Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

werk - (arbeid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

werk zn. ‘arbeid’
Onl. werc in end allum dioboles uuercum (gelatiniseerd) ‘en alle werken van de duivel’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. werc, warc, weerc in uan sente Servases werken ‘van de werken van Sint-Servaas’ [1200; VMNW].
Os. werk (nnd. wark); ohd. werc (nhd. Werk); ofri. werk (nfri. wurk); oe. weorc (ne. work); on. verk (nzw. värk); alle ‘werk, arbeid’, < pgm. *werka-.
Hierbij hoort ook de afleiding *wirkijan- ‘werken’, waaruit werken (zie onder), en verder: os. wirkian (nnd. warken); ohd. wirken (nhd. wirken); ofri. werk(i)a, wirtz(i)a (nfri. wurkje nieuw gevormd uit wurk). Daarnaast met nultrap pgm. *wurkijan-, waaruit: os. workian (mnd. wurken); ohd. wurken (mhd. wurken, würken); oe. wyrc(e)an (ne. work); on. yrkja; got. waurkjan. Nog aanwezig in mnl. workeldach ‘werkdag’.
Verwant met: Grieks érgon ‘werk’ (zie ook → allergie, → chirurg, → energie, → lethargie, → liturgie), érdein (< *uerǵi-) ‘doen, offeren’, órganon ‘instrument, orgaan’ (zie ook → orgaan), órgia ‘geheime rite’ (zie ook → orgie); Avestisch varəza- ‘het werken’; Oudiers fairged ‘maakt’, Oudbretons gwerg ‘werkzaam’; Armeens gorc ‘werk’; < pie. *uerǵ-, *uorǵ-, *urǵ- ‘doen, maken, werken’ (LIV 686).
werken ww. ‘arbeiden; functioneren’. Onl. wirken ‘werken, maken’ in uueg uuirkit imo ‘maak een weg voor hem’ [10e eeuw; W.Ps.], ther ... sinemo heerron wirche ‘die voor zijn heer werkt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. werken in hundirt cameren, gewart al te samene ‘honderd kamers, samen gemaakt’ [1201-25; VMNW], werken ‘arbeid verrichten’ [1240; Bern.], Dat got die sikheit wrachte ‘dat god de ziekte veroorzaakte’ [1265-70; VMNW]. Afleiding van werk. De verleden tijd en het verl.deelw. luidden in het Middelnederlands (nu nog Vlaams) wrochte(n) en ghewrocht, Engels wrouight, met Noordzee-Germaanse metathese van r voor -(c)ht als in → godsvrucht, en zie ook het bn.doorwrocht en het zn.gewrocht. Door analogiewerking ontstond hierbij in het Nieuwnederlands een nieuw werkwoord wrochten, dat gewoonlijk beperkt blijft tot literair of schertsend taalgebruik en dan de betekenis ‘(als kunstenaar) scheppen’ heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

werk2* [arbeid] {oudnederlands uuerk 901-1000, middelnederlands we(e)rc, warc} van werken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

werk 1 znw. o. ‘arbeid’, mnl. werc, warc, weerc, onfrank. os. werk, ohd. werc (nhd. werk), ofri. werk, oe. weorc (ne. work), on. verk is te vergelijken met gr. érgon, arm. gorc ‘werk’. Verder av. vǝrǝzyeiti ‘werkt’, gr. érdō, rhézō ‘maken’, oiers fairged ‘maakt’, obret. gwerg ‘werkzaam’, toch. Β wark ‘krachtig zijn’ idg. wt. *u̯erg (IEW 1168-9). — Zie verder: werk 2 en werken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

werk I (arbeid) znw. o., mnl. werc o. = onfr. wërk, ohd. wërc, wërah (hh; nhd. werk), os. ofri. wërk, ags. weorc (eng. work), on. vërk o. “werk” = gr. érgon “id.”; arm. gorc “id.”, av. varǝza- “het werken” òf ook uit *werĝo- òf uit *worĝo-. Hierbij ’t ww. werken, mnl. werken = onfr. ohd. (nhd.) wirken, os. wirkian, ofri. wirtsa, wirtze “werken”; met schwundstufe ohd. wurken, os. workian, ofri. werka, ags. wyrc(e)an (eng. to work), on. yrkja, got. waúrkjan “id.”. Hierbij de praeterita mnl. wrochte > germ. *wurχtôm, een alg.-germ. vorm, en mnl. wrachte, een slechts ndl.-hd.-ndd. vorm. Voor de metathesis vgl. bij godsvrucht, nooddruft. Hierbij nog gewrocht. Verwant zijn ier. fairged “hij maakte”, gr. érdō “ik doe, werk” (< *werĝ-jô = mnl. werke enz.), rézō “id.” (*wrázō), av. vǝrǝzyeiti “hij doet, werkt, maakt” (de beide laatste = got. waúrkja, -eiþ), vǝrǝzya- “arbeid” = on. yrki o. “id.”. Vgl. nog got. waúrstw o. “werk” (*wurχ-stwa-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

werk I, werken (arbeid) znw. resp. ww. Met dezelfde vocaal als mnl. werken, ohd. wirken: ags. (merc.) wircan (niet = wyrc(e)an). De in het art. “slechts ndl.-hd.-ndd.” genoemde praeteritumvorm mnl. wrachte ook ags.: merc. warhte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

werk (zn.) werk; Aajdnederlands werc <776-800>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

werk, (ook:) 1. (het), magie. Ofschoon verschillende wintispecialisten [zie winti*] grote bereidwilligheid toonden tot ’t geven van inlichtingen, kon meermalen geen inzicht verkregen worden in de motieven om ’het werk’ aan te vangen (Schoffelmeer II: 13). - 2. (het, -en; ook met onbep. lidw.), baan, betrekking. Als hij de muloschool heeft afgemaakt kan hij later altijd een werk vinden op een kantoor (Vianen 1972: 8). - Etym.: S wroko = bet. 1 en 2. - Zie i.v.m. 1 ook: werken*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

werk: s.nw. en ww., arbei(d); Ndl. werk en werken (Mnl. werc en werken), Hd. werk en wirken, Eng. work (Oeng. wircan), Got. waurstw, “werk”, hou mntl. verb. m. Gr. erdein en (h)rezein, “doen, werk”, v. Kloe HGA 297 No. 361.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het werk zijner handen, dat wat hij (God) heeft gemaakt; (van een persoon) zijn werk, of de opbrengst ervan. Ook in de eerste of tweede persoon: mijner, uwer.

Deze uitdrukking komt onder meer voor in Jesaja 45:11, 'Zo zegt de HERE, de Heilige Israëls, en zijn Formeerder: Vraagt Mij naar de toekomstige dingen, vertrouwt Mij mijn zonen en het werk mijner handen toe' (NBG-vertaling). In de bijbel betreft het steeds iets wat God geschapen heeft of teweeg heeft gebracht; in hedendaags Nederlands komt ook in schertsend gebruik voor.

Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 45:11. Draecht mi die toecomende dingen, ouer mine kinderen, ende ouer dat werc mijnder handen gebiet mi.
Toen ik eens geheel zonder middelen stond, doch niettemin een vrouw en een wenend kind met het werk mijner handen voeden moest [...] (S. Carmiggelt, Weet ik veel, 1958, p. 22)
Bij de avondboterham geurde het hele dorp naar het werk zijner handen. (De Waarheid, 10-8-1977)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

werk ‘arbeid’ -> Tswana bereke ‘arbeid’ ; Indonesisch wérak, wérek ‘iemand die werklieden rekruteert’; Negerhollands werk, wark, werǝk ‘arbeid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

werk* arbeid 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

11. Aangenomen werk.

In de uitdr. het is geen aangenomen werk, het heeft zoo'n haast niet, het is geen werk dat op een bepaalden tijd moet gereed zijn; Harrebomée II, 453: Het is geen aangenomen werk, gij behoeft u niet te haasten; Fri. it is giin oannommen wirk. Vgl. mnl. taswerc, 17de eeuw en Zaansch hoopwerc, in de uitdr. tasweerc, raschweerc; 't is geen hoopwerk (Ndl. Wdb. VI, 1077; Boekenoogen, 343). Syn. Het is geen rouwgoed dat het afmoet.

184. Een goed begin is 't halve werk.

Deze gedachte vinden we in het Ndl. het eerst opgeteekend in de 17de eeuw bij De Brune, Bank. I, 190: 't Beghin is 't halve-werck (vgl. bij Horatius dimidium facti qui coepit habet naar 't gri. αρχη ημισυ παντος); I, 190: 't Hanght alles aen een goed beghin; Huygens, Korenbl. II, 298:

Floor had berouw van eersten aen,
En heeft twee weecken pass by 't nieuwe wijf gelegen:
 Maer 't spreekwoord geeft hem troost, hy hoopt hy is half wegen:
Begonnen werck is half gedaen.

Zie verder Harreb. I, 43 en vgl. de variant: Een goed begin is een daalder waard; Teirl. 114: Een goed begin is een halve winste; goed begonnen is half gewonnen; fri. in goed bigjin is de helte fen 't wirk; hd. guter Anfang ist halbe Arbeit; ook in het nd. de Anfang is 'n Daler wert (Eckart, 12); wohl begonnen ist halb gewonnen; nd. begunnen is half gewunnen (Eckart, 40); eng. well begun, is half done; a good beginning is half the battle; fr. qui commence bien, finit bien.

789. Vele handen maken licht werk,

d.w.z. wanneer velen aan iets medewerken, is de taak gemakkelijk; mlat. multorum manibus alleviatur onus (Werner, 50). Vgl. Goedthals, 32: vele handen maken licht werck, menichten breken burgen ende sloten; beaucoup de gens parfont beaucoup d'ouvrage; Servilius, 41*: Veel handen maken licht werck, maer 't is de duyvel in dye schotel, multae manus onus levius reddunt; Sartorius II, 4, 69: Veel handen maecken licht werck, maar 't is de Donder in een schotel; Spieghel, 286; V. de Venne, 213: Veel handen lichten swaer werck; en verder Harrebomée I, 155 a en III, 169; Erasmus, CXXI; Wander II, 308-309 en vgl. Huygens VII, 331: Vele schouderen maken licht werck. In het Friesch: folle hânnen meitse maklik wirk; hd. viel Hände machen kurze, leichte Arbeit; eng. many hands make light (or quick) work; fr. à plusieurs mains l'ouvrage avance.

2555. Werk van iets maken,

d.w.z. veel moeite, tijd en zorg aan iets besteden; tegenover een dame: haar 't hof maken; eene zegswijze, die in de 16de eeuw voorkomt bij Kiliaen: Werck maecken van eenighe saecke, laborare de re aliqua: magnifacere, magnipendere rem aliquam; gheen werck maecken van eenigh dinck, parvifacere, parvipendere, negligere rem aliquam; Plantijn: Luttel wercks van yet maken, faire peu de cas de quelque chose, nihil curare de re aliqua, minimi facere aliquid; zie Anna Bijns, Refr. 55, waar de uitdr. evenals bij Kiliaen en Plantijn beteekent ‘waarde aan iets hechten’, in welken zin ze ook voorkomt bij Sart. I, 4, 34; Cats, Spaansch Heyd. vs. 1785; Hooft, Ged. II, 92; Huygens I, 179; Pers, 105 a; 381 a; 465 b, en in de 18de eeuw nog bij Sewel, 955 en Halma, 781, die veel wercks van iemand maaken verklaart door ‘voor iemand groote agting hebben’. Thans geldt deze bet. nog in Zuid-Nederland; zie o.a. De Bo, 1391; Antw. Idiot. 1435. In de hedendaagsche beteekenis komt de zegswijze o.a. voor bij Huygens, Cluyswerck, vs. 383. Ook in het oostfri.: wark fan 'n sak' maken; afrik. baie werk van iemand maak, grooten ophef maken van iem.

2556. Er is werk aan den winkel,

d.w.z. er valt wat te doen, te arbeiden; onder een ‘winkel’ zal men hier moeten verstaan een werkplaatsReeds Mnl. (zie Verdam, Handwoordenboek, 694 en vgl. Halma, 790: Winkel, werkplaats, atelier, ouvroir)., een timmermanswinkel of een naaiwinkel (waar naaimeisjes onder een naaivrouw werken); vgl. Harreb. II, 453: Daar is werk aan den winkel; De Arbeid, 11 April 1914 p. 4 k. 1: Voor de Vrije Groep is er voorloopig werk aan den winkel: Men is net volop bezig met de voorbereiding van den 1sten Mei; 28 Aug. 1915 p. 3 k. 3: Zooals wij in onze vorige correspondentie meldden, was er genoeg werk aan den winkel voor onze mobilisatieclub wat het grievenvraagstuk betreft; Haagsche Post, 26 Mei 1917 p. 1 k. 1: Vooral voor Kerenski, den nieuwen Minister van oorlog en marine, is er werk genoeg aan den winkel. Ook is bekend Ik stuur geen werk van den winkel, ik weiger geen arbeid, neem alles aan (in N. Taalgids XIII, 137); zuidndl. daar is geen werk op de plank of aan de natie (zie Antw. Idiot. 1435Een natie is een arbeidersvereeniging, gilde van scheepslossers, enz.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut