Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weten - (kennis hebben, begrijpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

weten ww. ‘kennis hebben, begrijpen’
Onl. witon ‘weten, kennen’ in In uuitton sulun ‘en zij zullen (het) weten’, Got thu uueist unuuiti mine ‘God, u kent mijn onwetendheid’, ik ne uuista ‘ik wist niets’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. weten [1240; Bern.].
Os. wēt/witun; ohd. weiz/wizzum (nhd. weiß/wissen); ofri. wāt/witon (nfri. wit(t)e); oe. wāt/witon; on. veit/witum; got. wait/witum; < pgm. *wait/*witum(-), zoals *bait-, *bit- ‘beet, beten’ bij *bītan- ‘bijten’. Uit de stam *wit- + verleden-tijdsuitgang ontstond klankwettig pgm. *wiss-. Doordat de hieruit ontstane vormen (onl. *wisse) door het ontbreken van een dentale occlusief niet meer als verleden tijd herkenbaar waren, werd opnieuw een verleden-tijdsuitgang toegevoegd, en zo ontstond de vorm mnl. wiste.
Verwant met: Latijn vidēre ‘zien’ (herkenbaar in vele leenwoorden, zie → visie); Grieks eídesthai ‘(ver)schijnen’, ideĩn ‘ontwaren’, eidénai ‘weten, begrijpen’, oida dat oorspr. een digamma (w) in de anlaut had ‘ik weet’ (zie → idee, → idool), hístōr ‘wijze man’ (< pie. *uid-tōr, zie → historie); Sanskrit véda, vidáti ‘weten’, véda ‘(gewijde) kennis’ (zoals in het leenwoord veda ‘heilig boek dat deel uitmaakt van de canon van het hindoeïsme’); Litouws veizdėti ‘zien’, Oudpruisisch waidima ‘wij weten’; Oudkerkslavisch viždą, vidiši, viděti ‘zien’ vědě ‘ik weet’; Oudiers find ‘id.’; Middelwelsh gwnn ‘id.’; Armeens gitem ‘id.’, gtanem ‘vinden’; < pie. *ueid-, *uoid-, *uid- ‘zien, waarnemen, te weten komen’ (LIV 665). De Germaanse vorm *wait- komt evenals bijv. Sanskrit véda uit het pie. perfectum *uoid-. De pie. betekenisontwikkeling is dus ‘ik heb gezien’ > ‘ik weet’.
Zie verder nog de Germaanse afleidingen → wet, → wijze, → wijzen en de wrsch. reeds Indo-Europese afleiding → wis ‘zeker’. Ook wijten ‘ten laste leggen’ en verwittigen ‘doen weten’ zijn verwant.
weetgierig bn. ‘leergierig’. Vnnl. eerst het bijwoord weetgierighlijck [1570; iWNT], dan weetgierig in ende den weetgierigen noeswysen ‘en de weetgierige wijsneuzen’ [1590; iWNT]. Samenstelling van de stam van → weten en → gierig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weten* [kennis hebben, begrijpen] {oudnederlands witon 901-1000, middelnederlands weten} oudsaksisch, oudengels, gotisch wĭtan, oudhoogduits wizzan, oudnoors vita; buiten het germ. latijn vidēre [zien], grieks eidenai, (< ∗weidenai) [weten], armeens gitem, oudkerkslavisch vědě, oudindisch veda [ik weet] (vgl. druïde, wijten). In de uitdrukking al ons weten is stukwerk [onverwacht werk] is stuk gebruikt in de zin van ‘gedeelte’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weten ww., mnl. wēten, onfrank. witon, os. witan, ohd. wiʒʒan, ofri. wita, oe. witan, on. vita, got. witan. De 1ste p. enk. luidt mnl. weet, onfrank. weit, os. wēt, ohd. weiʒ (nhd. weiss), ofri. wēt, oe. wāt, on. veit, got. wait; dit is een idg. perfectum beantwoordend aan oi. vēda, gr. oĩda, osl. vědě ‘ik weet’, behorend tot de idg. wt. *u̯eid ‘zien’, vgl. oi. vēdate, vidáti ‘weten’, gr. eídomai ‘verschijnen, schijnen’, eĩdon ‘ik zag’, oiers find ‘wit’, lat. videō ‘zien’, oiers ad-fiadat ‘zij vertellen’ mkymr. 1. p. gwnn ‘ik weet’, lit. véizdmi, veizdė́ti ‘zien, kijken’, osl. viždą, vidiši, viděti ‘zien’ (IEW 1195-7). — Zie ook: wet, wijs, wijten, wis en verwittigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weten ww., mnl. wēten, (ic) weet. = onfr. witon, weit, ohd. wiʒʒan, weiʒ (nhd. wissen, weiss), os. witan, wêt, ofri. wita, wêt, ags. witan, wât (eng. wot), on. vita, veit, got. witan, wait “weten, ik weet”. Idg. perfectum van de basis wid- “zien, te weten komen”: = gr. oída, oi. véda “ik weet”; vgl. verder vooral obg. vědě “ik weet”, opr. waidima “wij weten”, obg. věmĭ, arm. gitem, oi. védmi “ik weet”, verder o.a. ier. ro-finnadar “hij weet”, mkymr. gwnn “ik weet”, lat. video “ik zie”, gr. ideīn “zien”, eídomai “ik schijn”, ídris “kundig, wijs” = on. vitr “id.” en obg. viždą, viděti, lit. véizdmi, veizdė́ti “zien”, bovendien de bij verwittigen, wet, wijs, wijten, wis genoemde woorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weten o.w. (kennis hebben), Mnl. id., Onfra. witon, Os. witan + Ohd. wiʒʒan (Mhd. wiʒʒen, Nhd. wissen), Ags. witan (Eng. to wit), Ofri. wita, On. vita (Zw. veta, De. vide), Go. witan + Skr. wrt. vid = zien, Gr. ideῖn = gezien hebben, Osl. viděti = zien: Idg. wrt. u̯eid. De Germ. infin. is gemaakt naar het meerv. van het praes. ik weet (Skr. veda, Gr. oῖda = ik weet), dat gevormd is als een gewoon imperf. van de ij-klasse, uitgenomen dat het nooit reduplicatie gehad heeft (z. wijten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

weite, wete (ww.) weten; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) wijte(n), wyten, Aajdnederlands witon <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

weten te (wist, heeft geweten), kunnen, in staat zijn (tot). Ze zijn acht jaar oud, maar weten niet te lezen en te schrijven (Hijlaard 63). - Etym.: Ook in AN, maar veel minder alg.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weet: begryp, insien, kennis dra van; Ndl. weten (Mnl. weten), Hd. wissen, Eng. to wit (= Afr. te wete) en veroud. wot, Got. witan, berus op vorm v. impf./perf. v. ’n Idg. ww. wat “sien” bet., vgl. Lat. vidēre, Gr. idein, “sien” en Gr. oida en oistha, “weet”, Skt. veda, “ek weet”, lg. “het gesien” = “weet”; v. wet, wis II en III, wyt, wys I, II en III.

wis III [+]: (veroud. maar nog dial. v.) verl. tyd v. weet (q.v.).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Weet ww. Segsw.: Dit is vir my om te weet en vir jou om uit te vind. Dit sê een kind aan ’n ander as hy op ’n vraag nie wil antwoord nie. – Vgl. in dieselfde verband Dijkstra I, 427: Dat is for dy in fraech en for my in weetsje. Ook Harreb. II, LXXXVI: Dat is van u eene vraag, voor mij eene weet.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

weet ik veel (Jiddisch waass isch viel)
weten (ik weet niet wat) (vert. van Frans je ne sais quoi); (te --) (vert. van Frans à savoir)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weten ‘kennis hebben, begrijpen’ -> Negerhollands weet, wēt ‘kennis hebben, kennen’;? wietie ‘praten, zeggen, spreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weten* kennis hebben, begrijpen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2563. Al ons weten is stukwerk.

Onder stukwerk verstaat men werk dat niet af is, onvolmaakt werk. ‘Stuk’ heeft hier de bet. van gedeelte. Vgl. Kiliaen: Stuckwerck, opus imperfectum; Plantijn: Stuckwerck, un ouvrage imparfaict ou en parlie, qui ne vient à nul effect, imperfectum opus. Zie Harreb. II, 319 b en Zeeman, 453, die in deze zegswijze eene herinnering ziet aan I Kor. 13 vs. 9: Want wy kennen ten deele, ende wy propheteeren ten deele. Vgl. hd. unser Wissen ist nur Stückwerk; eng. our knowledge is only patchwork.

1883. Iets op een prik weten,

d.w.z. iets zeer nauwkeurig weten ‘tot een stipje toe’ (Tuinman I, 196). In de 17de eeuw is de uitdrukking zeer gewoon; men vindt haar o.a. in Kluchtspel II, 93; Coster, 357, vs. 1660 (op ien prick kijcken); Brederoo I, 342, vs. 1129: En (ghy) wilt juyst op een prick der dingen gront opsoecken; Hooft, Brieven, 282; Ged. I, 316; Vondel II, (ed. Thijm), 349: Tot een prik toe, naauw en juist; Paffenrode, 162: 't Is sulken aerdigen diertje, se heeft haer loopjes op een prik; Sewel, 651: Hy weet het op een prik, he knows it exactly; Halma, 517: Hij gelijkt zijnen vader op eene prik, il ressemble à son père comme deux gouttes d'eau; Land v. Waas: iemand op een prik kennen; fri. op 'e (of in) prik. De uitdr. kan ontleend zijn aan de verponding, waarbij men onder een prik verstond: de kleinste som, waarvan bij het taxeeren van iemands bezittingen met het oog op de verponding, nota werd genomen; vandaar de uitdr. op een prik schatten, tot op een cent taxeeren (Hooft, Warenar, 745), zeer nauwkeurig schatten. Zie Taal en Letteren VII, 194; VIII, 241; Boekenoogen, 791; Tijdschrift XX, 202; 203; Mnl. Wdb. III, 434; VI, 680.

In het Ndl. Wdb. XI, 305 wordt ‘op een prik’ vergeleken met ‘op een haar’ en verklaard als ‘een prik, een haar uitgezonderd; en vandaar ter uitdrukking van een hoogen graad van volkomenheid, zoodat het niet de breedte van een haar, van een prik scheelt; zeer nauwkeurig’; zie ook Ndl. Wdb. V, 1403. Vgl.: elkander op een prik gelijken; het nd. datt wett he prikk; he kummt prikk (juist, stipt op tijd); het dial. iets op de prik doen, iets in de puntjes verrichten (Nav. XXIII, 204) en het oostfri. prik, nauwkeurig, netjes; up 'n prik (of tip), zeer nauwkeurig; de. paa en Prik.

1886. Van den prins geen kwaad weten,

d.i. zich geen kwaad bewust zijn, geen kwaad vermoeden, argeloos zijn; syn. van den drommel geen kwaad weten (Harreb. I, 155 b of van God geen kwaad weten, dat in de 17de eeuw voorkomt bij Heinsius, Verm. Avant. I, 325; Poirters, Mask. 188 en thans nog in het Friesch bekend is, naast van Rodermont geen kwaad weten; vgl. Ndl. Wdb. V, 211; XIII, 657 en W. Dijkstra II, 362 a: hy wit fen 'e prins gjin kwea, hij is onnoozel in het geval; ook hy wit fen God gjin kwea. Vermoedelijk dagteekent de zegswijze uit den tijd, dat velen den Prins van Oranje hoog vereerden en geen kwaad van hem wilden hooren. Zoo kon van den prins geen kwaad zeggen de algemeene beteekenis aannemen van zich stil houden, niemand te na spreken, niets misdoen, en van den prins geen kwaad weten, doen alsof men geen kwaad kent, aan iets onschuldig zijn; argeloos zijn. Vgl. Pamfl. Muller, 662 (anno 1608), bl. 4 v: Wy hebben van den prins geen quaet geseyt noch daer en is niemant te na gesproken; Pers, 608 a: Rydende voorts totten Deken, Heer Adriaen van Zuylen, wierde hy (de Prins) met soodanige blijdschap onthaelt en verwellekomt, dat yder hem ten Hemel verheffende, niemant van de Prins hadde quaed geseyt; 669 b: Dan kost hy (broer Cornelis) wederom den smeerpot op de zyde hangen, als of hy van 't Prinsken geen quaet hadde geseyt; Middelb. Avant. 780: De oude Beul, die wegens zyne doofheid van de Prins geen kwaad wist. Tuinman I, 62 beweert dat de spreekwijze afkomstig is van Broêr Kornelis ‘die na 't uitbraaken van zyn dulle gal tegen den Prins van Oranje op den predikstoel, uit vreeze van toon veranderde en zeide: Ik ben bly, om dat ik van den Prins geen quaad gezegt heb; Harreb. I, 460 b; Ndl. Wdb. VIII, 652. (Aanv.) Syn. Hij doet net alsof zijn neus bloedt, hij houdt zich onnoozel.

2245. Hij weet van Teeuwes noch Meeuwes,

d.w.z. hij weet van niets meer, vooral gezegd van een beschonkene. Men houdt Teeuwes en Meeuwes voor verkortingen van de apostelnamen Mattheüs en BartholomeüsNav. XXXIV, 605; Laurillard, 134; Mnl. Wdb. IV, 1333.. In de 16de eeuw luidde de uitdr. van Deus (Zebedeus?) noch Meus wetenVeelderh. Gen. Dichten, bl. 172 (ed. 1899).; in de 17de eeuw komt ze in den tegenwoordigen vorm voor, blijkens Tijdschrift XX, 298; Tuinman I, 122: Hij wist van Teeuwes, noch van Meeuwes. Volgens Schuerm. Bijv. 195 a zegt men in sommige deelen van Zuid-Nederland ook: hij weet van teezen noch van meezen en hij weet van teeuwen noch meeuwen. Ook in het oostfri.: hê wêt fan gên Têwes of Mêwes, er ist erzdumm (Dirksen I, 98); in Gron. hij wijt van gijn tijwes of mijwes (Molema, 436 b); in Deventer: hie wist van gin Teeuwis of Meeuwis, hij was geheel buiten westen (Draaijer 41); vgl. Peet, 132: Ajakkie, om te rille, zoo 's nachts in het hartstikke donker mit 'n lantaarntje bij al die dooje, die niks meer wiste van teeufes noch meeufes; fri. hy wist fen tewis noch mewis, hij verkeerde in een toestand van bewusteloosheid. In vroegeren tijd ook: hij weet van Geus noch MeusZeitschrift f.D. Alterthum, bd. 36, p. 303..

2429. Weten welk vleesch men in de kuip heeft,

d.w.z. weten met welk soort menschen men te doen heeft; den aard en het karakter kennen van degenen met wie men omgaat; wat men aan iemand heeft; vgl. Cats I, 466: Een die verkopen wil, maer één oge behoeft, want hy weet te vore wat vleysch hy in de kuyp heeft, maer die koopen wil, behoeft 'er wel hondert; II, 63: Als een man weet wat vleesch hy (aan zijne vrouw) in de kuyp heeft, zoo kan hy 'er pekel na maken; C. Wildsch. III, 83; W. Leevend V, 210; V. Janus, II, 124; 256; Harreb. I, 456 b: Hij weet wel, wat spek (of vleesch) hij in de kuip heeft; Handelsblad, 23 Sept. 1913, p. 1 k. 1 (avondbl.): Wij weten nu, na de Troonrede althans ongeveer welk vleesch wij in de kuip hebben met het nieuwe kabinet; Handelingen der Stat.-Gen. 1913-1914, p. 2827 k. 1: Wij weten sedert lang allen heel goed, welk vleesch wij met den heer Tijdeman in de kuip hebben; A. Jodenh. II, 24; Nest, 31; Menschenw. 520; Het Volk, 29 Mei 1914, p. 1 k. 4: De socialisten weten zeer goed welk oud-liberaal vleesch zij met de heeren Nierstrasz en Ter Spill in de kuip hebben; 8 Juni 1914, p. 1 k. 3: Ziende welk vlees dr. Bos in z'n concentratie-kuip had; Nw. School V, 288: Die schrijver wist van 't begin af aan welk vleesch hij in de kuip had; Nkr. IX, 1 Mei p. 6: Ze weten wel, wat voor vleesch ze in de kuip hebben, en dat de arbeiders veel te laf en te beroerd zijn om zoo'n fooi niet aan te pakken; De Arbeid, 26 Dec. 1914, p. 2 k. 3; enz. In het fri. wite hwet flêsk men yn 'e kûpe het. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 716 b: gewaar worden welk vleesch men in de kuip heeft, ondervinden dat er gelogen wordt.

2475. Weten hoe de vork in (of aan) den steel zit,

d.i. eig. weten hoe de hooivork in den steel zit; overdr.: weten hoe de zaak in elkander zit, hoe de toedracht der zaak is. In de 17de eeuw komt de uitdrukking o.a. voor bij Smetius, 204; Spaan, 45: De moer zond dan door dezelve boden brieven wederom, hoe de vork in de steel stond; bl. 281: Alzoo het Wyf niet naliet bekend te maken hoe de vork aan de steel stond; Middelb. Avant. 113: Toen merkte ik, hoe de vork in den steel stak. Hiernaast in de 18de eeuw bij Tuinman I, 343: Men moet zien hoe de herk aan den steel staat, dit wil zeggen, men moet op den toestand der zaak acht geven; zo plegen hooyers te zien, of hunne herken, die zy gebruiken moeten, los of vast aan den steel staan, om in hun werk niet belemmert te worden; Spect. IX, 60: Dan kan ik zelf zien hoe de vork in den steel steekt; in C. Wildsch. IV, 194: Hooren, hoe de vork in den steel zit; Harreb. I, 285 a; Cam. Obsc.19 bl, 62; Dievenp. 121; B.B. 326; Het Volk, 29 Juli 1915 p. 1 k. 2: Wethouder Vliegen vertelde precies hoe de vork in den steel zat. In het fri. sjen ho't de foarke yn 'e stok (of stâlle) sit; Twente: weten hoo de schuppe of de harke an 'n stel zit; afrik. weet hoe die vurk in die steel (hef) steek (sit); oostfri.: weten, ho de harke in de stêl sit, den Zusammenhang der Dinge kennen und demgemäsz eine Sache richtig anfassen (Dirksen I, 108); nederd. he wêt, wo der Forke im Stêl stickt (Eckart, 571). Ook in Zuid-Nederland: weten hoedat de vörk in de(n) steel zit (Antw. Idiot. 2141) naast weten waar het verken vast is (Schuerm. 787 b; Antw. Idiot. 1336Deze zegswijze ook in Pamfl. Muller, 630 r (anno 1608).) of waar het peerd gebonden ligt (Antw. Idiot. 1962). Vgl. het eng. to put the axe in the helve, een moeilijkheid oplossen.

2517. Van wanten weten,

d.w.z. de zaak verstaan, volkomen op de hoogte zijn, ‘van vinken weten’ (Harrebomée II, 383 a); ook: op de hoogte zijn van iets, ingewijd zijn in de geheimen. De uitdr. wordt aangetroffen bij Harreb. I, 444: Hij weet van wanten, hij doet een kousen-winkel, dat nog zoo te Amsterdam gezegd wordt. Vgl. voor Zuid-Nederland Antw. Idiot. 1417: Van wanten weten, geld hebben, rijk zijn (evenzoo Waasch Idiot. 731); in het Land v. Aalst beteekent hij zal van wanten weten, hij zal een pak slaag of eene strenge berisping krijgen; te Antwerpen kent men volgens Schuerm. Bijv. 384: Weten wat een paar wanten kost, al heeft men in geen kousenwinkel gewoond, van eene zaak ook verstand hebben. Hieruit zou men kunnen opmaken, dat de uitdr. elliptisch is, indien het niet allen schijn had, dat dit laatste gedeelte er ter verklaring aan is toegevoegd. In het Oostfri. kent men haar ook, doch zonder dit laatste stuk; vgl. Ten Doornk. Koolm. III, 510; Hê wêt wat fan wanten, von Jemandem der weit hergekommen ist u. viel erlebt u. erfahren hat, bz. überall Bescheid weiss wie ein alter erfahrener Schiffer. Hier wordt dus gedacht aan want touwwerk, en het is niet onmogelijk, dat we met dit woord te doen hebben, vooral met het oog op het 17de-eeuwsche zijn want wel kennen, gezegd van den zeeman, met het want goed kunnen omgaan (zie Com. Vet. 48), zijn vak verstaan (vgl. eng. to know the ropes, zijn vak verstaan) en de uitdr. de wanten stellen, den baas spelen, de beest spelen; eig. de zeilen hun plaats geven; bevelen hoe men de zeilen moet zetten (?Hooft, Uitlegk. Wdb.; Ged. II, 424: vgl. het synonieme de pijpen stellen, welke uitdr. aan een orgel ontleend is (Huydecoper, Proeve, I, 373; Winschooten, 188; Korenbl. II, 252) en de noten stellen, schreeuwen, geraas maken (Sewel, 526).). Indien dit vermoeden juist is, dan moet de eig. beteekenis van de uitdr. van wanten weten zijn: goed met het want kunnen omgaan, en bij uitbreiding in het algemeen: van iets goed op de hoogte zijn, weten wat men doetZie Van Lennep, 257; andere verklaringen in Taal en Letteren II, 227; VI, 230vlgg., waar want als zelfst. voegw. wordt opgevat. Iemand die van ‘wanten’ weet is dan eig. iemand die overal de reden, de oorzaak van opgeven kan. Vgl. fr. comprendre pourquoi et comment en N. Taalgids XII, 167: De firma Oudegeest en Co zijn niet dood. Ze roept: Fout! fout! Dit mag niet en dat mag niet en dat mag niet, want... want... want! Ja, ze weet van wanten.. Zie verder Zandstr. 40: En 't moet al raar loopen, wanneer zoo'n jongen daar den eersten keer al geen kornuiten onder treft, die reeds van wanten weten; Nkr. III, 14 Febr. p. 6: Eens per maand dan krijgt de man (een politieagent) belooning in contanten; krijg je veel, dan denkt de chef, nou die weet van wanten; G.W. Lovendaal, Licht Geluid, Jan Holland: Jan bezoekt weer de oude klanten van zijn huis in West en Oost; hoe men loenscht van alle kanten: de ouwe jongen weet van wanten: kijk, hoe knap hij binnenloodst; Nw. Rotterd. Courant, 19 April 1914 (ochtendbl. c) p. 1 k. 4: En dan is Den Haag toch nog wat anders (wat publieke vermakelijkheden betreft). Zelfs de Parijsche raadsleden waren gekomen en die weten toch ook wel van wanten; De Amsterdammer, 10 Aug. 1913 p. 3 k. 3: Ze waren kostelijk gebraden, goud-bruin op 'n dito croûton; de juffrouw die vroeger kokkin was geweest, wist van wanten; De Padvinder, IV, p. 717 k. 3: Ik had in Christiania een tante; niet een ‘oude tante, die weet van wante’, zooals het liedje zegt, maar een heele lieve tante; Propria Cures, XXVI, 4 bl. 39: En dan vertel ik in haar oor van 't liefje dat ik uitverkoos, dan lacht ze stil, ze weet van wanten, m'n ouwe tante; S. en S. 51: Toevallig raakt ie in die dagen verzeild an de Vetkaars, 'n bovenste beste - die wist van wante: verdikkeme nog toe! Hiernaast van wanten zijn, bijdehand zijn; vgl. Handelsblad, 8 Oct. 1916 (O), p. 6, k. 4: Eerst aan het einde hooren we dat majoor Jerolimo dik in de beren zit bij Byateris nog wel, die van wanten is.

2545. Weet ik veel!

een joodsch gezegde, dat gebezigd wordt om uit te drukken, dat men er niet veel van weet; er niet verder over wenscht te spreken. Vgl. Voorzanger en Polak, 34: Weet ik veel!, praten wij er maar niet verder over, daar kan ik me niet mee ophouden, ik wil er niets meer van zeggen; weet ie veel, hij is dom; Nw. School VIII, 468: Mij kan het niks schelen, de tonneninhoud van Rotterdam, Nieuw-Amsterdam, etc. alle stoomvaartlijnen, àllemaal lezer! die van Rotterdam uit varen laten, weet ik veel! Nw. Amsterdammer, 6 Febr. 1915, p. 9 k. 2: Mama staat schokschouderend op en pa brult: Nou ja, weet je veel; Persl. 172: Izak zeg dat 't (gordijn) neer mot. Weet-ie-veèl .... geloof mijn nou. Es, 't het niet noodig; bl. 175: Vin je niet Es? ‘Weet 'k veel’ zei ze en trok de schouders op; Zoek 25: Doar is ewest meneer Davissen de makelaar en doar was mevrouw de Beer en ik weet veule, allemoal nette lui; bl. 71: Hàd 'k ze dan mutten vroagen? hervroeg de ouwe, z'n vrouw aanziend. ‘Weet 'k veule,’ haalde Moeder de schouders op; bl. 216: Honger! wisten ze veule wat of honger was! Ze hadden altied de weeldebrokkies ehad; Het Volk, 29 Oct. 1913 p. 5 k. 1: Ga maar op huisbezoek plakken, en weet ik veel!

2546. Wat niet weet, wat niet deert.

't Geen men niet weet, deert het herte niet, van iets geheel onbekends kan men geen smertelijke aandoening hebben’ (Tuinman I, 331). Vgl. De Brune, 386:

 Dat men niet en weet, of ziet,
 Dat en kan ons deeren niet.

W. Leevend VI, 6: Die niet weet, die niet deert; Martinet, 70: 't Geen men niet weet, deert het hart niet; Harreb. I, 288 a; II, 13 a: Wat men niet weet, doet ons geen leed; hd. was ich nicht weisz, macht mich nicht heisz (Wander V, 297 a; Eckart, 570); eng. what the eye does not see, the heart does not rue; fr. ce que j'ignore ne me fait pas mal. In het Land v. Aalst: niet en ziet, niet en deert; Land v. Waas: die niet en weet (of ziet), die en deert; te Antw.: niet en weet niet en let (Antw. Idiot. 2159). Zie no. 2503, noot 2.

2547. Zijn weetje (wel) weten,

d.w.z. slim, knap zijn; zijn vak goed verstaan; mnl. sine wet weten, zijn weetje weten; alle wete weten, alles weten; zie Kiliaen: Wete, scientia en vgl. R. Visscher, Brabbeling, 121:

 Die uyt het verleden merckt het toekomende spel,
 Sulck een die weet sijn weetjen wel.

Huygens, Hofwijck, vs. 257; Hooft, Brieven, 400: Derhalven mag U.E. wel zeggen, dat de Schijnheilig zijn weetjen weet; V.d. Venne, 192: Die 't Weetjen weten wel die achten 't maer voor spel; De Brune, 124; Spaan, 359; Tuinman I, nal. 14; Harreb. II, 46 a. Vgl. hiernaast het mnl. enen die wete doen, iemand kennis geven; 17de eeuw iemand de weet of weete doen (Mouf. 59; Rutten, 274 a; De Bo, 1381; V.d. Water, 150); iets aan de weet komen (Gunnink, 241; Boekenoogen, 1204); er de weet van krijgen (Zandstr. 57); nergens weet van hebben, hetzelfde als nergens van weten (Halma), voor alles ongevoelig of onverschillig zijn (Jord. 428); ergens weet van hebben, geneigd zijn tot (Gunnink, 241); het is maar eene weet (17de eeuw; o.a. Mergh, 2; ook De Bo, 1381), men moet het maar weten, er den slag maar van hebben; Groningsch: hij het zien wijtje wel (Molema, 580 b); fri. hy het (of wit) syn weetsje wol; immen hwet oan 'e weet bringe; oostfri. sin wêt(je) weten. Ook in Zuid-Nederland zijn de uitdrr. zijn weet weten, iemand de weet laten, iets aan de weet komen of geraken, dat en is maar een weet zeer gewoon (vgl. o.a. Antw. Idiot. 1427; Waasch Idiot. 736 b; Claes, 283).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut