Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

werpen - (gooien; (jongen) ter wereld brengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

werpen ww. ‘gooien; (jongen) ter wereld brengen’
Onl. werpan ‘gooien, afwerpen’ in Uuirp ouir herrin sorga thina ‘gooi je zorgen neer voor de Heer’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. werpen ‘gooien’ waarbij veel figuurlijke en overdrachtelijke bijbetekenissen als ‘treffen’ in wurpen si ůen in allen siden ‘troffen ze hem aan alle kanten’ [1220-40; VMNW], ‘verjagen’ in uten hus ... tewerpene ‘uit het huis weg te jagen’ [1236; VMNW], ‘verlossen’ in Die dach hi warpse vtin ellinde ‘die dag verloste hij hen uit de ellende’ [1265-70; VMNW], ‘werpen (van jongen)’ in hare urucht te werpene ‘om haar jong te werpen’ [1287; VMNW].
Os. werpan (nnd. warpen); ohd. werfan (nhd. werfen); ofri. werpa (nfri. werpe); oe. weorpan (ne. warp ‘krommen, buigen’); on. verpa (nzw. värpa ‘(eieren) leggen’); got. wairpan; < pgm. *werpan- ‘gooien’.
Wrsch. met assimilatie van vroeg-pgm. *w-kw > *w-p (Seebold 1970, en zie ook → wolf) ontstaan uit pie. *uergw- ‘gooien’ (LIV 689) en dan verwant met Oudkerkslavisch vrěšti (1e pers. ev. vrigǫ) ‘id.’. Verdere herleiding tot een wortel pie. *uer- ‘buigen’ (IEW 1153), met uitbreidingen *uer-b-, *uer-bh-, *uer-g- (IEW 1153), is zeer onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

werpen* [gooien] {oudnederlands werpan 901-1000, middelnederlands werpen} oudsaksisch werpan, oudhoogduits werfan, oudfries werpa, oudengels weorpan, oudnoors verpa, gotisch wairpan; eventuele i.-e. verbindingen zijn onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

werpen ww., mnl. werpen, onfrank. os. werpan, ohd. werfan (nhd. werfen), ofri. werpa, oe. weorpan, on. verpa, got. wairpan. — Idg. wt. *u̯erb, *u̯erbh ‘draaien, buigen’ (IEW 1153), waarvoor zie: werf 2. De oude bet. schijnt nog door in on. ‘een weefsel opspannen’ en vgl. aldri orpinn ‘door ouderdom gekromd’, ne. warp ‘krimpen, krom trekken’.

Wat de bet. van werpen aangaat, zal men van een concrete situatie moeten uitgaan. Uitgaande van het begripsveld van ‘vlechten’, komt men tot het maken van de huiswand; deze moet echter met leem besmeerd worden en daartoe wordt de leempap met kracht tegen het vlechtwerk geworpen om daarna glad er tegen aan te worden gestreken (vgl. ook smijten). Uit deze handelwijze heeft dus werpen als nieuwe bet. die van ‘gooien’ gekregen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

werpen ww., mnl. werpen. = onfr. wërpan, ohd. wërfan (nhd. werfen), os. wërpan, ofri. wërpa, ags. weorpan, on. vërpa, got. waírpan “werpen”. Er is geen reden om de on. bet. “(een weefsel) opspannen” of “buigen” (aldri orpinn “door ouderdom gebogen”; vgl. on. vërpast, eng. to warp “krimpen, krom trekken”) voor ouder dan “werpen” te houden, en ook de op dit vermoeden gegronde combinatie met russ. wérba “wilg” (alg.-slav.; obg. de afl. vrŭbĭje), lit. vir̃bas “twijg”, lat. verbêna “loof en takjes van laurier e.dgl.”, gr. rábdos “roede, stok”, rémbō “ik draai rond”, hoogerop met lit. verpiù, ver̃pti “spinnen” is onwsch. Lat. verbera “slagen” is òf met verbêna òf met werpen verwant. Hoogerop vgl. event, werf (werf I sub 1) en obg. vrügą, vrěšti “werpen” (idg. wer-b-: wer-p-: wer-g-); ’t laatste heeft men ook wel direct met werpen verbonden, welks p dan door assimilatie aan den anlaut (vgl. wolf) uit idg. g ontstaan zou zijn (minder wsch.). Gr. rīptō “ik werp” is bezwaarlijk met werpen verwant. Zie wreken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

werpen o.w., Mnl. id., Onfra., Os. werpan + Ohd. werfan (Mhd. werfen, Nhd. id.), Ags. weorpan (Eng. to warp), Ofri. werpa, On. verpa (Zw. värpa, De. verpe), Go. wairpan: Germ. wrt. werp + Lat. verbera = slagen, Osl. vrĕšti: Idg. werb en wrt. werɡ. Uit het Germ. komt Fr. déguerpir.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

worsen, ww.: gooien. Var. van worten.

wurten, worten, woerten, ww.: werpen, gooien. Wellicht nieuw gevormde infinitief uit wurt < wurpt, gebiedende wijs van wurpen ‘werpen’; vgl. Wvl. horten ‘luisteren, gehoorzamen’ uit hort < horkt, gebiedende wijs van horken.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

werp ww. (enigsins verhewe)
1. Gooi, slinger. 2. Kleintjies kry.
Uit Ndl. werpen (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

werp: 1. gooi; 2. kleintjies kry (by baie sprekers slegs as kleintjies doodgebore is, anders bv. ww. kalf, lam, vul, maar wel ’n werpsel v. lewendige kleintjies, veral v. hondjies, katjies, varkies); Ndl. werpen (Mnl. werpen), Hd. werfen, Oeng. weorpan, Got. wairpan, vgl. Eng. warp, “krimp; krom trek”, hou misk. verb. m. Gr. (h)rabdos, “roede, stok”, en (h)rembomai, “ronddraai”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Werpen, van den Germ. wt. werp, Idg. werg = neerwerpen. De grondbeteekenis is dus dezelfde gebleven..

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

werpen. - Op de aangehaalde plaats is het gebruik van werpen als een gallicisme aan te merken, daar men in het Nederlandsch niet zegt eene brug werpen -, maar eene brug leggen, slaan, spannen over eene rivier. In het Fransch zegt men jeter un pont. || Reusachtige, lang nadreunende ijzeren bruggen, hoog boven de watervlakte van breede rivieren geworpen, BUYSSE, Mea Culpa 153.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

werpen ‘gooien; jongen baren bij zoogdieren’ -> Deens varpe ‘gooien; een schip met behulp van een aan een touw bevestigd, uitgeworpen anker voorttrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans déguerpir ‘zich uit de voeten maken, afstand doen van’ Frankisch; Russisch verpovát' ‘een schip met behulp van een aan een touw bevestigd, uitgeworpen anker voorttrekken’; Papiaments † werp ‘gooien; jongen baren bij zoogdieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

werpen* gooien 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1584. Met de muts naar iets gooien (werpen of smijten).

In de 17de en 18de eeuw beteekende dit: er niet naar kunnen talen, ergens niet aan behoeven te denken; het kwijt zijn; zie V. Moerk. 225; Schijnh. 430; Van Effen VI, 168; Tuinman I, 250. Tegenwoordig beteekent deze zegsw. iets trachten te verkrijgen of er een slag naar slaan; er naar gissen; zie Harreb. II, 110; Nw. School VIII, 296; Handelsblad, 22 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 1: Vandaar een voortdurend conflict tusschen importeurs en den fiscus. Men gooit er met de muts naar. Zoo werd een onechte oudheid door den fiscus verbazend hoog getaxeerd; Molema, 386 b; d'r is gein smieten mit de muts na, er is geen bijkomen aan, 't is ver boven of buiten mijn bereik, ik kan er niet naar talen; evenzoo bij Gunnink, 209; fri. dêr is gjin smiten mei de mûtse nei, daarover weet ik mijn groote verwondering niet uit te drukken; ook: daar is niet tegen te bolwerken; oostfri. d'r is gên schmîten mit de mütse na, 't is niet te bekomen; syn. van er is geen gooien naar (o.a. C. Wildsch. II, 144); in het fri.: hy docht er mar in smeet mei de mûtse nei, hij raadt er maar in den blinde op los, zonder iets van de zaak te weten. In den zin van ‘een gooi naar iets doen’ (vgl. no. 714) hoort men ook wel: ‘met zijn petje ergens naar gooien’,Ndl. Wdb. XII, 1397. wat doet vermoeden, dat de uitdr. aan het een of ander jongensspel is ontleend. Zie Ndl. Wdb. IX, 1279; Zuid-Limb.: met zijn klak naar iets slaan, zooals een jongen naar een vlinder.

2244. De teerling is geworpen,

l. le dé (ou le sort) en est jeté.

d.i. het lot is beslist, het besluit is genomen en men kan niet meer terug. De zegswijze is eene vertaling van het lat. alea jacta est, dat weder eene navolging is van het gr. ανερριφθω κυβοςErasmus emendeert alea esto jacta, de teerling zij geworpen, de kans zij gewaagd., en door Caesar gezegd is, toen hij den Rubicon overtrok; zie Sewel, 776: De teerling is geworpen, het moet 'er nu mee door, the lots are cast; Tuinman I, 263; Harreb. II, 327 a; Gron. 252; De Telegraaf, 8 Dec. 1914 (avondbl.) p. 8 k. 4; Otto, 12; Büchmann, 437. Bij Brandt, Leven v. Vondel, bl. 24: de steen was geworpen; fr. le dé en est jeté; hd. der Würfel ist gefallen; eng. the die is cast.

2449. Iemand iets voor de voeten werpen (of gooien),

d.i. iemand iets verwijten, van iets beschuldigen; eig. hem iets voorleggen (mnl. enen iet te voren leggen), waaraan men hem schuldig houdt; lat. objicere alicui aliquid. In de 17de en 18de eeuw iemand iets voor den neus smijten of iemand iets voor de scheenen werpen, smijten; zie voor deze laatste zegswijze Winschooten, 265; Pers, 505 a; Vondel, Palamedes, vs. 35; Gysb. Japicx, I, 74; Sewel, 698; enz. naast een voorwerp, eene beschuldiging (Pers, 503 b); vgl. hd. Vorwurf; einem etwas vorwerfen; eng. to cast s. th. in a p.'s teeth. Syn. iemand iets voor 't hoofd gooien.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯er-3: B. u̯er-b- und u̯er-bh- ‘drehen, biegen’

Gr. ῥάμνος ‘eine Art Dornstrauch, Rhamnus paliurus L.’ (*ῥαβ-νος, *u̯r̥b-nos), ῥάβδος ‘Rute, Gerte, Stab’, äol. Glosse ῥυβόν “ἐπικαμπές”;
lat. Pl. verbera, -um ‘Ruten, Rutenschläge, Züchtigung’ (verberāre ‘mit Ruten streichen, schlagen’), verbēna ‘die Blätter und zarten Zweige des Lorbeers, Ölbaums, der Myrte usw. als heilige Kräuter’ (*u̯erbes-nā; vgl. den in subverbustus zugrunde liegenden -es-St.);
lit. vir̃bas m. ‘Reis, Gerte’, vir̃balas ‘dünnes Stäbchen, Stricknadel’, virbìnis ‘Schlinge’, lett. virbs ‘Stöckchen’, virba ‘Stange’, aksl. *vrъba ‘Weide’, russ. vérba ‘Weidenzweig’ (mit der Betonung des Akk. Sg.; russ. dial. verbá hat die ältere slav. Betonung), voróba ‘Zirkelschnur, Zirkelbrett’, voróby ‘Garnwinde’;
got. waírpan ‘werfen’ (‘*drehen’), aisl. verpa ‘werfen’ und ‘ein Gewebe anzetteln, die Kette scheren’, aldri orpinn ‘vom Alter gebeugt’, verpask ‘vor Hitze zusammenschrumpfen’, ags. weorpan, as. werpan, ahd. werfan ‘werfen’; aisl. varp n. ‘das Werfen, Zettel, Einschlag des Gewebes’, as. warp, ahd. warf, ags. wearp n. ds.;
die lat. und bsl. Worte (an sich auch ῥάμνος) könnten auch idg. *u̯erbh- fortsetzen; auf ein solches könnten bezogen werden die auf nasaliertes *u̯rembh- weisenden ῥέμφος· τὸ στόμα, ἤ ῥίς Hes., τὸ ῥάμφος ‘krummer Vogelschnabel’, wohl Kreuzung von ῥεμφ- und ῥαφ-), ῥαμφή ‘gebogenes Messer’, ῥαμφίς ‘gebogener Haken’, ῥαμψός ‘gebogen’, nd. wrümmeln ‘zerknüllen, zerknittern’;
nasaliert u̯remb-: gr. ῥέμβω ‘drehe im Kreise herum’, Med. ‘drehe mich herum, treibe herum’, ῥόμβος (att. ῥύμβος) ‘kreisförmige Bewegung, Schwung, Kreisel’, cymr. gwrym ‘Saum, Naht’ (*u̯rembo-); mnd. wrimpen, wrempen ‘(das Gesicht) zusammenziehen, rümpfen’, wrempich ‘distortus, verdreht, rümpfig’, wrampachtich ‘gewunden, krumm’, holl. wrimpen, wrempen ‘distorquēre’ (daneben germ. *hremp- und remp-, ahd. hrimpfan, rimpfan ‘rümpfen’).

WP. I 275 f., WH. II 756.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal