Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weken - (week maken)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weken ww., mnl. wêken (met ê naar week), oudere vorm weiken, onfrank. weicon, mnd. wēken, ohd. weihhen (nhd. weichen), oe. wæc(e)an ‘week, slap, zwak maken’ < germ. *waikjan, afl. van week 2.

On. veikja bet. ‘buigen’, gedeeltelijk met de bovengenoemde ww. te vergelijken, gedeeltelijk ook caus. van vīkja = wijken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weeken ww., mnl. wêken. Met ê naar week II, naast ouder mnl., nog dial. weiken = onfr. weicon, ohd. weihhen (nhd. weichen), mnd. wêken, ags. wæ̂c(e)an “week, slap, zwak maken”. On. veikja “doen buigen” is wsch. niet denominatief, overigens formeel = mnl. weiken enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3week ww.
Iets in 'n vloeistof sag maak.
Uit Ndl. weken (1631), 'n afleiding van week 'sag, swak, teergevoelig'.
Eng. weaken (1530).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut