Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weg - (baan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

weg 1 zn. ‘pad; tocht; wijze’
Onl. weg ‘pad’ in het toponiem Uuaganuuega ‘Wagenweg (onbekende plaats op de Veluwe)’ [838, kopie 1091-1100; Künzel], ‘pad, tocht, levenstocht’ in uueg uuirkit imo ‘maak een weg voor hem’, That uuir antkennan an erthon uueg thinin ‘opdat wij op aarde uw weg kennen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wech (verbogen vorm weghe(n)) in Di wege si samenen sig al da ‘de wegen komen daar bijeen’ [1200; VMNW], ‘tocht; pad’ [1240; Bern.], ook ‘wijze, manier’ in in anderwege ‘op andere manieren’ [1248-71; VMNW].
Os. weg (mnd. wech); ohd. weg (nhd. Weg); ofri. wei (nfri. wei); oe. weg (ne. way); on. vegr (nzw. väg); got. wigs; alle ‘weg, pad, tocht, reis e.d.’, < pgm. *wega-.
Afleiding van de Indo-Europese wortel van → wegen in de oorspr. betekenis ‘vervoeren, rijden’.
Omdat de betekenis ‘reis, tocht’ het dichtst bij de werkwoordelijke betekenis ‘rijden’ ligt, is het zeer goed mogelijk dat dit de oorspronkelijke betekenis van het Germaanse woord is. Hieruit is dan bij uitbreiding de ruimtelijke betekenis ‘pad, route waarover men reist’ ontstaan, en overdrachtelijk ‘levenswandel, levenstocht’ en ‘wijze, manier’. Zie ook → weg 2 en → -weg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weg1* [baan] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Uuagenuuega <838>, oudnederlands weg 901-1000, middelnederlands wech} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels weg, oudfries wei, oudnoors vegr, gotisch wigs; van wegen. De uitdrukking de brede weg [de gemakkelijke weg van de zonde] is ontleend aan Mattheus 7:13. De uitdrukking zo oud als de weg van Kralingen of naar Rome [bijzonder oud] luidde oorspr. zo oud als de weg en wil zeggen dat gebouwen uiteindelijk tot puin vervallen, maar dat de weg blijft bestaan. Later heeft men erbij gevoegd ‘van Kralingen’ of ‘naar Rome’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weg 1 znw. m. (voor het verkeer), mnl. wech m., onfrank. os. ohd. weg (nhd. weg), ofri. wei, , oe. weg (ne. way), on. vegr, got. wigs. — lit. vėžẽ ‘wagenspoor’, oi. vaha- ‘gaand, leidend’ van de idg. wt. *u̯eĝh ‘bewegen, gaan’, waarvoor zie: wegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weg I znw., mnl. wech (gh) m. = onfr. ohd. wëg (nhd. weg), os. wëg, ofri. wei, , ags. wëg (eng. way), on. vëgr, got. wigs m. “weg”. Van de basis germ. weʒ-, idg. weĝh- “(zich) voortbewegen” (zie wegen); voor de bet. vgl. lit. vėżė̃ “wagen- of sleespoor”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weg 1 m. (baan), Mnl. wech, Onfra., Os. weg + Ohd. wec (Mhd. id., Nhd. weg), Ags. weg (Eng. way), Ofri. wei, On. vegr (Zw. väg, De. vei), Go. wigs + Skr. vahas (= gaande), Lit. vėżė = spoor: van denz. wortel als wegen en wagen 4.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

weeg (zn.) weg; Aajdnederlands weg <838>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2weg s.nw.
1. (verhewe) Pad, straat. 2. Manier, middel waarlangs iets bereik word. 3. (met 'n hoofletter Weg) Christelike geloof.
Uit Ndl. weg (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1518 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
D. Weg.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wei (FV), bw: weg, b.v. ze smyten ‘t wei ‘ze gooien het weg’ (OE 1968, 3,115). Ingw. var. Vgl. E. away.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weg I: s.nw., pad; Ndl. weg (Mnl. wech/wegh), Hd. weg, Eng. way, Got. wigs, v. ook weegbree, wa, waag II, weeg; Ndl. ondersk. tussen weg en pad.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

weg 'pad, baan'
Onl. weg, mnl. wech, ofri. wei, os. oe. ohd. weg, ono. vegr, got. wigs 'pad, baan, tocht, reis', gaat evenals het werkwoord bewegen terug op Indo-Europees *wegh- '(zich) voortbewegen'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 838 kopie 10e eeuw in uilla Uuaganuuega 'wagenweg' (ligging onbekend, op de Veluwe)1, 918-948 kopie 11e eeuw Holanuuegh 'holle weg' (ligging onbekend, bij Wijk bij Duurstede)2, 1165-1169? Vtweg (→ Uitweg)3 en 1189 Ereboudeswege (weg ten zuiden van Grijpskerke, Zl)4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 380, 2Idem 183, 3Idem 358, 4Idem 133.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De weg, de waarheid en het leven, omschrijving van God of van het ware (christelijke) geloof; (fig., ironisch) volmaakt persoon; de enig mogelijke opvatting of handelwijze.

Jezus bereidde zijn discipelen voor op zijn naderende dood en zei hun dat hij heen zou gaan om ervoor te zorgen dat zij zich later bij hem zouden kunnen voegen. 'Toen zei Tomas: "Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?" Jezus zei: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij" (Johannes 14:5-6, NBV). De woorden (ik ben) de weg, de waarheid en het leven, in de bijbel eigenlijk een omschrijving van God, worden in het hedendaagse Nederlandse taalgebruik ook wel ironisch gebruikt. De uitdrukking wordt ook wel gebruikt ter aanduiding van God (of een godheid) en/of van het actief aanhangen van God (of een godheid of godsdienst).

Rijmbijbel (1271), v. 25961-62. Jhesus sprac ic bem die wech. / Ende die warhede ende dat leuen. (Jezus sprak: ik ben de weg en de waarheid en het leven.)
Op het toilet naast me hoorde ik steunen. Daarna sprak er een stem: 'Heer wees me genadig.' Het bleef stil tot dezelfde stem zachter zei: 'Dit is de weg en het leven.' (B. Weijde, Onder het ijs, 1994, p. 159)
Humo: Je registreert dan wel geweld en cynisme. Maar wat plaats je er tegenover? Mennes: Helemaal niks. De pen is geen ondersteek. Ik ben de verlosser niet. Het is mijn job niet de mensen de weg, de waarheid en het leven te tonen. (Humo, 9-9-1997)
Alles voor Matroosje Vosch, hij zegt het daarna keer op keer. Vosch is de Weg, de Waarheid en het Leven, en het is daarom een beetje sullig dat in de bundel nergens wordt uitgelegd wie die man mag zijn. (NRC, 4-4-1997)

De brede weg en de smalle weg, de (gemakkelijke) weg naar de hel en de (moeilijke) weg naar de hemel; (fig.) de gemakkelijke manier en de moeilijke, de levenswandel vol plezier en de strenge levenswandel (de twee elementen komen ook wel afzonderlijk voor).

Het is niet gemakkelijk om het koninkrijk der hemelen te bereiken, zo zei Jezus tot zijn discipelen. Je moet niet de brede, gemakkelijke weg volgen, maar juist de moeilijke, smalle: 'Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden' (Matteüs7:13-14, NBV).

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 50, 34 - p. 52, 1. Pijnt v in te gane dor de inghe porte, want wijt es de porte ende breet es de wech die leidt ter verdoemnessen wert, ende vele es der gherre die dor die wide porte gaen. Ende inghe es die porte ende smal es die wech die leidt ten ewleken leuene wert, ende lettel es der gherre die din wech houden.
Ik had met niemand ruzie, ik had met niemand gepolemiseerd, ik was lid geworden van letterkundige verenigingen, een wandelaar op de brede weg. (Provinciale Zeeuwse Courant, 27-4-1968)
Van de juffrouw heeft Zilver gehoord dat er in het leven een smalle en een brede weg is, een moeilijke en een makkelijke, en dat hij altijd de smalle weg moet kiezen. Per aspera ad astra. (NRC, 9-12-1988)

Gods wegen (of die van een bepaald persoon) zijn ondoorgrondelijk, Gods handelingen (of die van een bep. persoon) zijn niet te begrijpen.

De oorspronkelijke uitdrukking heeft God en zijn werken als onderwerp: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar hierop wordt schertsend veel gevarieerd. Die uitdrukking stamt niet letterlijk uit de bijbel; ze bevat enkele elementen van Romeinen 11:33, 'Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen' (NBV)

Luthervertaling Visscher (1648-1896), Romeinen 11:33. O welk een diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe geheel onbegrijpelijk zijn zijne oordeelen, en ondoorgrondelijk zijne wegen! (Statenvertaling (1637): ongrondeerlic.)
'Dat roepingsbesef bleef in je bezig. Ik heb al die tijd wroeging gehad en had het idee dat ik mijn roeping verzaakt had.' Na vijftien jaar rolden zij er zo weer in. Hij: 'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.' (Meppeler Courant, okt. 1994)
Het genie! De man wiens wegen en geest ondoorgrondelijk en mysterieus zijn. (M. Möring, Mendels erfenis, 1993 (1990), p. 79)

De koninklijke weg, de efficiënte of nette manier.

'Laat ons toch door uw land trekken', laat Mozes vragen aan de koning van Edom in Numeri 20:17, 'wij zullen niet door akkers en wijngaarden trekken en wij zullen geen welwater drinken; de koninklijke weg zullen wij gaan, zonder naar rechts of naar links af te wijken, totdat wij uw gebied zullen zijn doorgetrokken' (NBG-vertaling; de NBV spreekt van 'de koninklijke hoofdweg volgen'). Naast de betekenis 'wij zullen via de heerbaan -- de kortste route -- reizen' is er de connotatie: 'wij zullen ons voorbeeldig gedragen'. De uitdrukking is nog heel frequent.

Statenvertaling (1637), Numeri 20:17. Wy sullen den Conincklicken wech gaen, wy en sullen niet afwijcken ter rechter noch ter slincker hant, tot dat wy door uwe lantpalen sullen getrocken zijn.
De koninklijke weg naar een beter begrip van het onderzoekobject meent de deskundige gevonden te hebben in de inlevingsmethode: om het insekt beter te begrijpen zou men moeten leren kijken, voelen als het insekt. (De Groene Amsterdammer, 19-11-1980)
In Amsterdam zal straks echter een deel van de conducteurs in gewone dienst zijn en een ander deel via een werkgelegenheidsregeling. De koninklijke weg bewandelen en alle conducteurs in dienst nemen, zou voor de gemeente een extra kostenpost van veertig miljoen gulden per jaar betekenen. (NRC, dec. 1994)

De weg van alle vlees gaan, sterven; ook wel: vergaan, verrotten.

Deze uitdrukking is opgebouwd uit verschillende bijbelse elementen. Ten eerste is er het typisch bijbelse gebruik van het woord vlees voor de mens als sterfelijk wezen of voor diens sterfelijke lichaam. De weg gaan van voor 'sterven', vervolgens, is onder meer te vinden in 1 Koningen 2:1-2, 'Toen de dagen van Davids sterven naderden, gebood hij zijn zoon Salomo: Ik sta op het punt de weg der gehele aarde te gaan, wees gij nu sterk en toon u een man' NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'ik moet nu heengaan'). Ten derde kan alle vlees geïnspireerd zijn door de woorden van Jesaja alle vlees is gras (zie verder onder vlees). In het moderne Nederlands wordt zeer creatief met deze samengestelde uitdrukking omgesprongen, zoals uit onderstaande aanhalingen blijkt en uit bijvoorbeeld de titel van een roman van M. Möring, 'Bederf is de weg van alle vlees'. Dit gebeurde ook vroeger al; het WNT maakt melding van de weg van alle vis gaan, voor 'verdrinken', dat wordt toegeschreven aan mogelijke invloed van een paar versregels van Constantijn Huygens. Nog een mooi modern voorbeeld is: 'Marion moet lachen om hun beteuterde gezichten. "Is hij de weg van alle zeepbellen gegaan?" vraagt ze. "Huil maar niet, hoor Inge! Je kunt nog zoveel zeepbellen blazen in je leven..." (J. van Manen Pieters, Tuinfluiter-Trilogie, 1984 (1967), p. 94).

Liesveldtbijbel (1526), 1 Koningen 2:1-2. Als nu den tijt aen quam dat Dauid steruen soude geboot hi sinen soon Salomo ende sprac, ic ga den wech alder werelt sijt een man ende ghetroest. (Statenvertaling (1637): Ick gae henen in den wech der gantscher aerde.)
Onze tent is vol verrassingen. Zo lacht u nog om de lachkomiek en zo bent u de weg van alle vlees gegaan. (NRC, feb. 1995)
[Een jongen bij het graf van zijn kortgeleden overleden moeder:] Hij wilde niet zien hoe het vlees van haar gezicht begon te wijken en hoe haar wangen weggleden. De weg van alle vlees ... Misschien zou het helpen als er op de steen een foto van haar zou worden ingelijst. (G.J. Zwier, De knoop van IJsland, 1997 (1996), p. 123)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wegen der duisternis (vert. van Hebreeuws darkeḥošēk)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

weg (1). In een Gentse tekst, Statuten en ledenlijst van de broederschap van Sint-Jacob [1270] komt de volgende zin voor: “deze goede liede die hir ghecoren sijn ebben ghesworen bi haren weghe die si sancte Jacobs daden in galissien.” De eedformule zweren bi haren weghe enz. betekent ‘bij de pelgrimstocht die zij ondernamen naar Sint-Jacobus in Galicië’. Ook het zweren bij de pelgrimstocht naar Compostela die men maakte, gaf aan de eedformule kracht van waarheid. IJdel gebruik maakt haar tot vloek en uitroep.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weg (baan) van den Idg. wt. wegh = in beweging zijn (ons bewegen), reizen, trekken, rijden; vgl. wagen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

weg (I) (zijn weg maken). - Deze uitdrukking, welke hier en daar ook bij het volk bekend is, is vertaald naar fr. faire son chemin. Men zegt in zuiver Nederlandsch goed, flink door de wereld komen, vooruitkomen, en ook wel zijn weg vinden. || Allen hadden … hunnen weg in de wereld gemaakt, G. BERGMANN, Gedenkschr. 90. Dat hij niet beter zijnen weg maakte, bedroefde haar meer dan hem, SLEECKX 14, 196. Zoodra ik doctor in de rechten ben, zal ik spoedig mijnen weg maken, A. BERGMANN, Staas 84.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weg ‘baan’ -> Frans houache, houaiche ‘kielzog; textiele markering, op de loglijn aangebracht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weg* baan 0838 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2549. De breede weg,

d.i. ‘de weg van het zedelijk verderf, van de zonde; de groote gemakkelijke, door de meeste menschen gevolgde levensweg; in tegenstelling met ‘het enge pad der deugd (fr. la voie étroite) dat tot het leven leidt’ (Ndl. Wdb. III, 1170; XII, 137; Laurillard, 64); ontleend aan Matth. VII, 13: Gaet in door de enge poorte: want wijdt is de poorte, ende breet is de wegh, die tot het verderf leyt, ende vele zijnder die door deselve ingaen.

877. Heg (of weg) noch steg weten,

d.w.z. in het geheel den weg niet weten, ergens geheel onbekend zijn. In het oostfri. hê kend gên weg of steg. Onder een steg verstaat men in het oostfri.: een plank over een sloot (Ten Doornk. Koolm. III, 305 b); in West-Friesland een smal bruggetje, vlonder (De Vries, 98); in Drente is een steg een pad, een weg (Archief I, 350); vgl. het mnl. stech, nhd. steg, mnd. stech, voetpad of plank over eene sloot. De uitdrukking komt voor in Van Homulus een Schoene Comedie (VI. Bibliophilen, 2e Serie no. 6), bl. 40:

Ick moet reysene en verre oncondige wech
Nu desen nacht, en weet niet wech noch stech.

Vgl. verder Landl. 88: Weg noch steg weten; Ppl. 159: Hij weet hier heg noch steg; Gunnink, 239: Geen weg of stek weten; Nkr. IV, 28 Aug. p. 5: Zij vonden in 't lastige doolhof van streken geen weg of steg. Zie Antw. Idiot. 172: van pad of baan weten, pad noch baan vinden; en bl. 519: haak noch staak weten. Vgl. ook over heg en steg, mnl. over stock ende (over) steen, door dik en dun; in Limb. over hok en blok; huik en struik ('t Daghet VIII, 65); bij Rutten, 220: over hok en stok loopen (vgl. eng. over stock and block); Joos 54: over beek en gracht, over heg en haag; deur hei en schavei loopen (Waasch Idiot. 571).

1735. Zoo oud als de weg van Rome (of Kralingen),

d.w.z. zeer oud. In de 16de en 17de eeuw zeide men zoo oud als de weg, dat we lezen bij Sartorius II, 9, 16: Soo oudt als de wegh, de re nimium prisca et obsoleta. Ook bij Van Effen, Spect. X, 136 wordt de uitdr. in dezen vorm aangetroffen, evenals bij Tuinman I, 316 met de verklaring: ‘Gebouwen worden puinhoopen door den tyd, andere dingen vergaan, maar de weg blyft liggen, schoon zy lang betreden is van wandelaars, die voorby zyn. Dit is dan een uitdrukking van eene groote oudheid’. Later schijnt dus van Rome, Kralingen (dit reeds in de 17de eeuwTaal en Letteren XIII, 42. Zie ook G. van Loon, Aloude Hollandsche Histori, 1734, I, p. 181: Het is zoo oud als de weg van Kralinge.), van Jacatra (in het Amsterdamsch dial.) of in Limburg naar Aken, naar Keulen (Jongeneel, 87; Breuls, 94: Zoe aaid wie de weeg van Aoke, wie de Maosbruk), hieraan toegevoegd te zijn, voor welke meening pleit het Zuidnederl. straatoud, zoo oud als de straat, de oude heirweg (Joos, 26). Ook in Friesland: sa âld as de wei (fen Romen of Jeruzelim); Afrik. so oud as die wapad, as die Kaapse pad (Boshoff, 335); fr. vieux comme les chemins, les rues; comme le pont de Rouen; eng. as old as the hills; nd. so alt wie der bremer Wald. Zie voor allerlei synonieme zegswijzen Wander I, 52; V, 734 vlgg.

2550. De weg van alle vleesch.

Van een gestorvene zegt men dat hij ‘den weg van alle vleesch is gegaan’. Laurillard denkt hierbij aan een zinspeling op Jes. XL, 6, 7; Büchmann aan Genesis VI, 12-14 of aan I Kon. 1, 2: Ik ga den weg van al wat leeft. In de litteratuur komt de zegswijze in de 17de eeuw voor bij Huygens, Korenbl. II, 67:

 Piet sonck voor Scheveningh in d'ongestuyme baren.
 Men seght, hy is den wegh van alle vleesch gevaren;
En my dunckt dat het is
De wegh van alle viss.

Zie verder Harreb. II, 389. In 't hd. den Weg alles Fleisches gehen; eng. to go the way of all flesh or nature.

2551. Naar den bekenden weg vragen,

d.w.z. zich onkundig houden, en vragen hetgeen men wel weet; gron. vroagen noa 't kundege pad (Molema, 231 b); fri. freegje nei de kindige wei; eene in de 17de eeuw vrij gewone uitdrukking, die men o.a. vindt bij Winschooten, 365; Hooft, Warenar, vs. 1146: Jy houtje soo slech en begint nou te vraghen nae de bekende wech; Com. Vet. 121: Dan slacht ghy de potters, die nae de bekende wegh vraeghen; Coster, 542, vs. 1464; Huygens, Hofwijck, 2239; Tuinman I, 29; II, 171; Van Effen, Spect. VII, 86; Sewel, 919; Harreb. II, 447 b; Ndl. Wdb. II, 1570; Menschenw. 203; Eckart, 122: he fragt na 't kündige Patt as de Jôden; Dirksen II, 45. Volgens De Bo, 1381 beteekent de uitdr. in West-Vlaanderen: ingebeelde moeilijkheden tegen iets inbrengen. Doch ook in onzen zin komt zij voor (Tuerlinckx, 721; Waasch Idiot. 724; Antw. Idiot. 1428; 2142) naast naar de bekende bane vragen (Teirl. 99).

2552. Die aan den weg timmert, heeft veel berechts,

ook wie timmert aan den weg, hoort allemans gezeg, d.w.z. wanneer iemand iets in het openbaar doet, staat hij bloot aan de critiek, de bedilling van velen. Een algemeen bekend spreekwoord, dat we lezen bij Goedthals, 70: Die by den weghe timmert, heeft veel berechts, qui edifie en grand place, faict maison trop haute, ou trop basse; Prov. Comm. 232: Die biden weghe tymmert heeft vele berechts, mille docent hominem prope callem qui struit idem; Campen, 133: Weel by den wege timmert, die heft veele meysters, in welken vorm de zegswijze ook in het Duitsch bekend is; vgl. mlat. edificans habet artifices prope compita plures; qui struit in calle multos habet plures ille magistros; zie Bebel, no. 341; Wander IV, 1851: wer bey dem weg bawet, der hat vil meister; Ten Doornk. Koolm. III 526 a; Eckart, 556. Zie verder Spieghel, 280: die aan de wegh timmert heeft veel berispens; Winschooten, 296; Mergh, 18: die an de wegh timmert lijd veel anstoot; Huygens, Hofwijck (Prosopopoea), vs. 17: Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck; Vondel, Tooneelschilt, 7: Het gemeene spreeckwoort zeght: wie by den wegh timmert, lijdt veel aenstoots; Cats I, 523:

 Die aen den wegh timmert, heeft veel berichts.
Als yemant timmert aen de straet, daer yeder komt, daer yeder gaet,
 Daer al de werelt mal en vroet, magh sien al wat den metser doet;
 Die staet dan uyt aen alle kant het oordeel van het gantsche lant.

Tuinman I, 229; C. Wildsch. III, 6: Die huizen timmert aan den weg moet lijden iedermans gezeg; W. Leevend, VIII, 351; Harrebomée I, 3; III, 99 a; Joos, 205: die aan de straat timmert, heeft veel berispers. In het Friesch: dy 't oan 'e wei timmert sûzje de earen; in de omstreken van Dendermonde: die aan 't straat werkt, wordt veel gekritikeerd; te Antwerpen: 't is moeilijk aan de straat te werken, iedereen te voldoen (Antw. Idiot. 2070; Waasch. Idiot. 634); mhd. ich zimbere, sô man seget, bi dem wege, des mûz ich manchen meister hân; hd. wer da bauet an den Straszen, soll die Leute reden lassen; eng. he who buildeth in the street, many masters hath to meet.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯eg̑h- ‘bewegen, ziehen, fahren u. dgl’, eine Schwundstufe ug̑h- nur im Ar. und wohl auch im Alb., Partiz. Pass. u̯eg̑h-to-s; u̯eg̑he-tro-m, u̯eg̑hi̯o-m ‘Fahrzeug’, u̯eg̑h-i̯o-s, u̯ēg̑h-os, u̯eg̑h-slo-s, u̯ē̆g̑h-o-s, u̯og̑ho-s ‘fahrend’, u̯eg̑h-no- : u̯og̑h-no-s ‘Wagen’, u̯eg̑h-ti-s ‘das Fahren’, u̯eg̑h-tor- ‘Fahrer’, u̯og̑h-lo- ‘Hebel’

Ai. váhati ‘führt, fährt, zieht, führt heim, heiratet’, auch ‘fließt’ und ‘läßt fließen’, Aor. a-vākṣ-am (Partiz. ūḍhá-, dazu neugebildet ūhati ‘schiebt, drängt’, Leumann IF. 57, 221); av. vazaiti ‘führt, zieht, fliegt’ (Partiz. vašta-, worin št statt -zd- nach Partizipien von nicht auf Aspirata auslautenden Wzln.); ai. vāháyati ‘er läßt führen’, vahana- ‘führend, fahrend’, n. ‘das Führen, Fahren, Schiff’ (dehnst. vāhana- ‘führend, tragend’, n. ‘Zugtier, Wagen, Schiff’), av. ātrǝ-vazana- ‘Feuerwedel’ (vgl. die germ. kelt. no-Bildungen); ai. vahítra- n. ‘Fahrzeug, Schiff’ (: lat. vehiculum), ai. vaha- ‘fahrend, führend’ (= slav. vozъ ‘Wagen’), váha- m. ‘Schulter des Jochtieres’, vahát- f. ‘Fluß, Fahrzeug’, vahyá- ‘zum Fahren tauglich’, n. ‘Vehikel, Tragsessel, Ruhebett’, av. vazya- n. ‘Last, Tracht’ (= as. wigg n. ‘Pferd’), ai. vṓḍhar- ‘fahrend, führend’, m. ‘Zugpferd, Zugochs; Heimführer eines Mädchens; Lastträger’, av. vaštar- ‘Zugtier’ (= lat. vector), woneben mit žd: važdra- ‘der vorwärts bringt’, sāy-uždri- EN eig. ‘dessen weibliche Zugtiere scheckig sind’ (*uždrī f. zu *uždar-); ai. vāhá- ‘führend, tragend’, m. ‘Zugtier, Vehikel’, av. vāza- ‘fahrend, fliegend’, m. ‘Ziehen, Zug, Zugtier’ (: got. wēgs), ai. vā́hiṣṭha-, av. vāzišta- ‘der am besten vorwärtsbringt’; ai. vahas- ‘fahrend’ (: ἔχος n.), vāhas- n. ‘Vehikel, das die Götter herbeiführende Lob’, av. vazah- ‘fahrend, führend’;
gr. ἔχεσφιν· ἅρμασιν Hes., pamphyl. ϝεχέτω ‘er soll bringen’, kypr. ἔϝεξε ‘brachte dar’, ὄχος n. ‘Wagen’, (ὀ- statt ἐ- nach) ὄχος m. ‘Wagen’, ὀχέω ‘führe’, ὀχέομαι ‘lasse mich tragen oder fahren, reite’, αἰγί-οχος ‘die Aegis schwingend’, γαιή-οχος (hom.), γαιά̄-οχος (dor.), γαιά̄ϝοχος (lak.) ‘der die Erde heiratet’ (Beiw. des Poseidon, Borgeaud KZ 68, 222), ὀχετός m. ‘Rinne, Kanal, Wasserleitung’, ὀχετεύω ‘leite Wasser in einer Rinne, einem Kanal’; ὀχλεύς ‘Hebel’ (: aisl. vagl ‘Hühnerstange’), ὀχλέω, ὀχλίζω ‘bewege fort, rolle oder wälze fort’;
alb. vjedh ‘stehle’; schwundstufig wohl alb. udhë ‘Weg, Reise; Gesetz-Vorschrift’, wovon mit Formans -rā vielleicht auch urë ‘Brücke’ (*udh-rā);
lat. vehō, -ere, vēxi (: ai. ávākṣat, aksl. věsъ Aorist), vectum ‘fahren, führen, tragen, bringen’ (dazu wohl auch con-, dē-, sub-vexsus), umbr. ařveitu, arsueitu, arueitu ‘advehitō’, kuveitu ‘convehitō’, lat. vehis f. ‘Wagen, Fuhre, Fuder’, vehemēns eig. ‘*einherfahrend’, daher ‘heftig, hitzig, stürmisch’, vectis ‘Hebel, Hebebaum, Brechstange’, ursprüngl. Abstraktum *‘das Heben, Fortbewegen’, vectīgālis ‘zu den Abgaben an den Staat gehörig’ (setzt ein *vectis in der Bed. ‘das Herbeibringen, Ablieferung’ voraus), vectīgal ‘Abgabe an den Staat, Gefälle, Steuer’, vēlōx ‘schnell’ (*u̯eg̑h-slo-), vēles ‘Leichtbewaffneter’; veia ‘plaustrum’;
air. fēn ‘Art Wagen’ (*u̯eg̑h-no-; vgl. ai. vahana- und ahd. wagan) = cymr. gwain ds., abrit. covinnus ‘Sichelwagen’, cymr. amwain ‘herumführen’, arwain ‘führen’, cywain ‘fahren’; air. fecht ‘Reise, Zeit, mal’, mcymr. gweith, ncymr. gwaith ‘Werk, Arbeit, mal’, corn. gweth, gwyth ‘mal’, acorn. gueid-uur ‘opifex’, bret. gwez, gweach ‘mal’, gall. PN Vectirix, Vecturius;
got. gawigan ‘bewegen, schütteln’, aisl. vega ‘bewegen, schwingen, heben, wiegen’, ahd. wegan ‘sich bewegen, wiegen (nhd. bewegen, erwägen, wägen, wiegen), as. wegan ‘wägen, erwägen’, ags. wegan ‘bringen, führen, wägen’, got. gawagjan ‘bewegen, schütteln’ (= ὀχέω, slav. voziti; dehnstufig ai. vāháyati) = ahd. weggen ‘bewegen’; Iterativ aisl. vaga ‘hin - und herbewegen’, ags. wagian ‘sich bewegen’, ahd. wagon ‘sich bewegen, vibrieren’ (wozu als Postverbale ahd.waga ‘Bewegung’ Wissmann, Nom. postv. 1, 14); got. wigs, aisl. vegr, ahd. as. ags. weg ‘Weg’; aisl. vigg, as. wigg, ags. wicg n. ‘Pferd’ (= ai. vahya-); aisl. vētt, vǣtt f. ‘Gewicht’ (= lat. vectis), ags. wiht n. ds., mhd. gewihte n. ds.;
aisl. vǫg f. ‘Hebel’, Pl. vagar ‘Schlitten’, vǫgur (und vāgir) f. Pl. ‘Bahre’; ahd. as. waga ‘Wiege’, aisl. vagga ds., ahd. wiga ‘Wiege’; ahd. wagan, ags. wægn, aisl. vagn ‘Wagen’ (ablaut. mit ir. fēn); aisl. vagl m. ‘Hahnenbalken’, norw. ‘Hühnerstange’ (‘*Tragstange’, vgl. formell ὀχλ-εύς, -έω);
got. wēgs ‘Wogenschlag’, Pl. ‘Wogen’, aisl. vāgr ‘Meer, Meeresbucht’, ahd. wāg ‘Woge’, as. wāg ‘hochflutendes Wasser’, ags. wǣg ‘Woge’; aisl. vāg ‘Hebel, Wage, Gewicht’, ahd. wāga ‘Wage, Gewicht, Wagnis’ (mnd. mhd. wāgen ‘in die Wage legen, aufs Geratewohl dransetzen, wagen’), as. wāga ‘lanx’, ags. wǣg, wǣge ‘Wage, ein bestimmtes Gewicht’;
lit. vežù, vèžti ‘fahren’, vežìmas ‘Wagen’, vėžė̃ ‘Wagengeleise’, pravėžà ‘Wagengeleise’; abg. vezǫ, vesti ‘vehere’, veslo ‘Ruder’ (*u̯eg̑h-slo-), vozъ ‘Wagen’, vožǫ, voziti ‘fahren, führen’; auch aruss. věža ‘Wohnwagen, Turm’.

WP. I 249 f., WH. II 742 f., 744, Trautmann 356 f., Vasmer 1, 178 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal