Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wel - (bron)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wel 2 zn. ‘plaats waar water opborrelt’
Onl. wella ‘bron’ op grond van toponiemen: in VUalli (nog zonder umlaut en gelatiniseerd) ‘in Wel (Gelderland)’ [10e-11e eeuw; Künzel], Wella ‘onbekende plaats in Zeeland’ [1197-1212; Künzel]; vnnl. borne oft welle ‘waterbron’ [1551; iWNT], twee roeden van de voorscreven wellen ‘op twee roeden afstand van de genoemde waterbron’ [1552; MNW], de ... wellen zien opborrelen [1632; iWNT].
Ofri. walla ‘bron’ (nfri. wel(le)); oe. w(i)elle (ne. well); < pgm. *wall-jō-, afleiding van *wallan- ‘koken, opborrelen’, zie → wellen 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wel2* [bron] {in de plaatsnaam VValli, nu Wel (Gld.) 1001-1100, welle [bron, put] 1552} oudengels wielle, oudnoors vella [het koken]; van middelnederlands wallen [opborrelen uit de grond, koken] (vgl. wellen1, 2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wel 1 znw. v., mnl. welle v. ‘bron, put’, Kiliaen welle, walle ‘opborreling’ (als ‘vetus’ beschouwd de bet. ‘bron, bronwater’). In het Germ. zijn verschillende stamvormen te onderscheiden: 1. *walla, *wallōn vgl. mnl. walle, wal m. ‘het koken, kokende hitte, bron of kolkende rivier’, ofri. walla m. ‘bron’; ook *walli in oe. wiell m. (ne. well); 2. *wellō < idg. *u̯el-nā: ohd. wella (nhd. welle) v. ‘golf’; 3. *wullōn < idg. *u̯ḷ-nā in nnoorw. dial. olla v. ‘bron’ en 4. *wēla in oe. wæl m. n. ‘draaikolk, poel’. — Alle behorend bij het ww. mnl. wallen ‘koken, bruisen’, waarvoor zie: walm 1 en walen. — lit. vilnìs, vilnià, lett. vilna (< *u̯ḷnā) ‘golf’, osl. vluna ‘golf’, vgl. ook oi. ūrmi- m. v. ‘golf’ (< *ul-mi-).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wel I znw. Kil. welle (naast walle) “opborreling”, in de bet. “wel, bronwater, fluctus” door hem “vetus” genoemd. = ags. wielle v. “bron”, on. vella v. “het koken”, germ. *walliôn-. Hiernaast mnl. walle, wal m. “het koken, kokende hitte, (kokende) bron of stroom”, ofri. walla m. “bron”, ags. wiell m. (eng. well) “id.”, germ. *wallan-, -i-. Bij mnl. wallen enz. “zieden, bruisen”: zie bij walm. Voor de bet. vgl. bron. Met ablaut ohd. wëlla (nhd. welle) v. “golf” < idg. *wel-nâ- en noorw. dial. olla v. “bron”, germ. *wullôn- = obg. vlŭna “golf”; vgl. lit. vılnìs “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wel 1 v. (bron), Mnl. welle + Ags. wielle, On. vella, met e = ä, abl. bij Ohd. wella (Nhd. welle) en De. olle: bij wallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wel II, (ss.) welput welput, welwater (Zeeland, Goeree-Overflakkee, Noord-Brabant). = mnl. welle ‘welput’ = hgd. welle ‘golf’~ eng. well ‘put, bron’, ~ nl. wiel ‘kolk’, ~ mnl. wallen ‘zieden, bruisen’. Het semantisch verband tussen ‘koken’ en ‘opborrelen’ blijkt ook uit de samenhang van bron en branden.
WBD 160-161, Ghijsen 1128, Schols/Linssen 533, NEW 826.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wel I: (weinig bek. as s.nw. v.) bron, fontein, put; Ndl. wel (Mnl. welle, by Kil welle/walle, “opborreling”), Hd. welle, “golf”, Eng. well, “put”, hierby ww. in bet. “opborrel” Ndl. wellen (Mnl. wellen), Hd. wellen, Eng. well, Afr. (op)wel, hou verb. m. walm.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Walm, afl. op m van ’t Mnl. wallen, van den Idg. wt. wel, wol = in golvende beweging zijn; walm w.d.z.: op golvende damp; vgl. ons wellen: uit den grond wellen = stroomen, vlieten, borrelen; vandaar nog: de wellen = de golven; ook: de bronnen. Vgl. ook: opwellen = opborrelen, opbruisen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wel* bron 1001-1100 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal