Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wentelteefje - (in melk met ei gebakken snee brood)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor een uitgebreide verhandeling over het woord wentelteefje, overigens zonder nieuwe etymologie, zie:

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wentelteefje* [in melk met ei gebakken snee brood] {1623} voor het eerste lid vgl. ghewendt broot [brood met eieren geweekt, banketbakkersbrood] {1588}, terwijl het tweede lid teef mogelijk de daarnaar vervormde naam van een gebaksoort is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wentelteefje znw. o. ‘snee brood in melk gebakken’, wordt wel verklaard als wentel ‘t even(tjes) (Kloeke Ts 43, 1924, 165), wat weinig waarschijnlijk is. Uit namen als Kiliaen ghewendt brood ‘panis ovis maceratus, panis dulciarius’, zuidnl. gewonden brood (ook gewonnen brood, waarvoor vgl. Goemans Alb. Vercoullie 147) blijkt eerder, dat het 2de lid -teefje een naam voor een sneetje brood zal zijn. Van Haeringen Suppl. 192 vermoedt, dat het woord teef de huidige vorm kan hebben bepaald.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† wentelteefje znw. o. (snee brood in melk enz. gebakken). Wordt verklaard uit wentel ’t even(tjes) (vgl. Kloeke Tschr. 43, 165; W.de Vries Hyperkorr. 5). Is dit juist, dan zou het als formatie ongeveer met hangop te vergelijken zijn. Het is evenwel denkbaar dat het 2e lid de (eventueel naar teef vervormde) naam van een gebaksvorm is. Zuidndl. benamingen van het gebak sluiten zich bij wenden aan: vgl. Kil. ghewendt brood ‘panis ovis maceratus, panis dulciarius’. Zuid-ndl. ook gewonden brood, gewonnen brood: de laatste vorm doordat secundair verband werd gelegd met winnen, wat deels door samenvallen van wenden en winnen, deels door invloed van fr. pain perdu te verklaren is. Zie hierover Goemans Album Vercoullie 147 vlg.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Wentelteefje, eerst in ’t mv. wentelteefjes, -ies, gebakjes, stukjes brood of beschuit in melk en ei gewenteld en aan weerszijden gebakken; uit wentel-’t~eventjes, of Wentel-’t-eefies, zooals roerom voor een gebak o.a. van koekdeeg, in kokend water of melk omgeroerd, in allen gevallen door omroeren verkregen.
Naast wentelteefjes ook wenteleventjes. Verg. het thans in Z.-Ned. nog gebruikelijk gewonnen brood, vroeger gewonden brood voor gewend brood, dat hetzelfde bet. als Wentelteefjes.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wentelteefje* in melk met ei gebakken snee brood 1623 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2543. Loop naar de weerga!

d.w.z. loop heen! loop naar den drommel! Kiliaen verstaat onder wedergaede, consors, compar, dus ‘iemands gelijke’, eene bet. die ‘weerga’ altijd heeft behouden, zoodat deze zegswijze wel verklaard wordt als: ‘loop naar de weerga (van je zelf)’; dus: ‘naar je gelijke’. In dezen vorm is zij evenwel niet aangetroffen; men zou ook ‘loop naar je weerga’ verwachten. Stellen we hiernaast: loop naar de(n) weerlicht (= naar den bliksem) en as de weerlicht = bliksems gauw (Molema, 577), syn. van als de verdommenis (in Kmz. 374); dei weerlich! (een bastaardvloek), fri. de wearlich, waarvoor men ook hoort als de weerga! en de weerga! waarnaast ook bekend is de weerga (de brui, den bliksem) van iets geven en vergelijkt men: wat weerga! wat bliksem!; ‘een luie weerga van een jongen’ naast ‘een luie bliksem van een jongen’ of ‘een luie weerlicht’ (De Bo, 1379 b; Rutten, 274 a); die weergasche vent! naast die bliksemsche, die weerlichtsche vent (fri. dy wearlichse jongen naast dy stoarmske bern) in welke uitdrukkingen ook duivel(sch) en donder(sch) gehoord wordt, dan valt het moeilijk aan weerga eene andere bet. toe te kennen dan die van duivel, donder of bliksemVgl. E. Wolff-Bekker, De Grijzaart: Ze kan weerschoens mooy zingen; het Ndl. Wdb. I, 951 i.v. afgebliksemd en verder de artikelen afgedonderd, afgeduiveld, afgedrieduivekaterd, afgehageld, afgeweerlichts en dergelijke ruwe versterkingswoorden.. Het blijft echter de vraag, hoe weerga aan deze beteekenis is gekomen. Heeft men wellicht eenvoudig het ruwe weerlicht vervangen door weerga, evenals bijv. belul door benul en wentelteefje (d.i. wentel het eventjes?Ndl. Wdb. III, 1537. In Friesland heet dit gebak hounsfotsje, hondsvot; eig. teeldeel van eene teef.) somtijds door het quasi meer fatsoenlijke wentelreutje of draaireu? Zie ook Noord en Zuid XXI, 480.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut