Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wennen - (vertrouwd raken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wennen ww. ‘vertrouwd raken’
Mnl. wennen (overgankelijk) ‘laten wennen, vertrouwd maken’ in om dat men se aldus wennen mach ‘opdat men ze zo kan laten wennen’ [1287; VMNW], wederkerend in dat hem een mensche so went in lieghen ‘dat een mens zo gewend kan raken aan liegen’ [1437; MNW-R], ook onovergankelijk, volgens wennen “gewoentlick werden off maecken” [1477; Teuth.].
Daarnaast ook met voorvoegsel → ge-, dat het resultaat van het wenproces benadrukt: misschien al onl. geuueinoda mi ‘onderwees mij’ [10e eeuw; W.Ps.], in elk geval mnl. gewenen ‘gewend raken’ [1240; Bern.], ‘gewend maken’ in .i. kint ... dat een delfijn gheweint hadde ten handen sijn met brodekine dat hi hem gaf ‘een kind dat een dolfijn gewend had aan zijn handen met stukjes brood die hij hem gaf’ [1276-1300; VMNW], Waecke dicwil ende en ghewenne dij niet te slapen ‘waak veel en wen je er niet aan om te slapen’ [1475-95; MNW-P].
Os. giwennian ‘wennen’; ohd. (gi)wennen ‘laten wennen’ (nhd. gewöhnen); nfri. wenne; oe. wenian ‘geschikt maken; voor zich winnen’ (ne. wean); on. venja ‘laten wennen’ (nzw. vänja); < pgm. *(gi-)wanjan- ‘geliefd maken’. Het achtervoegsel -jan heeft geminatie van de k en umlaut van de a > e bewerkstelligd. Zie ook → gewoon. Hierbij hoort ook on. vanr ‘gewend’ (nzw. van) en misschien ook onl. *wan ‘id.’ in de glosse rephuouano ‘aan een touw gewend(?)’ [8e eeuw; LS].
Wrsch. een causatiefafleiding van de wortel pie. *uenH- ‘begeren’ bij → waan.
Wennen was oorspr. een overgankelijk werkwoord, maar is in het Nederlands via wederkerend gebruik en verlies van het wederkerend voornaamwoord tevens onovergankelijk geworden. De afleiding met ge- is in de spreektaal ongebruikelijk, behalve in het afgeleide zelfstandig naamwoord gewenning. Het verl.deelw. gewend wordt als bn. gebruikt en betekent ongeveer ‘door ervaring vertrouwd (met iets)’: mnl. mijn mont is nv totter spysen eerst ghewent 1479; MNW-P], vooral in combinatie met (om) te + infinitief, met accusatief of met het voorzetsel aan: vnnl. ghewent Om te spreken, te iocken [1582; iWNT pleien III], D'een stamelaer den ander kent; Want elck is d'anders spraeck ghewent ‘de ene stotteraar begrijpt de andere, want ze zijn aan elkaars spraak gewend’ [1636; iWNT stamelaar], De wolf is aen de wolf ghewent [1636; iWNT wolf].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wennen* [gewoon raken] {wennen, winnen 1287} oudsaksisch giwennian, oudhoogduits giwennen, oudengels gewennan, wennan, oudnoors venja; de etymologie is onzeker en omstreden. Waar oudsaksisch wennian vermoedelijk ‘voeden’ en oudengels gewennan ‘verzorgen’ betekende, moet waarschijnlijk verband gelegd worden met middelnederduits, oudhoogduits winne, oudnoors vin, gotisch winja [weide], zuidnederlands wijn [moerasland] (vgl. wonen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wennen ww., mnl. (ghe)wennen, (ghe)wēnen ‘gewennen’, os. wennian ‘tot zich trekken’, giwennian ‘tot zich trekken, wennen’, ohd. (gi)wennen (nhd. gewöhnen) ‘gewennen’, oe. (ge)wenian ‘wennen, tot zich trekken’, on. venja ‘wennen’, een afl. van germ. *wana, vgl. on. vanr ‘gewend’, waarnaast abl. gewoon. — Zie verder: wonen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wennen, gewennen ww., mnl. (ghe)wennen ((ghe)wēnen). = ohd. wennen, giwennen (nhd. gewöhnen) “gewennen” (trans.), os. wennian “tot zich trekken”, giwennian “id., wennen (intr.)”, ags. wenian (praet. wenede), gewenian “wennen (trans.), tot zich trekken”, on. venja “wennen” (trans.). Van germ. *wana- (on. vanr) “gewend”. Bij wonen. Vgl. vooral gewoon en de znww. mnl. ghewōne, ohd. giwona v., os. giwono, ags. gewona m., met ablaut on. vani m. “gewoonte”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wennen. Erik Rooth Språkvet. Sällsk. Förh. 1922—24, 93 vlgg. maakt wsch. dat os. wennian beter met ‘voeden, spijzigen’ kan vertaald worden; ags. wenian, wennan heeft de bet. ‘verplegen, verzorgen’. Op grond hiervan neemt R. voor wennen een bet.-ontw. ‘voeden’ > ‘opvoeden’ > ‘gewennen’ aan. Verwant zijn dan in de eerste plaats ohd. mnd. winne v., on. vin v., got. winja v. ‘weide’ (d.i. ‘voedsel voor vee’). Als deze opvatting juist is, zal men moeilijk germ. *wanjanan als een afleiding van germ. *wana- (on. vanr) ‘gewend’ kunnen beschouwen, maar eerder als een causatiefformatie bij de idg. wortel *wen-, waarbij ook vanr behoort. Hoe dit ook zij, het is niet gewenst het ohd. mnd. winne enz. van wennen en wonen te scheiden en met F.A.Wood Post-consonantal w 106 bij obg. ženǫ ‘ik drijf’, lit. genù giñti ‘drijven, verdrijven’, ganaũ, ganýti ‘hoeden, weiden’ e.a. te brengen. — Zie nog wonen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wennen ono.w., Mnl. id.: z. gewennen.

gewennen ono.w., Mnl. ghewennen, Os. giwennian + Ohd. giwennen (Mhd. gewenen, Nhd. gewöhnen), Ags. gewennan, On. venja, Go. wanjan: met e = ä van de sterken graad van denz. wortel als gewoon en wonen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wene (ww.) wennen; Vreugmiddelnederlands wennen <1287>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2wen ww.
Gewoond raak aan.
Uit Ndl. wennen (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wen II: ww., gewoond raak aan; Ndl. wennen (Mnl. (ghe)wennen/(ghe)wenen), Hd. (ge)wöhnen, Oeng. (ge)wenian, “behandel; gewoond maak aan”, hou verb. m. gewoon, gewoond en woon, hoofs. Germ. en herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wonen, van den Idg. wt. wen = zich verheugen, behagen scheppen. (Vgl. ’t Hgd. Wonne = vreugde, genot.) Een gewoonte is dus eig.: iets, wat men gaarne doet; en wennen = gaarne doen. Wonen bet. dus oorspr.: zich verheugen ergens te zijn, dus: daar blijven. Zie ook Wenschen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wennen* gewoon raken 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut