Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weide - (grasland)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wei(de) zn. ‘grasland waar het vee zijn voedsel zoekt’
Onl. weitha ‘weide’ in scap uueithon thin[r]o ‘de schapen van je weide’ [10e eeuw; W.Ps.], thie weythe thes ewigan liues ‘de weide van het eeuwige leven’ [ca. 1100; Will.]; mnl. weide, gewestelijk wede, in ghemene wede ‘gemeenschappelijke weidegrond’ [1260; VMNW], overdrachtelijk ook ‘voedsel’ in hi stont bi sinen schapen Die hare weide gingen rapen ‘hij stond bij zijn schapen, die aan het grazen waren’ [1265-70; VMNW], weye [1432; MNW-R]; vnnl. wey [1482-1501; iWNT zwaden I].
Mnd. weide; ohd. weida (nhd. Weide); nfri. weide; alle ‘plaats waar men het vee voedsel laat zoeken’, < pgm. *waiþiō(n)-.
Hierbij ook de werkwoorden: mnl. weiden; mnd. weiden; ohd. weid(in)ōn (nhd. weiden); alle ‘voedsel (doen) zoeken’, < *waiþiōn-, *waiþinōn-.
Wrsch. zijn dit dezelfde woorden als de onder → weitas opgegeven woorden voor ‘jacht’ resp. ‘jagen’, betekenissen die zelf in het Nederlands niet inheems zijn. Men kan denken aan een betekenisuitbreiding ‘jacht’ > ‘jachtgebied’ (een betekenis die in het ohd. nog geattesteerd is) > ‘plaats waar de dieren vrij rondlopen’.
De gewone vorm van dit woord is wei, met wegval van de intervocalische -d- en samentrekking van de lettergrepen, zoals in gerei < gereide, slee < slede en zij < zijde ‘kant’. In samenstellingen met wei(de)- is in de loop van de 19e eeuw een opmerkelijke overgang waarneembaar van wei- of wey- naar weide-, dat een hogere stilistische waarde had. Alleen bij de ook in de spreektaal allergebruikelijkste woorden, namelijk het simplex wei en de oude samenstelling weiland, is dit niet gebeurd.
weiland zn. ‘grasland waar vee graast’. Mnl. in van den wede lande ‘van het weiland’ [1253; VMNW], enen morghen weidelans ‘één morgen weiland’ [1280-87; VMNW], syne weylanden ende besaeide landen [14e eeuw; MNW heimen I]. Samenstelling van wei(de) en → land in de betekenis ‘agrarisch terrein’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weide1* [grasland] {oudnederlands weitha 901-1000, middelnederlands weide [voedsel, weide]} oudhoogduits weida [voedsel, jacht, weide], oudengels wād, oudnoors veiðr [jacht], gotisch waiþja [jager]; buiten het germ. latijn venari [jagen], grieks hiemai, (< ∗whiemai) [ik streef, ik begeer], litouws vyti [achtervolgen], oudindisch veti [hij begeert].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weide, wei znw. v., mnl. weide (vla. wede, wee) v., onfrank. weitha v. ‘weide’, mnd. weide v. ‘voer, voedsel, weide’, ohd. weida v. ‘voer, weide, het voedsel zoeken’. Het wordt gewoonlijk gelijkgesteld met ohd. weida ‘jacht, visvangst’, on. veiðir v. ‘jacht, vangst’ < germ. *waiþiō naast oe. wað v. ‘jacht, het rond zwerven’ < germ. *waiþō. — Dit laatste woord verbindt men met oi. vēti ‘vervolgen, streven’, oiers fīad ‘jachtwild’, lit. vejù, výti ‘jagen, vervolgen’, osl. vojĭ ‘krijgsman’, vgl. verder gr. híemai ‘begeren, streven’, lat. vis ‘jij wil’ van idg. *u̯ei ‘op iets af gaan, streven naar’ (IEW 1124).

Men construeert dan de volgende bet. ontw.: ‘streven’ > 1. drijven, jagen’ en 2. voedsel zoeken’. Dit is hoogst onbevredigend, eensdeels wegens de volkomen abstrakte uitgangsbet., anderdeels omdat een zo concreet woord als ‘weide’ dan zou moeten zijn ‘plaats waar het vee zijn voedsel zoekt’. — Er is een ander homoniem, dat eerder in aanmerking komt: mnl. wēde ‘kreupelhout, struikgewas’ en ‘teen, twijg’, oostmnl. wide, mnd. wedde, wede, wide, on. viðja ‘band van een wilgentak’ (waarvoor zie verder: wisse). Daarbij behoort ook het daar behandelde woord voor ‘wilg’ zoals nhd. weide. Voor het laatste gaat men terug op een idg. wt. *u̯ei ‘binden’, maar het verdient eerder aanbeveling te denken aan de bedrijvigheid in het primitieve loofbos, dat zich kenmerkt door met grasvlakten onderbroken opstand. Hier won men van de bomen de jonge twijgen, die voor allerlei vlechtwerk gebruikt werden en daarvoor kwam de wilg wel allereerst in aanmerking. Het woord weide kan dus eensdeels ‘een boom met buigzame loten’ aanduiden, anderdeels ‘de grasvlakte in het bos’, tenzij men voor deze bet. van ‘weide’ niet eerder wil uitgaan van een ‘met een gevlochten heining omgeven grasland’. — Ik acht het mogelijk, dat hiermee ook te verbinden is het woord voor ‘bos’ dat ook in de naam Merwede steekt (zeker een typisch moerasbos), vgl. ohd. witu, oe. widu, wudu (ne. wood), on. viðr, waarvoor men als enige parallel kan aanvoeren oiers fid, kymr. gwydd. De uitgang -u van dit woord doet vermoeden, dat het een sacrale bet. gehad heeft; dus een van de profane wereld door een omheining afgescheiden gedeelte van het bos? (J. de Vries Med. Ver. Naamk. Leuven 34, 1958, 70-72).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wei II, weide znw., mnl. weide (vla. wêde, nieuwvla. wee) v. = onfr. weitha v. “weide”, ohd. weida v. “voer, weide, het voedsel-zoeken, jacht, vischvangst” (nhd. weide), mnd. weide v. “voer, voedsel, weide”, on. veiðr v. “jacht, vangst”, germ. *waiþiô-, waarnaast *waiþô- in ags. wâð v. “jacht, ’t rondzwerven”. Uit idg. *woi-t(i)â-, verwant met ier. fiad “’t wild”, fiadach “jacht” (minder wsch. bij fid “boom” gebracht), lat. vênor “ik jaag” (ook anders verklaarbaar), gr. īemai “ik begeer, streef”, obg. voji “soldaten”, lit. vejù, výti “jagen, vervolgen”, oi. véti “hij vervolgt, streeft”. De combinatie van weide met av. vâstar- “herder” (idg. (i)t- “hoeden”) is onwsch. Zie nog gewei II. — Afl.: weiden ww., mnl. weiden. = ohd. weidôn “jagen, weiden, zwerven” (nhd. weiden), mnd. weiden “jagen, weiden”, ags. wæ̂ða, on. veiða “jagen” (de beide laatste een -jan-ww.). Zie nog uitweiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weide 1 v. (grasveld), Mnl. wede, Onfra. weitha + Ohd. weida (Mhd. weide, Nhd. id.), Ags. wáđ = jacht, On. veiđr = jacht: Germ. wrt. w. + Lat. venari = jagen, Oier. fiadach = jacht. Weide = het zoeken naar spijs.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2wei s.nw. Ook, verouderend, weide.
Weiveld.
Uit verouderde Ndl. weide (1526), gewestelik nog bekend. Eerste optekening in vroeë Afr. op 11 Maart 1778 in die vorm wij (Scholtz 1972: 178).
D. Weide (9de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wei’de: gemene weide (de), (hist.) het open gebied, gedeeltelijk in gebruik als gemeenschappelijke weide, onmiddellijk om Paramaribo. Ten derden dat nu voortaen voor een rijpaart sall moeten werden betaelt, soo als voor andere paerden op de gemeene weyde loopende, drie guldens* () (regl. van 1725; S&dS 380). - Etym.:’Gemeen’ bet. hier ’algemeen, publiek’. Oudste vindpl. not. van 1722 (S&dS 349). - Zie ook: de savanne*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wei II [+]: sporadies nog i. Afr. vir weiding en weiveld (albei blb. nie i. Ndl. gebr. nie); Ndl. wei/weide (Mnl. weide, by vRieb wey/weyde), dial. Ndl. wēde/wee, Hd. weide, hou mntl. verb. m. Lat. venari, “jag”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

weide 'grasland voor het weiden van vee'
Onl. wethe, weitha 'weide, grasland voor het weiden van vee', mnl. weide, gewestelijk wede, nfri. weide, mnd. weide, ohd. weida. Oudste attestatie in plaatsnamen: 1159 Coppelwethe (Koppel ten noorden van Houten, U)1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 210.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Grazige weiden, welig met gras begroeide weiden; (fig.) toestand van geluk en voorspoed.

Wanneer iemand van grazige weiden spreekt, is hij of zij gewoonlijk beïnvloed door de eerste verzen van een psalm van David: 'De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; / Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; / Hij voert mij aan rustige wateren; / Hij verkwikt mijn ziel' (Psalmen 23:1-3, NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'groene' in plaats van 'grazige' weiden). Het kerkelijk lied dat hierop gebaseerd is, 'De Heer is mijn herder', met de regels: 'Hij zal mij geleiden / naar grazige weiden', is zeer bekend, zodat ook dat tot het gebruik van de uitdrukking kan hebben bijgedragen.

Statenvertaling (1637), Psalmen 23:2. Hy doet my nederliggen in grasige weyden; hy voert my sachtkens aen seer stille wateren.
De koeien kunnen zich dan in mei en juni weer tegoed doen aan het groen in de grazige weiden, terwijl de boeren in de loop van de maand juni het land weer op kunnen met de maai- en/of oogstmachine. (Meppeler Courant, feb. 1993)
De Ottomanen stelden het hiernamaals graag voor als grazige weiden waar hoeri's, hemels van lijf en leden, met de wijn rondgingen en het stierf van de tulpen in het gras. (NRC, 26-11-1999, p.31)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weide, van den Idg. wt. wai = op voedsel uitgaan; vandaar bijv. ook weiman voor weidman = jager; vgl. weitasch = jagerstasch. Ook het woord weidsch behoort hier thuis; het bet. oorspr.: zooals bij het jagen past, dus: kloekmoedig; later: deftig, voornaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weide, wei ‘grasland’ -> Negerhollands weide ‘grasland’; Papiaments † wei ‘weiland’; Sranantongo wei ‘grasland’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weide* grasland 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut