Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weifelen - (aarzelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

weifelen ww. ‘aarzelen’
Vnnl. hi weyfelde tusschen hemel ende aerde ‘hij zwaaide heen en weer tussen hemel en aarde’ [1526; iWNT], Een weynich wijffelen ‘een beetje twijfelen’ [1562; iWNT], Weyfelen ‘met alle winden meewaaien’ [1588; iWNT]; nnl. weifelen ‘aarzelen’ [1710; iWNT].
Frequentatief bij het verouderde werkwoord weiven ‘zwaaien’.
Mnd. weifelen ‘aarzelen’; nfri. wifelje ‘id.’. Bij weiven: ohd. ziweiben ‘verspreiden’; oe. wǣfan ‘kleden’; on. veifa ‘zwaaien, slingeren’ (nzw. veva ‘draaien’); got. biwaibjan ‘omwikkelen’; < pgm. *waibjan-. Met andere uitgang daarnaast pgm. *waibōn-, waaruit: ohd. weibōn ‘zwaaien, heen en weer bewegen, zweven’ en oe. wāfian ‘zwaaien’. De betekenis ‘aarzelen’ is ontstaan vanwege het heen en weer wankelen tussen twee gevoelens.
Verwant met: Sanskrit vépate ‘beeft, trilt’, vipra- ‘door de geest bezield’, vip ‘dunne twijg’; Oudpruisisch wipis ‘tak’, Lets viepe ‘bedekking, omhulsel’; < pie. *ueip-, *uoip- ‘in trillende beweging geraken’ (LIV 671).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weifelen* [aarzelen] {1562-1592} iteratief van weiven [heen en weer zwaaien] (vgl. wuiven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weifelen ww., mnl. weifelen ‘weifelen, wankelen’, Kiliaen ‘zwerven, onvast bewegen, zwaaien, weifelen’, zo ook mnd. weifelen. — Iteratief van mnl. weiven ‘zwaaien’, oe. wæfan ‘omwikkelen’, on. veifa ‘zwaaien, slingeren’, got. biwaibjan ‘omwikkelen’ uit germ. *waiƀjan naast ohd. weibōn ‘zwaaien, schommelen, zwerven’. — oi. vēpatē ‘sidderen, beven’, vipra- ‘door de geest bezield, dichter’, vip- ‘dunne twijg, roede’, opr. wipis ‘tak’, lett. viepe ‘bedekking, omhulsel’ (IEW 1132).

De idg. wt. *u̯eip, waarnaast ook *u̯eib (waarvoor zie: wippen) is stellig niet te omschrijven als ‘draaien, zich draaiend bewegen’; de bet. ‘tak’ van oi. vip- en opr. wipis is niet ‘het heen en weer zwaaiende’, maar uit de concrete bet. van de dunne loot werd die van de ‘zwaaiende beweging’ afgeleid. Wij moeten dus deze wortels als afl. van *u̯ei beschouwen, waarvoor zie: weide. Ook dit zijn typische woorden van het primitieve bosbedrijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weifelen ww., mnl. = “weifelen, wankelen”, bij Kil. = “zwerven, in onvaste beweging zíjn, zwaaien, weifelen”. In dgl. bet. ook mnd. weifelen. Deze bet. sluit zich aan bij die van ohd. weibôn “zwaaien, schommelen, zwerven”, mhd. weiben, weibeln “zwaaien, schommelen, zich onvast bewegen”. Hiermee zou echter ndl. *wêven, *wêvelen, *wéf(e)len (voor fl < ƀl vgl. wafel) overeenstemmen, want we mogen bezwaarlijk aan een oude formatie wgerm. *waiƀlian denken, die de ei verklaarbaar zou maken. Is de ei-vorm soms aan hd. invloed toe te schrijven? Verwant met oi. vépate “hij beeft”, vepáyati “hij werpt, giet uit”. Met ’t laatste ww. is ohd. zi-weiben “verstrooien”, on. veifa “(iets) zwaaien, slingeren” identisch, = ags. (be)wæ̂fan (waarbij wæ̂fels m. “kleed, mantel”), on. veifa, got. bi-waibjan “omwikkelen” (oorspr. “omslingeren”), wellicht ook lit. vaipýtis “den mond vertrekken” (en andere balt. woorden). Voor de bett. vgl. bij zweep. Zie nog wijf, wip, wuiven, wieg. Wij zullen voor al deze woorden wel van een grondbasis wī̆- uit moeten gaan, die “slingeren” beteekend kan hebben en met wī̆- “winden” (zie weegluis) identisch zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weifelen. Wanneer wij het bij wuiven Suppl. genoemde mnl. weiven als grondwoord, en dit laatste als een -jan-ww. opvatten, levert de ei geen bezwaar op.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weifelen ono.w., voor weiflen met f uit v vóór l, frequent. van *weiven: z. wuiven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weifel ww.
Aarsel, besluiteloos wees, talm.
Uit verouderde Ndl. weifelen (1710), 'n iteratief van weiven 'heen en weer swaai'.
Eng. waver (ongeveer 1315).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weifel: aarsel; Ndl. weifelen (Mnl. weifelen, “wankel, onvas/besluiteloos wees”, by Kil weyfelen, o.a. “swerwe”), Mhd. weibeln, “swaai, onvas beweeg”, hou verb. m. Skt. vépate, “hy bewe”; v. wuf, wuif.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weifelen, frequ. van ’t Mnl. weiven = heen en weer gaan, zwaaien; vgl.: „Hi weyfde starckelick sijn speer”. Zie Wuiven en Wip.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weifelen ‘aarzelen’ -> Frans dialect wayfer ‘zich zenuwachtig maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weifelen* aarzelen 1562-1592 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut