Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wegen - (gewicht hebben; gewicht bepalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wegen ww. ‘gewicht hebben; gewicht bepalen’
Mnl. weghen ‘gewicht bepalen’ [1240; Bern.], ‘id.; gewicht hebben’ in dit say sal weghen ... xxviij pond ende niet min ‘het saai moet 28 pond wegen en niet minder’ [1277; VMNW], Dat sie willen weghen metten scalen ‘dat ze willen wegen met de balans’ [1281-82; VMNW].
Os. wegan ‘gewicht bepalen’ (mnd. wegen ‘wegen’); ohd. wegan ‘wegen; inschatten, overwegen; in beweging brengen, doen wankelen, (iemand) verdriet aandoen’ (nhd. -wegen in bewegen (sterk) ‘(iemand) overhalen, ertoe brengen’, wägen ‘overwegen’ (met niet-etymologische spelling en spellinguitspraak), wiegen (met gegeneraliseerde stamklinker uit du wiegst, er wiegt) ‘wegen’); ofri. wega, waga ‘wegen’ (nfri. weage); oe. wegan ‘dragen, tillen; wegen’ (ne. weigh ‘wegen’, de oude betekenis nog in weigh anchor ‘het anker lichten’); on. vega ‘dragen, tillen; strijden; doden; wegen’ (nzw. väga ‘wegen’); got. in gawigan ‘schudden’; < pgm. *wegan-.
Het bijbehorende causatief *wagjan- ‘in beweging brengen’ (os. weggian; ohd. weggen, wegen; oe. wecgan; got. wagjan) is alleen nog overgeleverd in nhd. bewegen (zwak) ‘in beweging brengen’. Voor een ander zwak werkwoord met dezelfde ablauttrap, pgm. *wagōn-, zie → waggelen.
Verwant met: Latijn vehere ‘vervoeren’, vehiculum ‘voertuig, wagen’, zie ook → vehikel; Grieks okheĩn ‘vervoeren’; Sanskrit váhati ‘vloeit, stroomt; rijdt’; Litouws vèžti ‘vervoeren, leiden’; Oudkerkslavisch vesti, voziti ‘vervoeren’ (Russisch veztí, vozít'); misschien Albanees vjedh ‘stelen’; < pie. *ueǵh-, *uoǵh- ‘zweven, drijven; rijden, vervoeren’ (LIV 661).
Uit de verwante woorden in de andere Indo-Europese talen blijkt dat dit oorspr. een algemeen werkwoord van beweging is geweest. Zie hiervoor in het Nederlands bijvoorbeeld nog de verwante woorden → bewegen, → wagen 1 ‘vervoermiddel’ en → weg 1 ‘tocht’. In het algemeen is de betekenis vernauwd tot ‘heen en weer bewegen’, en in het West- en Noord-Germaans meer bepaald ‘objecten in beweging brengen (ten opzichte van elkaar) door ze op een waag te plaatsen’, en vandaar ‘gewicht bepalen’ en vervolgens ‘gewicht hebben’. Zie hierbij ook het ablautende West-Germaanse zn.waag en de afleiding → gewicht.
weegschaal zn. ‘weegtoestel’. Mnl. waghesc(h)ale, weghesc(h)ale ‘weegtoestel’, als wagescale [1240; Bern.] en in in die wegescale [1300-50; MNW-R]. De gewone vorm is in het Middelnederlands nog waghescale, samengesteld uit → waag en → schaal 1. Pas in het Vroegnieuwnederlands wordt onder invloed van het werkwoord wegen de vorm met weeg- gebruikelijker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wegen* [zwaar zijn, de zwaarte bepalen] {1201-1250 in de betekenis ‘zich bewegen, wegen (een gewicht hebben), overgankelijk: het gewicht bepalen’} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels wegan (engels to weigh), oudfries wega, oudnoors vega, gotisch gawigan; buiten het germ. latijn vehere [voeren, dragen], grieks ocheō < ∗wocheō [ik doe rijden], litouws vežti [voeren], oudkerkslavisch vesti [vervoeren], oudiers fecht [keer, gang; expeditie], oudindisch vahati [hij voert]; de huidige betekenis komt van het bijstellen van het weegapparaat. De oorspr. betekenis bleef behouden in bewegen (vgl. wagen2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wegen ww., mnl. wēghen (wach, ghewēghen maar ook woech, ghewōghen) ‘wegen (trans. intrans.), schatten’, os. wegan ‘wegen’, ohd. wegan ‘uit de ruststand komen of brengen, bewegen, wegen (trans. intrans.), schatten’ (nhd. wägen, wiegen, bewegen), ofri. wega ‘brengen, wegen’, oe. wegan ‘bewegen, brengen, wegen’ (ne. weigh), on. vega ‘bewegen, zwaaien, opheffen, wegen’, got. gawigan ‘bewegen, schudden’. Daarbij het caus. os. weggian, ohd. weggen, oe. wecgan, got. wagjan ‘bewegen’. — Vgl. nog. mnl. wâghe v. ‘golf’, os. wāg ‘zee, golvend water, golf’, ohd. wāg v. ‘zee, ‘golvend water’ (nhd. woge), ofri. wēg, wei, oe. wæg ‘golvend zeewater, golf’, on. vāgr m. ‘zee, zeebocht, vloeistof’, got. wēgs m. ‘woestheid van golven, golf’. — oi. vahati ‘voeren, huwen’, av. vazaiti ‘rijden’, gr. ocheō ‘dragen’, med. ‘rijden’, lat. vehō ‘voeren’, lit. vezù, vezti, osl. vezą, vesti ‘vehere’ (IEW 1119) van idg. wt. *u̯egh. — Zie verder: waag 1, wagen 1 en wagen 3, waggelen, weg en wicht 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wegen ww., mnl. wēghen (wach, ghewēghen, praet. ook woech en verl. deelw. ghewōghen) “wegen (trans. en intr.), schatten”. = ohd. wëgan “uit den ruststand komen of brengen, bewegen, wegen (trans. en intr.), schatten” (nhd. wägen, wiegen, be-wegen), os. wëgan “wegen”, ofri. wëga “brengen, wegen”, ags. wëgan “bewegen (gew. trans., ook intr.), brengen, wegen” (eng. to weigh), on. vëga “bewegen, zwaaien, opheffen, wegen”, got. ga-wigan “bewegen, schudden”. Hierbij de causatief-vorm ohd. weggen, os. weggian; ags. wecgan, got. wagjan “bewegen” (en verwante bett.), benevens waag I, wagen I, waggelen, weg I, (ge)wicht en mnl. wâghe v. “golf”, ohd. wâg m. “zee, golvend zeewater” (nhd. woge v.), os. wâg, ofri. wêg, wei, ags. wæ̂g m. “id., golf”, on. vâgr m. “zee, zeebocht, vloeistof”, got. wegs m. “woestheid (van golven), golf”. Van de idg. basis weĝh- “in beweging zijn of brengen”, waarvan o.a. ook ier. fecht “gang, maal”, lat. veho “ik voer, rijd, breng”, gr. ókhos, ékhos “wagen”, pamphylisch wekhétō “laat hij brengen”, obg. vezą, vesti, lit. veżù, vèżti “vehere”, (alb. vjeϑ “ik steel”?), oi. váhati “hij voert, rijdt”. Got. wagjan enz. = gr. okhéomai “ik rijd”, obg. vožą, voziti “vehere”, oi. vâháyati “hij laat rijden, brengen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wegen o.w., Mnl. weghen, Os. wegan + Ohd. id. (Mhd. wegen, Nhd. wegen, wägen, wiegen), Ags. wegan (Eng. to weigh), Ofri. wega, On. vega (Zw. väga, De. veie), Go. gawigan: Germ. wrt weg + Skr. wrt. vah, Lat. vehere, Osl. vesti, Lit. veżti = voeren: Idg. wrt. u̯eǵh = zich bewegen. De oorspr. bet. is alleen over in bewegen; het simplex heeft een causatieve bet.: doen bewegen,dragen, oplichten (z. wagen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wege (ww.) wegen; Vreugmiddelnederlands weghen <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weeg ww.
1. Die gewig bepaal. 2. Van belang wees. 3. Bepaalde gewig hê. 4. Noukeurig rekenskap gee van die bet. van iets.
Uit Ndl. wegen (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1520 in bet. 3, 1567 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. wiegen (16de eeu), Eng. weigh (ongeveer 1000 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weeg: gewig bepaal; bep. gewig hê; oordink; Ndl. wegen (Mnl. wēghen), Hd. wägen en wiegen, Eng. weigh, hou verb. m. wa, waag II en gewig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wegen, van den Idg. wt. wegh, zie Weg. Het bet. letterlijk: in beweging brengen, n.1. de schaal om de zwaarte te bepalen. Zie ook Wiegen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wegen ‘zwaar zijn; de zwaarte bepalen’ -> Berbice-Nederlands wegi ‘zwaar zijn; de zwaarte bepalen’; Sranantongo wegi ‘zwaar zijn; de zwaarte bepalen’; Saramakkaans wegi ‘zwaar zijn; de zwaarte bepalen’; Surinaams-Javaans wégi ‘de zwaarte bepalen; weegschaal, iets om mee te wegen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wegen* zwaar zijn, de zwaarte bepalen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

687. Gewogen maar te licht bevonden.

Deze spreekwijze, die gebruikt wordt om aan te duiden, dat het oordeel over iemands ‘kunde, geschiktheid voor eenige betrekking, zuiverheid in leer of wandel’ na ernstig onderzoek ongunstig moet luiden, is ontleend aan Daniel V, vs. 27: Ghy zijt in weegschalen gewogen, ende ghy zijt te licht gevonden. Zie Zeeman, 230; Tuinman I, bl. 5: Hy is te licht bevonden; Harreb. III, 10; Büchmann, 38; hd. gewogen und zu leicht gefunden; eng. weighed and found wanting.

721. Zijne woorden op een goudschaal(tje) wegen (of leggen),

d.w.z. ze voorzichtig wikken en wegen, ze te voren wèl overdenken; eig. de zwaarte, het gewicht er van als 't ware op een goudschaaltje, een zeer gevoelige balans, wegen. In dezen vorm in de 18de eeuw bekendNdl. Wdb. V, 487. naast zijne woorden in een schaaltje wegen, dat we lezen bij Van Effen, Spect. III, 50; hd. seine Worte auf die Goldwage legen; fr. peser ses paroles (au trébuchet); eng. to weigh one's words well. Deze gedachte wordt in Jezus Sirach, XXVIII, vs. 29 uitgedrukt door de woorden: Maeckt voor uwe woorden een weegh-schael, ende voor uwen mondt maeckt een deure ende grendel; vgl. ook De Brune, 107:

De wijze weeght, met scherp ghezicht,
Zijn woorden met een goud-ghewicht.

1428. De laatste loodjes wegen het zwaarst,

d.w.z. het laatste gedeelte van een langdurigen, zwaren arbeid valt dikwijls het moeilijkst, het zwaarst; van een laatste inspanning hangt dikwijls het meeste af; de verre weg maakt den moeden man (Waasch Idiot. 689 b); mnl. lichte bordene es verre swaer, ja die se verre draghen moet; Goedthals, 75: lichte burden swaren op langhe wegen; ook in het Oostfri.: de leste lôdjes wegen swâr; in het fri.: de leste leadtsjes weage swierst. De zegswijze kan ontleend zijn aan het wegen, waarbij de laatste kleine gewichtjes, de laatste loodjes den doorslag geven; Molema, 241 b: de leste loodjes wegen; Harreb. II, 35 b; Villiers, 74; eng. the last mile is the longest one.

2676. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen,

d.w.z. aan het voornaamste moet het meeste gewicht toegekend worden; het belangrijkste gaat voor. Een oud spreekwoord, dat o.a. staat opgeteekend in Rein. II, 4848: Dat swaerste moet noch meeste weghen; Prov. Comm. 704: t Swaerste moet meest weghen, scitur quod gravius praeponderat undique pondus; zoo ook Campen, 99; Spieghel, 89; 267; De Brune, 490; Hooft, Brieven, 351: 't Zwaarst behoort meest te weeghen; Ged. II, 184, 1083: Het swaerste meest moet wegen; Brederoo II, 389, vs. 1347: 't Swaarst' moet het meeste weghen; J. Zoet, 5: 't Zwaarst weegt meest; Pers, 481 a; Tuinman II, 101; V. Janus, 371 en Harreb. II, 514 a. Ook in het Friesch: hwet swierst is, moat swierst weage; hd. das Schwerste musz am schwersten wiegen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut