Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weergeld - (zoengeld)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weergeld* [zoengeld] {weergelt, weregelt 1366} voor het eerste lid vgl. weerwolf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weergeld znw. o., oostmnl. weerghelt, warghelt ‘zoengeld voor een manslag aan de magen van de verslagene’, mnd. wēr(e)gelt, ohd. wer(i)gelt (nhd. wergeld), ofri. werield, oe. wer(e)gield; het bevat als 1ste lid het onder weerwolf behandelde woord voor ‘man’.

Formeel kan men nnl. weergeld gelijkstellen aan mnl. wēderghelt o. ‘vergelding, vergoeding’, vgl. langob. widrigeld, mnd. weddergelt, ohd. widergelt, ofri. withirield ‘vergoeding, weergeld’; misschien hebben beide woorden zich met elkaar gekruist.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weergeld znw. o. Kil. weregheld, oostmnl. weerghelt o. = ohd. wër(i)gëlt (nhd. wergeld), mnd. wēr(e)gëlt, ofri. wëriëld, ags. wër(e)gield o. “weergeld”. Voor ’t eerste lid zie bij weerwolf. In ’t ndl. woord kan tegelijk mnl. wēderghelt o. “vergelding, vergoeding”, met langob. widrigëld, ohd. widergëlt, mnd. weddergëlt, ofri. withiriëld o. “vergoeding, weergeld” overeenstemmend, voortleven, welks eerste lid = weder II, weer II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weergeld o., + Hgd. weergeld: het eerste lid = man, mensch: Os. wer + Ohd., Ags. id., On. verr, Go. wair + Skr. vīras, Lat. vir, Oier. fer, Lit. výras. Ook in weerwolf en wereld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weergeld [+]: boetegeld aan naasbestaandes vir gepleegde manslag (in Afr. alleen uit ou geskrifte bek.); Ndl. (hoofs. hist.) weergeld, eerste lid gew. beskou i.v.m. Oeng. wer, Got. wair en Lat. vir, (almal) “man” (en Lat. vir mntl. uit vis (gen. viris), “krag”).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Weergeld, de boete voor manslag, eig. het geld, waarmede men de wraak van de familie afkoopt voor den moord; het woord weer = man, lat. vir, dat we nog hebben in weerwolf en wereld; het woord manslag en weergeld passen dus goed bij elkaar.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weergeld, letterlijk: man-geld: het geld, de boete op manslag; van ’t Os. wer = man, Lat. vir. Evenzoo: weerwolf = wolf in mannengedaante, een spook.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weergelden, wedergelden ‘(verouderd) terugbetalen, vergoeden, belonen, vergelden’ -> Zweeds vedergälla ‘vergelden, wreken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weergeld* zoengeld 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut