Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weerbarstig - (stug)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weerbarstig* [stug] {weerbastig 1619, wederbarstig ca. 1626} o.i.v. barsten < middelnederlands wederborstich {1573}, vgl. vlaams weerborstel [tegen de vleug in], frans à rebrousse-poil [idem], dus van weder2 [tegen] + borstel [haar].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

weerbarstig

Onder weerbarstig verstaat men: stijfhoofdig, koppig, hardnekkig, zich niet schikkend. Men spreekt van een weerbarstig karakter. Van zaken gezegd is het: niet plooibaar, zich bezwaarlijk in een andere vorm latende brengen. Zo kan men spreken van weerbarstige krullen voor krullen die dadelijk weer in de oude vorm terugspringen.

Vroeger luidde het woord niet weerbarstig, maar weerborstig. Het Middelnederlands kende een woord verborst voor: woedend, het deelwoord van een werkwoord hem (zich) verborsten: z’n borstels opzetten. En het Vlaams heeft: weerborstel voor: haar dat tegen het andere ingroeit. Men verklaart de a dan uit invloed van het werkwoord barsten. Blijkbaar dacht men dat weerbarstig was: zich werende tegen barsten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weerbarstig bnw. onder invloed van het ww. barsten vervormd uit mnl. wederborstich ‘weerstrevend’, mnd. wedderborstich, wedderburstich ‘met tegenstrevende borstels’. Zo ook vla. weerborstel, weerburstel ‘haar dat tegen de andere ingroeit’. In gelijke zin vinden wij mnl. verborst ‘kwaadaardig’ bij hem verborsten ‘de borstels opzetten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weerbarstig bnw. Blijkbaar met a naar barsten voor Kil. wederborstigh = mnd. wedderborstich, -burstich “weerbarstig”. Zou desnoods van borsten = barsten kunnen komen: oorspr. van een springende snaar gebruikt? Veeleer = “met weerstrevende borstels”: vgl. vla. weerborstel, -burstel “haar dat tegen de andere ingroeit”, vooral mnl. verborst “kwaadaardig” van hem verborsten “zijn borstels opzetten”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wederbarstig bijv., Kil. wederborstigh; cf. Vla. weerborstel = haar dat tegen de vleug groeit, Fr. à rebrousse-poil = tegen de vleug.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weerbarstig b.nw.
1. Koppig, opstandig. 2. (minder gebruiklik) Moeilik hanteerbaar of bewerkbaar.
Uit Ndl. weerbarstig (1573 in bet. 1, 1631 in bet. 2), onder die invloed van wederborstich, 'n samestelling van weder 'teen' en borstel 'borselagtige, regopstaande hare, soos bv. van varke'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. widerborstig (15de eeu).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weerbarstig* stug 1619 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal