Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wekker - (klok met alarmfunctie)

Etymologische (standaard)werken

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† wekker znw., reeds in de Teuth. (‘en reytscap dat weckt’) en bij Kil. (‘horologium excitatorium’).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wekker s.nw.
1. Horlosie met 'n alarm wat gestel kan word om iemand wat slaap op 'n bepaalde tyd te wek. 2. (minder gebruiklik) Persoon wat iemand wat slaap, wek.
Uit Ndl. wekker (1510 in bet. 1, 1719 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wecker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wekker ‘klok met alarmfunctie’ -> Indonesisch béker, wéker ‘klok met alarmfunctie’; Jakartaans-Maleis bèkèr ‘klok met alarmfunctie’; Javaans bèker ‘klok met alarmfunctie’; Kupang-Maleis weker ‘klok met alarmfunctie’; Madoerees bekēr ‘klok met alarmfunctie’; Makassaars aralôji-bêkkeré ‘klok met alarmfunctie’; Menadonees wèker ‘klok met alarmfunctie’; Papiaments wèker ‘klok met alarmfunctie’; Surinaams-Javaans bèker ‘klok met alarmfunctie’.

Hosted by Meertens Instituut