Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wel - (onderdeel van een orgel, ook van een traptrede)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wel1* [onderdeel van een orgel, ook van een traptrede] {ca. 1500 als ‘onderdeel van een orgel’; de betekenis ‘deel van traptrede’ 1739} oudfries walu, oudnoors vǫlr, gotisch walus [(ronde) stok]; van walen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wel 2 v. (orgelwel, trapwel), cf. Mnl. welboom = rol, en met abl. Ofri. walu, On. vǫlr, Go. walus (= ronde) stok: bij walen, wellen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wel 1, weel, zn.: rol, cilinder; ploegrol. Mnl. welle ‘welboom, wals’, 1492 een eechde, …een welle, Heverlee, 1494 een welle waermen die grote cluten mede breect, Antwerpen; Vnnl. welle ‘cilinder, rol om de aarde plat te walsen’ (Kiliaan). Deverbatief van Mnl. ww. wellen ‘rollen, met de wel bewerken’, wellen ‘wentelen’ (Kiliaan). Ohd. wellan ‘draaien, rollen’, Mhd. wellen ‘rollen’. Germ. *welnan, Wgerm. *wellan uit Idg. *uel-, in Lat. volvere ‘wentelen’. – Bibl. : E. Eylenbosch 1962, 99-107.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wel, zn.: rol, cilinder; ploegrol. Mnl. welle ‘welboom, wals’, 1492 een eechde, …een welle, Heverlee, 1494 een welle waermen die grote cluten mede breect, Antwerpen; Vnnl. welle ‘cilinder, rol om de aarde plat te walsen’ (Kiliaan). Deverbatief van Mnl. ww. wellen ‘rollen, met de wel bewerken’, wellen ‘wentelen’ (Kiliaan). Ohd. wellan ‘draaien, rollen’, Mhd. wellen ‘rollen’. Germ. *welnan, Wgerm. *wellan uit Idg. *uel-, in Lat. volvere ‘wentelen’. – Bibl. : E. Eylenbosch 1962, 99-107.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

welle zn.: deel van de welving van een dakpan dat door een andere pan wordt afgedekt. Uitbreiding van de Ndl. betekenis ‘deel van een traptrede dat over het daaronder staande stootbord heenloopt’. Ofri. walu, Got. walus ‘ronde stok’. Van het ww. walen ‘keren’, Ohd. wellen ‘wentelen, rollen’, Mnd. walen ‘rollen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wel I, wèèl l landrol (Limburg, Brabant). Van een wortel die ‘draaien, wentelen’ betekent en ook aanwezig is in hgd. welle ‘golf’, lat. volvo ‘ik wentel’, oind. válati ‘hij draait’.
De Bont 1960, 740, IEW 1140-1144, WLD l afl. II 165-168, WBD I 1381-1382, 1434, Schols/Linssen 532, Goemans 458.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal