering 'waterloop voor de afwatering van een bepaald gebied'
Onl. wetteringa (in meervoud), aque, que apud nos dicitur weteringe, mnl. wateringe, weteringe, weterinc, oostelijke vorm naast wateringe 'waterloop voor de afwatering van een bepaald gebied, sloot', een afleiding van mnl. weteren '(doen) afwateren, dat zelf weer een afleiding is van water.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wetering, met klankwisseling afgeleid van water, dus: waterloop. Vgl.: de koeien weteren = water geven, drenken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wetering ‘stroom’ -> Duits dialect Weteringe, Wäteringe, Wetterung ‘stroom, sloot, afwatering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wetering* stroom 1155 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut