Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wel - (goed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wel 1 bw. ‘goed’
Onl. wala ‘goed, wel’ in uuala te likene ‘wel te behagen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wale ‘goed, wel’ [1200; VMNW], wel in harde wel ‘zeer goed’ [1236; VMNW], bevestigend in Vnde was wal seuede bruoder ‘en was wel de zevende broer’ [1250; VMNW]; vnnl. bijna uitsluitend nog wel.
Os wel(a), wala, wola (nnd. wull); ohd. wela, wala, wola (nhd. wohl); ofri. wel, wal, wol (nfri. wol); oe. wel (ne. well); on. vel, val (nzw. väl); got. waila; < pgm. *welō-.
Afleiding van de wortel pie. *uelh1-, *uolh1- ‘kiezen’ (LIV 677), zie → willen. Vergelijkbare afleidingen in andere talen zijn: Oskisch ualaemom ‘best’; Sanskrit várīyas ‘beter’; Welsh gwell ‘id.’.
welles tw. ‘wel waar’. Nnl. welles, eerst in combinaties met het werkwoord zijn, in Da's welles, da's welles! ‘dat is wel waar!’ [1857; iWNT], daarna ook los: Welles, 'k hew je zelf zien ‘wel waar, ik heb je zelf gezien’ [1934; iWNT]. Op dezelfde wijze gevormd bij wel als nietes bij → niet, zie aldaar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wel3* [goed] {wel(e) 1236} oudsaksisch wel(a), oudhoogduits wela, wola, oudfries wel, wal, oudnoors vel, oudengels wel, naast ablautend middelnederlands wale, oudnederlands, oudsaksisch, oudhoogduits wala, oudnoors val [keuze, het kiezen]; behoort bij willen; de grondbetekenis zal zijn ‘naar wens’. De uitdrukking doe wel en zie niet om [doe goed zonder dankbaarheid te verwachten voor uw daden] wilde oorspr. zeggen dat iem. die goed doet niet angstig hoeft om te zien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wel 2 bijw., mnl. wel, wēle, os. wela, wel, ohd. wela, ofri. wel, wal, oe. wel (ne. well), on. vel ‘goed, wel’. Daarnaast mnl. wale, onfrank. os. ohd. wala, on. val en os. ohd. wola (nhd. wohl). — De grondbet. is ‘naar wens’; het bijw. behoort tot de stam van willen; vgl. oi. vara- m. ‘wens’ (váram ā́, prā́ti váram ‘naar wens’) en verder vara-’voortreffelijk’, variṣṭha- ‘beste’, kymr. gwell ‘beter’.

Het veel besproken got. waila zal te lezen zijn als wĕla en niet met tweeklank, vgl. daarvoor Loewe PBB 51, 1927, 253; verdere lit. hierover Feist, Got. Et. Wb. 543.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wel II bijw., mnl. wel (wēle). = ohd. wëla, os. wël(a), ofri. ags. wël (eng. well), on. vël bijw. “goed, wel”. Met ’t oog op mnl. wāle, onfr. ohd. os. wala, on. val “id.”, die bezwaarlijk anders dan oergerm. a kunnen hebben, is voor wel oergerm. e (ablautend met a) waarschijnlijker dan i: ook zou een alg.-n.- en wgerm. e < i opvallend (hoewel niet onmogelijk: vgl. bij weerwolf) zijn. Wel komt wsch. evenals kymr. gwell, oi. várîyas- “beter”, denkelijk ook osk. ualaemom “best”, van de idg. basis wel-, bij willen besproken. [Vgl. voor de bet. gr. lōíōn “beter”, als ’t terecht bij lḗn “willen” gebracht is.] Got. waila “wel, goed” is met oi. vélâ- “geschikte tijd, gelegenheid, tijd, grens, raakpunt” en ier. fêil “kerkelijk feest” [dit komt echter van lat. vigilia] gecombineerd. [Ook wel heeft men hierbij gebracht, van oergerm. i-vocalisme uitgaand.] Veeleer echter is waila als waíla op te vatten en met wel identisch: beide vormen scheiden, dat gaat niet; meng. wêl, schotsch weel “wel, goed”, dat men als een ablautvorm van got. *wáila met ê uit êi heeft opgevat, heeft weinig bewijskracht: eer heeft ’t een vóór enkele slotconsonant uit ĕ ontstane ê. Ohd. os. wola (nhd. wohl) “wel, goed” is als ablautende vorm beschouwd; maar ook wordt ’t met wëla geïdentificeerd. Zie nog weelde.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wel II bijw. Ofri. ook wal.
Got. waila = waíla (dus identisch met wel II) bij Loewe PBB. 51, 253 door Sievers ‘intonationsgemäss’ verklaard. Over meng. wêl vgl. nog Sievers ald. 304 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wel 3 bijw. (goed), Mnl. wel, wele, Os. wel(a) en, met o uit e na w, wola + Ohd. wela, wola (Mhd. wol, Nhd. wohl), Ags. wel (Eng. well), Ofri. vel, On. vel (Zw. väl, De. vel), Go. waila = naar wensch; daarbij met abl. Mnl. wale, Onfra., Os., Ohd. wala, On. val: van denz. wortel als willen + Osl. vole = welaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wel (bijw.) wel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) waul, Aajdnederlands wala <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wel II: b.nw. en bw. (ook as s.nw. gebr.), goed, gesond; Ndl. wel (Mnl. wel/wele naas wale), Hd. wohl, Eng. well, Got. waila, hou mntl. verb. m. Lat. valens, “gesond, sterk” en valēre, “gesond/sterk wees”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wel. Gaat zeer vaak vooraf aan vloeken en verwensingen: wel verdraaid!, wel verdomme!, wel verdikkeme! enz. Het vormt zelf een onderdeel van de verbinding en drukt verwondering enz. uit.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wel (goed) van het Idg. welo = wensch, begeerte, en verwant met ons: willen (z. d. w.) = verlangen. Het woord w.d.z.: naar wensch; het gaat wèl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wel ‘goed, welnu’ -> Negerhollands wel ‘goed, welnu’; Skepi-Nederlands wel ‘goed’; Papiaments awèl, wèl, òwèl (ouder: wel) ‘welnu’; Sranantongo we(dan) ‘goed, welnu’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wel* bijwoord van modaliteit: goed 1140 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

433. Doe wel en zie niet om,

doe wel zonder op de gevolgen van uwe daad te letten, zonder lof of dank daarvoor af te wachten; Ndl. Wdb. X, 819. In de 17de eeuw bekend, daar Piet Hein deze woorden tot spreuk had gekozen; vgl. fr. fais ce que dois, advienne que pourra; hd. tue recht und schau nicht um; eng. do well and fear not.Laurillard vraagt of we voor den oorsprong dezer spreuk moeten denken aan Luc. IX, 62 of Fil. III, 14. Ook acht hij verband met Gen. XIX: 17-26 niet onmogelijk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut