Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weit - (tarwe)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

weit zn. ‘tarwe’
Onl. wēt ‘graan, tarwe’ in Thin wamba is samo weizes houph ‘je buik is als een hoop graan’ [ca. 1100; Will.]; mnl. alse weit ‘als tarwe’ [1300-25; MNW-R].
Os. hwēti (mnd. wete, weite); ohd. weizzi (nhd. Weizen); ofri. wēt (nfri. weet, weit); oe. hwǣte (ne. wheat); on. hveiti (nzw. vete); got. hvaiteis; alle ‘tarwe’, < pgm. *hwaitja-.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Wrsch. gaat het om een ablautsvorm bij de wortel van → wit. Deze verbinding komt vaker voor: te vergelijken zijn hiermee vormen als Bretons gwiniz ‘tarwe’ bij gwenn ‘wit’ en Albanees bard ‘wit: tarwe’.
Tegenwoordig vooral nog in de samenstelling → boekweit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weit* [tarwe] {weit(e), weiten 1253} oudsaksisch hweti, oudhoogduits weizzi, oudengels hwæte, oudnoors hveiti, gotisch hwaiteis; ablautend bij wit1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weit znw. v., mnl. weite, weit, weet m., os. hwēti, ohd. weiʒi, weizzi (nhd. weizen, dial. nog weiss, weissen), oe. hwæte (ne. wheat) m., on. hveiti o., got. hwaiteis m. ‘tarwe’; daarnaast abl. me. whīte, nzw. dial. vīte. — Evenals bret. gwiniz ‘tarwe’ bij gwenn ‘wit’ behoort en alb. bard zowel ‘tarwe’ als ‘wit’ betekent, zo behoort ook weit bij wit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weit znw., mnl. weit(e) (weet) m. = ohd. weiʒi, weizzi (nhd. weizen, dial. nog weiss(en)), os. hwêti, ags. hwæ̂te (eng. wheat) m., on. hveiti o., got. hwaiteis m. “tarwe”, germ. *χwaitia-. Ablautend met wit (vgl. alb. barϑ “wit” en “tarwe”). Lit. kvëtỹs “tarwekorrel”, in ’t mv. “tarwe” wsch. uit ’t Germ. Anderen houden de balt. en germ. woorden voor onderling en met obg. cvĭtą, cvisti “bloeien” oerverwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weit. Vgl. nog met dezelfde vocaalphase als de meeste bij wit genoemde germ. woorden: meng. whîte, zw. dial. vîte ‘tarwe’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weit v., Mnl. id., Os. hwêti + Ohd. weizzi (Mhd. weitzi, Nhd. weizen), Ags. hwæʼte (Eng. wheat), On. hveiti (Zw. hvete, De. hvede) Go. hwaiteis: een afleid. van wit.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weit (tarwe), afl. van ’t Germ. hwita = wit; het „witte” koren, het koren dat wit brood geeft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weit ‘tarwe’ -> Negerhollands weit ‘tarwe’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut