Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wellen - (opborrelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wellen 1 ww. ‘borrelen; stromen’
Mnl. wellen ‘opborrelen, bruisen’ in Si saghen uten bomen wellen Balseme ‘zij zagen balsem uit de bomen vloeien’ [1390-1410; MNW-R], dattet wellet als een ketel over dat vuer ‘dat het (tegen de kust beukende zeewater) bruist als een ketel boven het vuur’ [begin 15e eeuw; MNW]; vnnl. wellen.
Wrsch. afgeleid van het zn.wel 2 ‘bron’.
Het is ook mogelijk dat wellen de voortzetting is van het oorspronkelijk sterke werkwoord pgm. *wellan- ‘wentelen, draaien’, waaruit in elk geval: ohd. wellan ‘id.’; on. vella ‘zieden, koken (van vloeistoffen); krioelen’ (nzw. välla ‘opborrelen, stromen’). Zonder geminaat hoort hierbij ook got. wulan ‘koken’.
Daarnaast bestond een sterk werkwoord pgm. *wallan- (oorspr. reduplicerend, en in de moderne talen zwak vervoegd) met dezelfde betekenis als nnl. wellen ‘opborrelen, koken e.d.’, waaruit: onl. wallan (mnl. wallen, daarna verouderd); os. wallan (mnd. wallen); ohd. wallan (nhd. wallen); ofri. walla (nfri. wâlje); oe. weallan (ne. well). Hierbij hoort → walm, en mogelijk ook het causatief → wellen 2.
Verwant met: Litouws vélti ‘vollen, in de war maken’; Oudkerkslavisch valiti sę ‘wentelen, rollen’; < pie. *uelH-, *uolH-, *ulH- ‘wentelen, rollen, bruisen’ (LIV 677). De geminaat in*wellan- en *wallan- komt wrsch. uit *ln: *welnan-/*walnan-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wellen1* [opborrelen] {1350} van wel2 [bron].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wellen 1 ww. ‘opborrelen’, mnl. wellen, nnd. wellen, ne. well, zal wel een denominatief zijn van wel 1. Het sterke ww. on. vella ‘zieden, koken’ stemt overeen met mnl. wellen met de bet. ‘rollen, wentelen’. Men neemt echter wel met recht aan, dat de bet. ‘koken’ secundair ontstaan is uit ‘de wentelende beweging van het kokende water of van een opborrelende bron’.

Anders FT 1402: die verbinden met ohd. walo ‘lauw’, walī ‘lauwheid’, vgl. gr. aléa ‘warmte van de zon’. IEW 1140 neemt een idg. wt. *u̯el ‘lauw, warm’ aan (echter twijfelend), maar rekent daartoe alleen arm. gol ‘hitte’ en lit. vìlditi ‘lauwwarm maken’, laat echter de mogelijkheid open, dat ook deze wt. eigenlijk dezelfde is als *u̯el ‘draaien, winden, wentelen’. Of men met J. Schrijnen Ts 20, 1901, 318 hiermee verbinden mag zwellen met een ‘mobiele s’, is echter zeer onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wellen I (opborrelen), reeds later-mnl. Wsch. een. afl. van wel I, ofschoon identiteit met ’t sterke on. vëlla “borrelen, bruisen” mogelijk is. Ook ndd. wellen, eng. to well “opborrelen” zijn denominatief. De basis wel- “koken, bruisen” — met ablaut nog got. wulan “zieden” — is identisch met wel- “ronddraaien”: de bett. zijn zeer goed vereenigbaar. Voor verwanten zie bij waal, walen, walm, wel I, woelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wellen (opborrelen), als “later-mnl.” opgegeven: volgens aannemelijke coniectuur reeds Alex. X, 646.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wellen 1 ono.w. (opborrelen), z. wel 1 en wallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wel I: (weinig bek. as s.nw. v.) bron, fontein, put; Ndl. wel (Mnl. welle, by Kil welle/walle, “opborreling”), Hd. welle, “golf”, Eng. well, “put”, hierby ww. in bet. “opborrel” Ndl. wellen (Mnl. wellen), Hd. wellen, Eng. well, Afr. (op)wel, hou verb. m. walm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wellen ‘opborrelen’ -> Frans dialect alot, walot, halot ‘bloedprop’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wellen* opborrelen 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut