Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wetenschap - (kennis; bestudering van een vak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wetenschap zn. ‘kennis; bestudering van een vak’
Mnl. wetenschap ‘het weten’ in Na mire besten wetenscepen ‘naar mijn beste weten’ [1290-1310; MNW-R], by consente ofte wetenschap van den backer ‘met toestemming of medeweten van de bakker’ [1437; MNW]; vnnl. wetenscap ‘systematisch verworven kennis’ in Muse waren negen Goddinnen aller Wetenschap ende Consten [1560; iWNT].
Gevormd uit → weten en → -schap. Oorspr. was dit een abstractum met een neutrale betekenis ‘(het) weten, bewustzijn’. In de renaissance begon men d.m.v. onderzoek kennis te verwerven en systematisch te beschrijven, een activiteit waarvoor men het woord wetenschap koos.
wetenschapper zn. ‘wetenschapsbeoefenaar’. Nnl. niet ... als positi[e]ve wetenschapper, doch als metaphysiker en wijsgeer [1907; Boekenschouw]. Ontleend aan Duits Wissenschafter ‘wetenschapsbeoefenaar’ [ca. 1800; Pfeifer], een afleiding van Wissenschaft ‘wetenschap’, die als correcter werd beschouwd dan het aanvankelijk wat minachtende Wissenschaftler ‘wetenschapper’ [18e eeuw; Pfeifer]. Wissenschaft is op dezelfde manier gevormd als Nederlands wetenschap, uit wissen ‘weten’, verwant met weten, en -schaft, verwant met -schap.
Lit.: Boekenschouw voor godsdienst, wetenschap en kunst 2 (z.a., 1907), Amsterdam/Leuven, 390

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wetenschap* [het weten, de kennis] {wetensc(h)ap [wetenschap, weten, denkvermogen, bewustzijn, medeweten, toestemming, mededeling, kennisgeving, rechterlijke aanzegging] 1300} de betekenis heeft zich vernauwd o.i.v. latijn scientia.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wetenschap znw. Reeds mnl. mhd. mnd. met de bet. “het weten, kennis”. De tegenwoordige bet. onder invloed van lat. scientia.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wetenskap s.nw.
1. Geheel van die menslike kennis verkry deur waarneming, eksperimentering en logiese redenering. 2. Studieveld van sistematies gerangskikte feite. 3. Gesamentlike beoefenaars van die wetenskappe. 4. Natuurwetenskap.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. wetenschap (1552 in bet. 1, 1560 in bet. 2, 1600 in bet. 3), 'n afleiding met -schap '-skap' van weten 'weet'. Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. natural science (1425) of physical science (1845). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wissenschaft (14de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wetenschap ‘het weten, de kennis’ -> Deens videnskab ‘het weten, de kennis’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors vitenskap ‘het weten, de kennis’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vetenskap ‘het weten, de kennis’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands wetenskap ‘het weten, de kennis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wetenschap* het weten, de kennis 1300 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut