Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

welig - (rijkelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

welig bn. ‘rijkelijk’
Mnl. welich ‘weelderig, dartel’, eerst in de afleiding welecleke ‘op weelderige wijze’ [1240; Bern.], dan als simplex in die ghene welighe maghet si ‘die geen dartele maagd is’ [1284-86; MNW]. De betekenis ‘dartel’ en zelfs ‘wulps’ nog in het (v)nnl., zoals in O fy! die weelig zijt en geyle boecken schrijft [1658; iWNT].
Os. welag (nnd. welig ‘gelukzalig’); ohd. welag; oe. welig ‘rijk’ (ne. vero. wealy). Afgeleid van de wortel van → wel 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

welig* [rijkelijk] {welich 1350} van dezelfde herkomst als weelde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

welig bnw., mnl. wēlich ‘weelderig, dartel’, os. ohd. welag, oe. welig, weleg ‘rijk’. — Afl. van wel 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weelde znw., brab. Antw. welde, mnl. weelde, welde v. “overvloed, welzijn, weelde, genot, zaligheid”. = ohd. wëlida v. “rijkdom”, mnd. wēl(e)de v. “welzijn, genot, overmoed, dartelheid”, meng. welþe (eng. wealth) “rijkdom”. Evenals ohd. wëlo, wolo m., wëla, wola v., os. wëlo, ags. wëla m. “geluk, rijkdom” en mnl. wēlich “weelderig, dartel” (nnl. welig), ohd. os. wëlag, ags. wëlig (-eg) “rijk” bij wel II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

welig bijv., Mnl. welich, Os. welag, afgel. van hetz. subst. *weel als weelde (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

welig b.nw.
Wat in oorvloed groei.
Uit Ndl. welig (al Mnl.). Ndl. welig hou verband met weelde 'rykdom' en weelderig 'ryklik'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weelde, afl. van ’t Mnl. wele = voorspoed, en dit van wel = goed. (Zie Wel.) Ook welig hoort er bij: de plant groeit welig = voorspoedig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

welig ‘rijkelijk’ -> Deens † vælig ‘(van een paard) krachtig, levenslustig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors † velig ‘(van paarden en mensen) levendig, vurig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

welig* rijkelijk 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut