Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wentelen - (zich wenden)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wentelen* [zich wenden] {1201-1250} oostmiddelnederlands welten, iteratiefvorm welteren [rollen, wikkelen]; van dezelfde herkomst als wals1, 2 en (op iets grotere afstand) walen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wentelen ww., mnl. wentelen ‘wentelen, rollen’, mnd. wentelen, te verklaren als dissimilatie uit een oudere vorm *weltelen, een iteratief evenals mnl. mnd. welteren, waarvoor zie wals. De vorm wentelen kan bovendien beïnvloed zijn door associatie met wenden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wentelen ww., mnl. wentelen “wentelen, rollen” (trans. en intr.). = mnd. wentelen, nederrijnsch wenzelen “id.”. Met dissimilatie (vgl. kandeel) uit *weltelen, een met mnl. Teuth. mnd. welteren “id.” gelijkwaardigen vorm; zie bij wals.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wentelen o.w., Mnl. id., dissim. uit weltelen + Hgd. wälzen: z. wals.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wentel: draai, kantel, rol; Ndl. wentelen (Mnl. wentelen), hou verb. m. wals II en m. welter (v. weltergewig).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wentelen staat voor weltelen, frequ. van den Germ. wt. walt, Idg. wald = draaien; vgl. wals = draaidans, en wals = rol. Andere denken aan wendelen, frequ. van wenden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wentelen ‘zich wenden’ -> Engels † wentle ‘waggelen’; Schots † wintle; wuntle ‘wankelen, wiegelen; buitelen, omvallen, over de kop gaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wentelen* zich wenden 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut