Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

welken - (verflensen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

welken* [verflensen] {1300} middelnederduits, oudhoogduits, middelengels welken (engels to welk [vochtig worden, slap worden]), van middelnederlands, middelnederduits welc [verwelkt], oudhoogduits welk [slap, lauw, vochtig, verwelkt] (hoogduits welk [verslapt]); buiten het germ. litouws vilgyti [vochtig maken], lets valks [vochtig], oudkerkslavisch vlaga [vochtigheid]; van dezelfde stam als wolk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

welken ww., mnl. welken, mnd. welken, ohd. welken, welchen (nhd. welken), me. welken (ne. welk) (indien niet < mnl., vgl. Toll 39). — Afl. van bnw. mnl. welc ‘verwelkt, slap’ (Kiliaen: ‘vetus’), mnd. welk ‘verwelkt, verdord’, ohd. welc, welch ‘verwelkt, slap, lauw, vochtig’ (nhd. welk). — Van idg. wt. *u̯elg (waarvoor zie: wolk); daarnaast ook *u̯elk in oe. wealg ‘smakeloos, walgelijk’ (ne. wallow), on. valgr ‘lauw’, vgl. lett. valks ‘vochtig’ (IEW 1145).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

welken ww., mnl. welken. = ohd. wëlkên, wëlchên (nhd. welken), mnd. meng. wëlken (eng. to welk) “welken”. Van mnl. welc (door Kil. “vetus” genoemd) “verwelkt, slap”, ohd. wëlc, wëlch “id., lauw, vochtig” (nhd. welk), mnd. wëlk “verwelkt, verdord”. De oorspr. bet. is “vochtig”: voor verwanten zie wolk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

welken ono.w., Mnl. id. + Hgd. id., Eng. to welk = vochtig, slap worden: denom. van Mnl. welc = verwelkt, slap, Hgd. welk = lauw, vochtig + Osl. vlaga = vochtigheid, Lit. vilgyti = vochtig maken. Verwant met wolk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

welk II: ww., verlep; Ndl. welken (Mnl. welken), Hd. welken, Eng. welk, ouer bet. blb. “vogtig” en verb. m. wolk, Eng. (veroud.) welkin, hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Welken, van den Germ. wt. welk = vochtig zijn; zie Wolk; als iets vochtig is, wordt het slap; vandaar dat welken bet.: slap hangen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

welken ‘verflensen’ -> Engels dialect welk ‘verleppen’; Frans dialect wilker, wilki ‘rimpelen, beurs worden’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut