Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

welk - (vragend en betrekkelijk (wat voor, hoedanig))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

welk vragend en betrekkelijk vnw. ‘wat voor, hoedanig’
Onl. welik ‘welk’, in sō welik ‘welke dan ook’ in in so uuilikin dage ic ruopen ‘op welke dag ik ook maar roepen zal’ [10e eeuw; W.Ps.], ‘wat voor’ in sih, welicha genatha ich thir skeinon ‘merk dan op welke genade ik je toon’, Welic is ther thin drut uone drute ‘wat voor (vriend) is jouw vriend vergeleken met (andere) vrienden’ [beide ca. 1100; Will.], An then muge wir [einen] ge sen, an welheme the sterren stien ‘daarvan (t.w. van de hemels) kunnen we er één zien, (namelijk die) aan welke de sterren staan’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. welc, welk, zoals in op welken tijt ‘wanneer ook’ [1265-1279; VMNW].
Os. hwilīk; ohd. (h)walīh, (h)wilih, (h)welih (nhd. welch); ofri. hwelik, hwelk (nfri. hok(ker)); oe. hwelc, hwilc (me. whilch, hwich, ne. which); on. hvélikr, hvílíkr (nzw. vilken); got. hwileiks; < pgm. *hwa-/hwi-/hwē-līka-.
In het Germaans gevormd uit de voornaamwoordstam *hwa-, *hwe-, *hwi-, zie → hoe, en *-līka- ‘gedaante, vorm’, zie het achtervoegsel → -lijk en het zn.lijk 1 ‘lichaam’. De oorspr. betekenis is dus ‘wat voor een vorm hebbend’. Zie ook → elk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

welk* [vragend vnw.] {oudnederlands sowilik [wie, welk dan ook] 901-1000, middelnederlands welc, wilc 1237} oudsaksisch hwilik, oudengels hwelc, hwilc, oudhoogduits (h)welih, oudnoors hvilīkr, gotisch hwileiks; een samenstelling van de stam van wie + lijk1, dus lett. ‘van wat voor gedaante’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

welk voornw., mnl. welc, weelc, wilc, onfrank. wilik, os. hwilī̆k, welī̆k, ohd. hwelih, welih nhd. welch), ofri. hwelik, hwelk, oe. hwelc, hwilc (ne. which), on. hvēlīkr, hvīlīkr, got. hwileiks, hweleiks ‘welk, hoedanig’. — Samenstelling van germ. *hwa-, hwi-, hwē- (waarvoor zie: wie) +*-līka (zie: -lijk 3).

Vormen als oe. hulic en ozw. hulikin, hylkin kan men het best als jongere ontwikkeling beschouwen (met vocalisering van de w en ronding der volgende klinker), zoals ook in ofri. hulk, hok en nnoorw. dial. hokken (W. de Vries Ts 43, 1924, 144).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

welk vnw., mnl. welc (weelc, wilc). = onfr. wilī̆k (in so-wilī̆k), ohd. (h)welī̆h(nhd. welch), os. hwilī̆k, welī̆k, ofri. hwel(i)k, ags. hwelc, hwilc (eng. which), on. hvelîkr, hvîlîkr, got. hwileiks, hweleiks “welk, hoedanig”. ’t Eerste lid, germ. *χwa-, *χwi- en *χwê- (got. hwe- = on. hvî) bij wie. Samenst. als zulk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

welk. In vormen als ags. hûlic, ozw. hûlī̆kin, hylkin zoekt men wel een stam *hû-; de û kan echter ook door jonge vocalisering van w met ronding van de volgende vocaal zijn ontstaan, wat stellig gebeurd is in ofri. hulk, hok. Noordoostndl. huk zal eerder onder invloed van hoe en zuk ‘zulk’ zijn opgekomen (anders W.de Vries Tschr. 43, 144).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

welk 2 bijv.(wat voor een), Mnl. welc, Onfra. wilik, Os. whilik + Ohd. welih (Mhd. welich, Nhd. welch), Ags. hwilc (Eng. which), Ofri. hwelik, On. hvílíkr (Zw. en De. hvilken), Go. hwileiks: het eerste lid = hoe, zijnde afgel. van den stam van wie; het tweede is suffix -lijk (z. zulk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

welk I: betr. vnw., in Afr. in ’n mate boekw. en gew. vervang d, waffer/watter (vlgs. dVo NS 101-3 behoort dit ook in Ndl. tot d. “boekenwoorden”); Ndl. welk (Mnl. we(e)lc/wilc), Hd. welch. Eng. which (Oeng. hwelc/hwilc), Got. hwe-/hwileiks; eerste lid hou verb. m. hwe = wie, Lat. quis, en tweede m. leik, “liggaam”; v. wie.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Welk? Os. whi-lik, waarin wie = ’t Hgd. wie = hoe? en lijk = gedaante. Zie Lijk. Het woord w.d.z.: hoe van gedaante? hoedanig?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

welk ‘vragend voornaamwoord’ -> Negerhollands welk, welleke, welli ‘vragend voornaamwoord’; Berbice-Nederlands weleke ‘vragend voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

welk* vragend voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut